Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
201900066/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft het college [wederpartij] een aanwijzing gegeven om maatregelen te treffen tegen de geconstateerde overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900066/2/A2.

Datum uitspraak: 21 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2018 in zaak nr. 18/922 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Utrecht

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2017 heeft het college [wederpartij] een aanwijzing gegeven om maatregelen te treffen tegen de geconstateerde overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Bij besluit van 31 januari 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2018 vernietigd en het college opgedragen om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 november 2018.

Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

    Overwegingen

1.    De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

2.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak.

3.    Uitgangspunt is dat rechterlijke uitspraken moeten worden uitgevoerd. In het betoog van het college dat de aangevallen uitspraak onjuist is, bestaat geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het nieuw te nemen besluit zal bij de behandeling van het hoger beroep kunnen worden betrokken en worden vernietigd als het oordeel in die procedure daar aanleiding toe geeft. Bovendien is niet aannemelijk dat uitvoering van de aangevallen uitspraak tot gevolgen zal leiden die niet ongedaan kunnen worden gemaakt, indien de uitspraak in hoger beroep niet wordt bevestigd. Evenmin is het aannemelijk dat het onevenredige inspanning vergt aan de zijde van het college om een nieuw besluit te nemen. Gelet op het vorenstaande heeft het belang dat ermee is gediend dat aan de aangevallen uitspraak gevolg wordt gegeven, voordat op het hoger beroep is beslist, in dit geval zwaarder te wegen dan het door het college gestelde belang.

4.    Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Van Zanten

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019

97.