Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:375

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
201803885/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/57 met annotatie van Fonville, F.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803885/1/V3.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 30 april 2018 in zaak nr. NL18.7265 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 30 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling heeft op 23 maart 2018 een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van dezelfde datum heeft de staatssecretaris hem, voor zover thans van belang, in bewaring gesteld krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) omdat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning en er het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen bestond. Op 29 maart 2018 heeft een gehoor plaatsgevonden waarin de vreemdeling nieuwe elementen en bevindingen kon toelichten. De staatssecretaris heeft op 2 april 2018 een voornemen uitgebracht, waarop de vreemdeling in zijn zienswijze van 16 april 2018 heeft gereageerd.

Eerste grief

2.    De eerste grief over het opleggen van de bewaringsmaatregel krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Tweede grief

3.    De klacht in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het betoog dat de maatregel ten onrechte heeft voortgeduurd nadat alle gegevens bij de staatssecretaris bekend waren die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning, is terecht voorgedragen. De grief leidt echter niet tot het ermee beoogde doel, gelet op het volgende.

3.1.    Dat op 29 maart 2018 een gehoor heeft plaatsgevonden waarin de vreemdeling informatie over zijn opvolgende aanvraag heeft verstrekt, betekent niet zonder meer dat op dat moment alle voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens waren verkregen. Gegeven de inrichting van de asielprocedure kan de vreemdeling na dit gehoor immers nog opmerkingen maken of nadere gegevens verstrekken. Ook kan de staatssecretaris nadat de vreemdeling een zienswijze heeft ingediend nog tot de conclusie komen dat hij over onvoldoende gegevens beschikt om een besluit te nemen. De Afdeling acht in dit verband nog van belang erop te wijzen dat een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ingevolge artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 aan een termijn van maximaal zes weken is gebonden, om aldus in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn (PB 2013 L 180) te waarborgen dat de vreemdeling niet langer dan nodig in bewaring wordt gehouden.

    De grief faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Kolk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

347-846.