Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
201900064/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:8641, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2017 heeft het college een bestuurlijke boete van € 20.500,00 aan [appellante] opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900064/1/A3.

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2018 in zaak nr. 18/2998 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2017 heeft het college een bestuurlijke boete van € 20.500,00 aan [appellante] opgelegd.

Bij besluit van 14 maart 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Willemsen, advocaat te Gorinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is eigenaresse van de woning op het adres [locatie] te Amsterdam. In de basisregistratie personen (hierna: brp) staat sinds 23 juni 2017 [zoon], de zoon van [appellante], op dit adres ingeschreven. Op 20 juli 2017 heeft de gemeente een melding ontvangen dat de woning zou worden verhuurd aan toeristen. Naar aanleiding van deze melding hebben toezichthouders van de gemeente op 15 augustus 2017 de woning bezocht.

Besluitvorming

2.    Uit het rapport van bevindingen van het bezoek van de toezichthouders op 15 augustus 2017 blijkt het volgende. De deur is geopend door een man, [persoon], die heeft verklaard de woning via Airbnb te hebben geboekt samen met drie vrienden voor vijf nachten. De woning heeft drie woonlagen. De toeristen mochten alleen op de begane grond en op de eerste verdieping komen, zo heeft [persoon] verklaard. Op de begane grond zijn een toilet en een woonkamer met een open keuken. Op de eerste verdieping zijn een badkamer en twee slaapkamers met in totaal vier slaapplaatsen. Op de tweede verdieping zijn een badkamer, een slaapkamer, een niet ingerichte kamer en een keuken. Het bed in deze slaapkamer is niet opgemaakt en de kledingkasten zijn leeg op wat beddengoed na. In deze badkamer staan douchespullen voor een man. [persoon] heeft verklaard dat er buiten de persoonlijke spullen van hem en zijn vrienden geen persoonlijke spullen aanwezig zijn. De toezichthouders hebben verklaard geen persoonlijke spullen te hebben aangetroffen.

3.    Het college heeft geconcludeerd dat sprake is van hotelmatig gebruik van de woning. Omdat de woning zonder vergunning is onttrokken aan de bestemming tot bewoning, heeft het college [appellante] een boete opgelegd van € 20.500. Deze boete is in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de boete mocht opleggen en geen aanleiding heeft hoeven zien om deze te matigen.

Relevante regelgeving

4.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage is bij de uitspraak gevoegd en maakt hiervan deel uit.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een boete mocht opleggen. Het college heeft volgens [appellante] ten onrechte gesteld dat niet van boeteoplegging kan worden afgezien, omdat zij niet haar hoofdverblijf had in de woning tijdens de verhuur aan de toeristen. De woning is een nieuwbouwwoning die pas eind juni 2017 helemaal klaar was. [appellante] stond nog niet op dat adres ingeschreven in de brp, maar op het adres waar haar woonboot ligt, omdat zij haar parkeervergunning wilde behouden. Haar zoon stond er wel ingeschreven. In de vakantieperiode verhuurde ze de begane grond en eerste etage van de woning, omdat de kosten van de verbouwing hoger waren uitgevallen dan gepland. [appellante] en haar zoon verbleven in de vakantieperiode voornamelijk in haar strandhuis in Castricum. Op 15 augustus 2017 had [appellante], dan wel haar zoon, nog niet alle spullen verhuisd. Een deel van de spullen stond bovendien in de schuur van het huis. De toezichthouders hebben daar niet gekeken. Zij en haar zoon maakten ook gebruik van de douche in de badkamer op de tweede verdieping, vandaar dat er douchespullen zijn aangetroffen. Er stonden in de keuken op de niet verhuurde tweede verdieping spullen in de keukenkasten en in de koelkast en er stond een volle vuilniszak. Mocht [appellante] niet als hoofdbewoner worden aangemerkt, dan is haar zoon dat wel. Hij kreeg daar ook post van de belastingdienst. Ten slotte betoogt [appellante] dat, mocht er sprake zijn van een overtreding, de boete gematigd moet worden wegens haar penibele financiële situatie en omdat de overtreding direct is beëindigd.

Beoordeling hoger beroep

6.    Het college heeft een boete opgelegd omdat de woning werd gebruikt voor toeristenverhuur, waarmee de woning aan de bestemming tot bewoning is onttrokken. Het heeft geen aanleiding gezien om van het opleggen van een boete af te zien, omdat de woning tijdens deze verhuur niet feitelijk werd bewoond door een hoofdbewoner. Uitgaande van het uitgangspunt van het college gaat het er dan om of [appellante] dan wel haar zoon feitelijk haar of zijn hoofdverblijf in de woning had ten tijde van de geconstateerde verhuur aan toeristen. Anders dan het college ter zitting heeft aangevoerd, volgt uit de Hw of de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: Hvv) niet dat uitsluitend degene die de verhuur feitelijk uitvoert als hoofdbewoner kan worden aangemerkt. Zowel [appellante] als haar zoon zouden hoofdbewoner kunnen zijn. [appellante] stond niet ingeschreven op het adres van de woning in de brp. Daarom is het aan haar om aannemelijk te maken dat zij daar haar hoofdverblijf had, zie de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1142). Haar zoon stond wel ingeschreven op het adres van de woning in de brp. Daarom bestaat het vermoeden dat hij in de woning woonde en moet het college het bewijs leveren dat hij ten tijde van de geconstateerde verhuur geen hoofdverblijf in de woning had, zie de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3728).

6.1.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat het bij de beoordeling of sprake is van hoofdverblijf let op de aanwezigheid van bijvoorbeeld kleding, schoenen, tandenborstels en administratie in de woning. Hoewel de toezichthouders de vuilniszak, de keukenkastjes en de koelkast op de tweede verdieping en de schuur niet hebben bekeken, hebben zij de overige ruimten en kasten wel bekeken en daar, afgezien van douchespullen en een pyjama, geen persoonlijke spullen aangetroffen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat als de zoon zijn hoofdverblijf in de woning had, ook persoonlijke spullen op andere plekken dan in een vuilniszak of in de keukenkastjes, koelkast en schuur zouden zijn aangetroffen. In de zienswijze heeft [appellante] bovendien geschreven dat de pyjama van haar was, dus niet van haar zoon, en dat zij vanaf mei 2017 voornamelijk met haar zoon in haar strandhuis verbleef. [appellante] heeft daarnaast in het beroepschrift gesteld dat zij en haar zoon ten tijde van de geconstateerde verhuur feitelijk nog moesten verhuizen en dat hierdoor weinig spullen zijn aangetroffen door de toezichthouders, en ter zitting heeft zij verklaard dat haar zoon in de vakantieperiode ook nog af en toe op zijn vorige adres verbleef.

6.2.    Met het rapport van bevindingen en met de eigen verklaringen van [appellante] heeft het college aangetoond dat de zoon geen hoofdverblijf had in de woning. [appellante] heeft met haar verklaringen ook niet aannemelijk gemaakt dat zij hoofdverblijf in de woning had. Omdat [appellante] noch haar zoon haar of zijn hoofdverblijf in de woning had, werd de woning feitelijk niet bewoond door een hoofdbewoner. Nu de woning door de verhuur aan toeristen is onttrokken aan de bestemming tot bewoning heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat artikel 21, aanhef en onder a, van de Hw is overtreden. Nu niet is voldaan aan het hiervoor besproken uitgangspunt waaronder onder voorwaarden wordt afgezien van het opleggen van een boete, heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat het college in beginsel de boete mocht opleggen.

6.3.    Als het college gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete is het, gelet op het bepaalde in artikel 4.2.2, tweede lid, onder b, van de Hvv, in beginsel gehouden een boete op te leggen overeenkomstig de in bijlage 3 opgenomen tabel. Ingevolge artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. [appellante] heeft geen stukken overgelegd die inzicht geven in haar financiële situatie. Het enkele standpunt dat zij haar plannen met de woning heeft moeten veranderen, leidt niet tot het oordeel dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat haar financiële situatie dusdanig penibel is dat de boete wegens bijzondere omstandigheden gematigd moet worden. Dat zij de overtreding direct heeft beëindigd, kan evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, omdat dit het beoogde doel van de boete is. Het college heeft daarom terecht geen aanleiding gezien de boete te matigen.

6.4.    De betogen falen.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019

317-851.

 

BIJLAGE

 

Huisvestingswet 2014

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;

[…].

Artikel 35

1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

2. De op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:

a. […].

b. het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in     artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor     overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 8, tweede lid,     21 of 22, of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of     voorschriften, bedoeld in artikel 26.

3. De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016

Artikel 4.2.2

[…].

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op:

a. […].

b. voor de eerste overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, b, c     of d van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3     genoemde tabel 2;

[…].