Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
201810386/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9980, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft de minister het verzoek van [appellant] om herziening van een besluit van 28 juli 2016 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810386/1/V6.

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2018 in zaak nr. 18/1973 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft de minister het verzoek van [appellant] om herziening van een besluit van 28 juli 2016 afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2018 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A. Namaki, advocaat te Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 22 maart 2013 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn op 11 februari 2013 is gestart en dat hij voor 10 februari 2016 aan deze plicht moet hebben voldaan. Bij brief van 19 juni 2015 heeft de minister deze termijn verlengd en bepaald dat [appellant] het inburgeringsexamen uiterlijk op 9 maart 2016 moet hebben behaald. Bij brief van 24 september 2015 heeft de minister bepaald dat de inburgeringstermijn eindigt op 6 april 2016. Omdat [appellant] niet voor die datum heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, heeft de minister hem bij voorlopige beschikking van 11 april 2016 meegedeeld dat hij een boete krijgt en dat de hoogte daarvan voorlopig € 1.000,00 is. Bij besluit van 17 juni 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij binnen de termijn aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan en hij daarom de lening die hij bij Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) heeft afgesloten voor het volgen van de inburgeringscursus niet terug hoeft te betalen. De minister heeft [appellant] bij besluit van 28 juli 2016 meegedeeld dat het besluit van 17 juni 2016 onjuist is, omdat hij niet binnen de termijn aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan en hij zijn lening aan DUO daarom moet terugbetalen. Tegen het besluit van 28 juli 2016 heeft [appellant] geen rechtsmiddel aangewend. Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de minister [appellant] een boete van € 1.000,00 opgelegd. Bij besluit van 26 september 2016 heeft de minister bepaald dat [appellant] de bij DUO afgesloten lening moet terugbetalen. Dit besluit is onherroepelijk.

2.    [appellant] heeft de minister bij brief van 13 juli 2017 verzocht om het besluit van 28 juli 2016 te herzien en het besluit van 17 juni 2016 in stand te laten. Bij besluit van 16 oktober 2017, gehandhaafd bij besluit van 26 maart 2018, heeft de minister dit verzoek afgewezen.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens [appellant] is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat hij psychische schade heeft opgelopen door het besluit van 28 juli 2016 en de minister in vergelijkbare gevallen bij DUO afgesloten leningen heeft kwijtgescholden.

3.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

3.2.    Uit de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 6 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2934, volgt verder dat het op de weg ligt van degene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept om concrete gevallen te noemen waarin het bestuursorgaan volgens hem anders heeft gehandeld dan in het zijne of zulks heeft nagelaten en voorts tot op zekere hoogte te onderbouwen waarom die gevallen volgens hem op relevante punten zodanig overeenkomen met het zijne dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

3.3.    [appellant] heeft de door hem gestelde psychische schade niet onderbouwd met medische stukken. [appellant] heeft ook geen concrete gevallen genoemd waarin de minister, anders dan in zijn geval, bij DUO afgesloten leningen heeft kwijtgescholden. Alleen al daarom heeft de rechtbank de minister terecht gevolgd in het standpunt dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Overigens heeft de minister ter zitting toegezegd dat, indien [appellant] alsnog een concreet geval noemt waarin de minister een bij DUO afgesloten lening heeft kwijtgescholden, hij ernaar zal kijken.

Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019

164-899.