Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
201808182/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2018 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen. [appellante] is eigenares van de woning aan de [locatie] te Amsterdam. Met het besluit van 21 maart 2011, als gewijzigd bij besluiten van 14 september 2011 en 21 maart 2013, heeft de minister het tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere vastgesteld. Het tracébesluit is onherroepelijk. Het tracébesluit voorziet onder meer in de aanleg van vijf rijstroken per rijrichting, een wisselstrook en een tunnel met een lengte van 3 km in de A9 Gaasperdammerweg. In augustus 2015 is ter hoogte van de woning met de werkzaamheden begonnen. De werkzaamheden op het gehele traject zullen naar verwachting in 2020 gereed zijn. [appellante] heeft de minister verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden en nog steeds lijdt als gevolg van de aanleg van de A9 Gaasperdammerweg als tunnel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808182/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2018 heeft de minister een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2018 heeft de minister het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2019, waar [appellante], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J.A. Soupart, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Onder de minister wordt hierna tevens diens rechtsvoorganger verstaan.

Inleiding

2.    [appellante] is eigenares van de woning aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: de woning).

3.    Met het besluit van 21 maart 2011, als gewijzigd bij besluiten van 14 september 2011 en 21 maart 2013 heeft de minister het tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna gezamenlijk: het tracébesluit) vastgesteld. Het tracébesluit is onherroepelijk. Het tracébesluit voorziet onder meer in de aanleg van vijf rijstroken per rijrichting, een wisselstrook en een tunnel met een lengte van 3 km in de A9 Gaasperdammerweg. In augustus 2015 is ter hoogte van de woning met de werkzaamheden begonnen. De werkzaamheden op het gehele traject zullen naar verwachting in 2020 gereed zijn.

4.    [appellante] heeft de minister verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden en nog steeds lijdt als gevolg van de aanleg van de A9 Gaasperdammerweg als tunnel.

Besluitvorming

5.    De minister heeft met toepassing van artikel 15 van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 een adviescommissie ingesteld. De adviescommissie heeft onderzoek gedaan naar de vraag of de gestelde schade redelijkerwijs niet ten laste van [appellante] behoort te blijven.

In een advies van 17 januari 2018 heeft de adviescommissie uiteengezet dat de gestelde schade voor [appellante] ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was op grond van de terinzagelegging van de Startnotitie Schiphol-Almere (hierna: de startnotitie) vanaf 3 januari 2005 en dat de schade daarom voor haar rekening behoort te blijven. Dat in de startnotitie melding is gemaakt van een verdiepte ligging en overkluizing van de weg en niet van de aanleg van een tunnel, doet daaraan niet af, omdat de overlast door uitvoeringswerkzaamheden bij de aanleg van een verdiepte tunnelbak voor omwonenden minimaal dezelfde zou zijn als nu het geval is.

6.    De minister heeft het advies van de adviescommissie aan het besluit van 26 maart 2018 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

Beoordeling van het beroep

7.    [appellante] betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de schade ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was. Zij voert aan dat haar makelaar haar weliswaar op de startnotitie heeft gewezen, maar dat destijds alleen sprake was van een weguitbreiding en vermeerdering van het aantal rijstroken, dat de specifieke invulling niet vaststond en dat de definitieve plannen pas later zijn vastgelegd. Bovendien zouden de werkzaamheden in eerste instantie verder van de woning vandaan plaatsvinden en zouden het groen en de sloot achter de woning behouden blijven. Bij aanvang van de werkzaamheden is echter het groen verwijderd en de sloot gedempt, waardoor de afstand tussen het werkterrein en de woning zeker 50 m korter is geworden, dan vooraf was te voorzien. Het heien en intrillen van de damwandprofielen deed haar woonomgeving op zijn grondvesten beven. Dit heeft tot schade aan de woning en geluidoverlast geleid en psychische en/of lichamelijke klachten bij haar en haar familieleden veroorzaakt. Aan haar is, evenals aan de bewoners van een achter de woning gelegen woonwijk, voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden een geldsom aangeboden om tijdelijk elders te wonen, maar van dat aanbod heeft zij geen gebruik kunnen maken, omdat zij een gezin met schoolgaande kinderen heeft en dus niet tijdelijk elders kan gaan wonen. Uit dat aanbod volgt dat ook de minister vindt dat de werkzaamheden een grote - immateriële - impact hebben en dat de omwonenden dus compensatie verdienen. Als compensatie wel vooraf, bij nog niet vaststaand nadeel is aangeboden, valt niet in te zien waarom achteraf, bij bewezen nadeel, geen compensatie mogelijk is, aldus [appellante].

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:767), is voor het aannemen van voorzienbaarheid niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat de maatregel tot in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering, zoals bij de aankoop van een onroerende zaak, de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kan worden gehouden. Dit geldt, zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 27 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ5163), ook voor tijdelijke hinder, zoals in dit geval aan de orde is.

7.2.    [appellante] betwist niet dat zij ten tijde van de koop van de woning op grond van de startnotitie kon voorzien dat er plannen bestonden voor de reconstructie van de A9 Gaasperdammerweg, waarbij het aantal rijbanen zou worden vergroot en een deel van de rijksweg mogelijk verdiept zou worden aangelegd met een overkluizing. Uit de startnotitie volgt dat de reconstructie een groot project betreft en ingrijpend zal zijn, maar daarin is niets vermeld over de mate van overlast die omwonenden van de werkzaamheden konden verwachten en de verwachte duur van de periode, waarin de overlast zou optreden. Een redelijk denkend en handelend koper kon op grond van de startnotitie slechts een globale verwachting hebben van de mate en duur van de te verwachten overlast van de werkzaamheden.

De adviescommissie heeft in de slotopmerking van haar advies vermeld dat zij zich er terdege van bewust is dat [appellante] al gedurende geruime tijd vaak zeer ernstige hinder ondervindt van de uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de A9 Gaasperdammertunnel en dat dit op verschillende manieren veel negatieve invloed op het woongenot heeft. Op pagina 14 van het advies is vermeld dat voor de aanleg van de tunnel ongeveer 10.000 heipalen in de grond moesten worden geslagen of getrild. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat de heiwerkzaamheden en het intrillen van damwandprofielen tot grote hinder in de omgeving heeft geleid. De minister heeft ter zitting ook bevestigd dat de werkzaamheden gedeeltelijk in de nacht zijn uitgevoerd. Tevens heeft hij ter zitting bevestigd dat tijdens de werkzaamheden is gebleken dat een gedeelte van de ondergrond door de aanwezigheid van puin harder was dan voorzien, waardoor het heien en trillen met meer geluid- en trillinghinder gepaard ging, dan vooraf was te verwachten.

In het besluit van 2 augustus 2018 en in het verweerschrift heeft de minister vermeld dat de projectorganisatie aan omwonenden, onder wie [appellante], ter compensatie van de overlast ten tijde van de reconstructiewerkzaamheden wegens de daarmee gepaard gaande ernstige hinder een vergoeding heeft aangeboden om tijdelijk elders te kunnen verblijven. [appellante] heeft ter zitting gezegd dat deze vergoeding in haar geval niet toereikend was. Hoe dit ook zij, uit de omstandigheid dat de projectorganisatie aan een aantal omwonenden wegens de grote overlast een vergoeding heeft toegekend om tijdelijk elders te kunnen verblijven, kan ook worden afgeleid dat de omwonenden met forse overlast geconfronteerd zouden worden ten gevolge van het heien van een groot aantal heipalen en het intrillen van damwanden.

7.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellante] ten tijde van de koop van de woning de aard en ernst, de omvang en de duur van de hinder als gevolg van de reconstructiewerkzaamheden aan de A9 Gaasperdammerweg op basis van de startnotitie niet in volle omvang voorzien. Zo kon zij niet voorzien dat de funderingswerkzaamheden het heien van 10.000 heipalen en het intrillen van 1.800 damwandprofielen over een periode van ongeveer anderhalf jaar zouden omvatten, dat ook ’s nachts zou worden doorgewerkt en dat het werkterrein nabij de woning zou worden gesitueerd, waarbij bestaande bosschages tussen de woning en de A9 Gaasperdammerweg zouden worden gekapt. Ook de extra geluid- en trillinghinder, die ontstond vanwege de grote hoeveelheid puin die zich in de ondergrond van de weg bleek te bevinden, kon zij niet voorzien. In het advies van de adviescommissie is ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de voorzienbaarheid van het project en de voorzienbaarheid van de mate en ernst van de hinder die van de realisering van het project zou kunnen worden ondervonden. De minister mocht dit advies daarom niet aan het besluit van 2 augustus 2018 ten grondslag leggen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

8.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan het besluit van 2 augustus 2018 een gebrek kleeft.

Definitieve beslechting van het geschil

9.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De Afdeling ziet, in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding de minister op de voet van deze bepaling op te dragen het gebrek in het besluit van 2 augustus 2018 binnen dertien weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen, door dit besluit alsnog toereikend te motiveren en het zo nodig te wijzigen, met inachtneming van de volgende aanwijzingen.

10.    De minister dient nader advies van een deskundige in te winnen. In dat advies dient de deskundige in ieder geval in te gaan op de hoogte van de schade wegens gederfd woongenot en op de vraag welk gedeelte van de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij zal de deskundige naar verwachting ingaan op de mate van voorzienbaarheid en op de vraag welk gedeelte van de schade onder het normale maatschappelijke risico valt.

Proceskosten en griffierecht

11.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de minister van Infrastructuur en Waterstaat op om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

a.    met inachtneming van de overwegingen ervan het gebrek in het besluit van 2 augustus 2018 te herstellen, en

b.    de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Hazen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2019

452.