Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
201810120/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2017 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.400,- omdat een voertuig waarmee door een chauffeur vervoerswerkzaamheden ten behoeve van [appellante] werden verricht, was uitgerust met een voorziening waarmee de tachograaf kon worden gemanipuleerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201810120/1/A3.

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2018 in zaak nr. 18/1846 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2017 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.400,- omdat een voertuig waarmee door een chauffeur vervoerswerkzaamheden ten behoeve van [appellante] werden verricht, was uitgerust met een voorziening waarmee de tachograaf kon worden gemanipuleerd.

Bij besluit van 31 januari 2018 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd behandeld met zaaknummer 201810122/1/A3 op 27 september 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.S. Kikkert, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Autar, [inspecteur] en mr. A. van Geel, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    De Verordening (EU) nr. 165/2014 (hierna: Vo 165/2014) Artikel 32, derde lid, van de Vo 165/2014 luidt:

Het is verboden gegevens op het registratieblad, op de tachograaf of op de bestuurderskaart opgeslagen gegevens, of afdrukken van de tachograaf te vervalsen, te verbergen, uit te wissen of te vernietigen. Manipulatie van de tachograaf, het registratieblad of de bestuurderskaart die kan leiden tot het vervalsen, uitwissen of vernietigen van de gegevens en/of afgedrukte informatie is verboden. In het voertuig mag geen voorziening aanwezig zijn die met dit doel kan worden gebruikt.

Artikel 38, tweede lid, van deze verordening luidt:

Indien controleambtenaren na het uitvoeren van een controle voldoende bewijs hebben gevonden voor een gegrond vermoeden van fraude, zijn zij bevoegd om het voertuig door te verwijzen naar een erkende werkplaats om aanvullende tests te verrichten en met name om na te gaan dat de tachograaf:

a. correct werkt;

b. correct gegevens registreert en opslaat, en dat de ijkparameters correct zijn.

Het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: Atbv)

Artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv luidt:

Voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, is het verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, eerste lid, tweede alinea, 3, eerste lid, 27, 29, tweede lid, 32, eerste tot en met vierde lid, 33, eerste en tweede lid, 34, behoudens het derde lid, onder b, tweede alinea, 35, 36, eerste en tweede lid, 37, eerste lid, eerste volzin en tweede lid van verordening (EU) nr. 165/2014.

Artikel 8:1, eerste lid, luidt voor zover van belang:

Het niet naleven van artikel 2.4:13, tweede tot en met vierde lid, levert een overtreding op.

De Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2016 (hierna: de Beleidsregel)

In Bijlage 1 van de Beleidsregel, is onder boetefeit B 2.4:5 (40) vermeld dat op overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, Atbv, gelezen in samenhang met artikel 32, derde lid, van Vo 165/2014, een boete staat van: € 4.400,00.

Inleiding

2.    Op 8 november 2016 heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Domein Rail en Wegvervoer (hierna: de inspecteur) de vrachtwagen van [appellante] met kenteken […] gecontroleerd. Naar aanleiding van die controle heeft hij de vrachtwagen verder laten onderzoeken bij een garage. Daar is gebleken dat de tachograaf, die de rust- en rijtijden van de chauffeur registreert, kon worden gemanipuleerd. De minister heeft [appellante] daarom een boete opgelegd.

In hoger beroep is in geschil of de inspecteur het nadere onderzoek van de vrachtwagen bij de garage mocht laten doen.

Hoger beroep

3.    [appellante] voert aan dat het bewijs voor de overtreding onrechtmatig is verkregen en niet had mogen worden gebruikt bij het opleggen van de boete. De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte geoordeeld dat de door de inspecteur gedane bevindingen voldoende waren om een manipulatie van de tachograaf te vermoeden en nader onderzoek te laten doen bij de garage. [appellante] betoogt dat een afwijkend stroomverbruik niet voldoende bewijs is voor een gegrond vermoeden van fraude, zoals in artikel 38, tweede lid, van Vo 165/2014 wordt vereist. Volgens [appellante] is niet duidelijk waarop de stelling is gebaseerd dat een hoger stroomverbruik een aanwijzing voor manipulatie van de tachograaf is en hoe breed die stelling wordt gedragen.

In het geval het bewijs weliswaar onrechtmatig is verkregen maar wel mocht worden gebruikt, vindt [appellante] dat de boete moet worden gematigd.

Beoordeling door de Afdeling

4.    Uit artikel 38, tweede lid, van de Vo 165/2014 volgt dat de inspecteur bevoegd is om een voertuig door te verwijzen naar een erkende werkplaats als bij controle voldoende bewijs is gevonden voor een gegrond vermoeden van fraude. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de resultaten van het onderzoek van de inspecteur voldoende aanleiding gaven om in dit geval nader onderzoek te laten verrichten bij de garage. Daarvoor is het volgende van belang. Bij de controle stelde de inspecteur met de multimeter vast dat het stroomverbruik van de pulsgever van de tachograaf 30,1 milliampère (hierna: mA) was en na één minuut 21,3 mA. Niet bestreden is dat bij dit type tachograaf een stroomverbruik van 10,5 mA en na één minuut rond de 2,2 mA gebruikelijk is. Tussen deze gebruikelijke hoeveelheden en de door de inspecteur gemeten hoeveelheden zit een aanzienlijk verschil. Bovendien was op het display van de tachograaf een melding zichtbaar "Gever spanning hoog". De vooronderstelling dat hoger stroomverbruik een aanwijzing is voor manipulatie van de tachograaf heeft de minister gebaseerd op de ervaringen die zijn gedeeld door leden van de zogenoemde Tacho Web Working Group. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van politie en handhavende instanties uit landen van de Europese Unie. Zoals [inspecteur], inspecteur bij de Inspectie Leefomgeving en Transport, ter zitting heeft toegelicht wordt in deze groep de kennis en expertise die in de praktijk is opgedaan, met elkaar gedeeld. Gelet hierop vindt de Afdeling dat de inspecteur mocht uitgaan van de ervaringen van deze groep. Het gemeten verhoogde stroomverbruik mocht hij dus als voldoende bewijs voor een gegrond vermoeden van fraude aanmerken.

Daar komt in dit geval bij dat het vermoeden van de inspecteur werd versterkt doordat blijkens de ter plaatse gemaakte afdruk van de technische gegevens de tachograaf al na 17 maanden opnieuw is gekalibreerd bij een andere werkplaats dan de keer daarvoor terwijl dat ingevolge artikel 23, eerste lid, van Vo 165/2014 pas na twee jaar nodig is.

5.    Nu het bewijs niet onrechtmatig is verkregen, komt de Afdeling niet toe aan het betoog van [appellante] dat bij gebruikmaking ervan de boete moet worden gematigd. Ook overigens heeft [appellante] geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot een lagere boete.

6.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister de boete aan [appellante] kon opleggen.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019

290.