Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2019
Datum publicatie
13-11-2019
Zaaknummer
201902091/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1822
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902091/1/V3.

Datum uitspraak: 7 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 maart 2019 in zaak nr. NL19.3140 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 6 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Timmer, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in de grieven opgeworpen rechtsvraag over de elektronische ondertekening van de maatregel van bewaring heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3355. Uit die uitspraak volgt dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend in de zin van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing, zodat de grieven slagen.

2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling bespreekt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

3.    In beroep heeft de vreemdeling de gronden van de maatregel bestreden. Hij heeft daarover onder meer aangevoerd dat de zware grond dat de vreemdeling zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken (artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder (b) van het Vb 2000) geen stand kan houden, omdat uit de motivering blijkt dat is bedoeld dat hij zich niet heeft gehouden aan de geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000. Verder heeft hij aangevoerd dat de lichte grond dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (artikel 5.1b, vierde lid, aanhef en onder (d) van het Vb 2000) te algemeen is toegelicht.

3.1.    De vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. De maatregel is gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Voor het aannemen van dat risico is vereist dat zich ten minste twee gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 voordoen.

3.2.    In de in de maatregel opgenomen toelichting staat bij de hiervoor genoemde zware grond ook dat de vreemdeling verzuimd heeft om, na het verstrijken van de vrije termijn, zijn illegale verblijf kenbaar te maken bij de korpschef, zoals artikel 4.39 van het Vb 2000 vereist. In de toelichting op genoemde lichte grond staat dat de vreemdeling uitsluitend dertig euro bezit en dat hij door het ontbreken van voldoende middelen van bestaan niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zelfstandig uit Nederland kan vertrekken. Hiermee heeft de staatssecretaris in de maatregel deugdelijk gemotiveerd dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De beroepsgrond faalt.

4.    De vreemdeling heeft verder in beroep betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft beoordeeld of toepassing moest worden gegeven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000. Daarover heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris ten tijde van de inbewaringstelling al in het bezit van zijn paspoort was en dat zijn oom garant wilde staan voor de kosten van terugkeer.

4.1.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 is voldaan, omdat de vreemdeling niet daadwerkelijk beschikte over een ticket. Een garantstelling van de oom is onvoldoende.

    De beroepsgrond faalt.

5.    De vreemdeling heeft ten slotte in beroep betoogd dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld heeft. Hij heeft daarover aangevoerd dat de staatssecretaris op het moment van inbewaringstelling op 8 februari 2019 in het bezit was zijn paspoort. De staatssecretaris had daarom eerder dan 13 februari 2019 een vlucht kunnen aanvragen, aldus de vreemdeling.

5.1.    Niet in geschil is dat de staatssecretaris bij de inbewaringstelling in het bezit was van het geldige paspoort van de vreemdeling, zodat het op zijn weg lag bij de verdere handelingen ter voorbereiding van de uitzetting een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten.

    Op 13 februari 2019 heeft de staatssecretaris met de vreemdeling een vertrekgesprek gehouden en een vlucht aangevraagd voor zijn uitzetting. Door hiermee op de zesde dag van de bewaring een begin te maken met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270.

    De beroepsgrond faalt.

6.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 maart 2019 in zaak nr. NL19.3140;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Verburg    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2019

373-848.