Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201708462/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 9 juli 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2019/25
Module Privacy & AVG 2019/2503
Module Privacy & AVG 2019/2710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708462/1/A3.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 9 juli 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.S. Pols, advocaat te Vogelenzang, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Schipper, advocaat te Breda, en A.P. Fonteijne, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

    1.     Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

    2.    Op 25 mei 2018 is Verordening 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in werking getreden en is de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing.

    Inleiding

3.    [appellant] heeft het college verzocht om hem op grond van artikel 35 van de Wbp mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Bij besluit van 9 juli 2015 heeft het college beslist op dit verzoek en aan [appellant] een overzicht verstrekt van hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt.

3.1.    [appellant] heeft de rechtbank op 19 juli 2015 verzocht om een voorlopige voorziening. Als bijlage bij dat verzoek heeft hij een bezwaarschrift van gelijke datum gevoegd dat is gericht tegen het besluit van 9 juli 2015. Het college heeft bij brief van 25 augustus 2015 aan [appellant] meegedeeld dat het nimmer een bezwaarschrift tegen het besluit van 9 juli 2015 heeft ontvangen, dat de bezwaartermijn tegen dat besluit inmiddels is verstreken en dat daarom dat besluit formele rechtskracht heeft. De rechtbank heeft zich in haar uitspraak van 23 februari 2016 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door [appellant] ingestelde beroep tegen de brief van 25 augustus 2015, omdat deze brief een mededeling van feitelijke aard is en dus geen besluit op bezwaar. Deze uitspraak heeft de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:731. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat het college alsnog inhoudelijk dient te beslissen op het bezwaarschrift van [appellant], dat de brief van 25 augustus 2015 is gericht op rechtsgevolg en dat het bezwaarschrift moet worden geacht tijdig te zijn ingediend.

    De Afdeling heeft met het oog op een efficiënte en spoedige beëindiging van het geschil aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Het hoger beroep

4.    [appellant] voert aan dat de wijze waarop het college toepassing heeft gegeven aan de Wbp en Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L281) (hierna: Privacyrichtlijn) niet in overeenstemming is met het transparantiebeginsel. Het overzicht is volgens hem niet volledig, omdat het college niet mag volstaan met de verstrekking van globale gegevens. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 35 van de Wbp volgt dat dit artikel ruim moet worden uitgelegd en dat ook de context van de gegevens van belang is, aldus [appellant].

Het oordeel van de Afdeling

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2594) is het uitgangspunt van de Wbp dat een ieder in de gelegenheid moet zijn na te kunnen gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en verwerkt. De Wbp legt in artikel 35 de houder ter zake een mededelingsverplichting op: indien persoonsgegevens worden verwerkt, verstrekt de houder betrokkene een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm alsmede beschikbare informatie over de herkomst van die gegevens. De Wbp voorziet niet in een recht op inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Gegeven het aan de Wbp ten grondslag liggende transparantiebeginsel is inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen enkel aan de orde indien niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan, behoudens toepasselijkheid van de in artikel 43 van de Wbp vervatte weigeringsgronden. Het is daarom voldoende dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van deze persoonsgegevens wordt verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of ze in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat het college bij zijn besluit van 3 oktober 2017 aan [appellant] heeft meegedeeld dat het zijn persoon betreffende gegevens verwerkt. Daarbij heeft het in een overzicht vermeld het doel van de verwerking en in welk kader de verwerking van die gegevens plaatsvindt. Verder heeft het college vermeld een omschrijving van de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers en de herkomst van de gegevens. De verstrekking heeft derhalve plaatsgevonden in een voor [appellant] begrijpelijke vorm. Dat in het overzicht bij een aantal categorieën van gegevens niet de persoonsgegevens zelf worden vermeld, doet aan het voorgaande niet af. Het college heeft toegelicht dat [appellant] reeds inzage in deze persoonsgegevens heeft gehad dan wel dat hij in het bezit is van de documenten waarin de persoonsgegevens worden vermeld, hetgeen [appellant] niet heeft ontkend. Overigens heeft [appellant] zelf in zijn verzoek van 24 maart 2015 vermeld dat zijn verzoek niet is gericht op afschriften van correspondentie afkomstig van of gericht aan hem dan wel zijn gemachtigden dan wel aan zijn gelieerde vennootschappen, dan wel andere stukken waarvan eerder een afschrift is verstrekt aan hem of zijn vennootschappen. Dit maakt, dat [appellant] zich ervan heeft kunnen vergewissen dat deze persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Het college heeft verder in het overzicht wel de persoonsgegevens vermeld inzake documenten die [appellant] niet eerder heeft kunnen inzien dan wel die hij niet in zijn bezit heeft. Gezien het voorgaande heeft het college voldaan aan de in artikel 35, tweede lid, van de Wbp neergelegde vereisten.

    [appellant] heeft voor het eerst ter zitting gesteld dat in het overzicht  Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC)-documenten ontbreken. Dit leidt niet tot een ander oordeel, omdat hij eerder geen bewijsstukken heeft overgelegd die zijn stelling ondersteunen. Om die reden heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het college over meer gegevens beschikt dan waarvan in het overzicht opgave is gedaan.

    Het betoog faalt.

4.3.    Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081, volgt dat het recht op inzage, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp, uitsluitend betrekking heeft op de persoon betreffende gegevens die vallen onder het bereik van de Wbp. Over de wijze van verstrekking van deze gegevens heeft het Hof overwogen dat het aan de lidstaten is om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits de verstrekking in begrijpelijke vorm geschiedt. Het volstaat derhalve dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van deze persoonsgegevens wordt verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of zij in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt. Uit overweging 4.2. volgt dat hieraan is voldaan. Er bestaat, gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag, zoals [appellant] in beroep heeft voorgesteld, omdat de opgeworpen vraag kon worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof.

Slotsom

5.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 oktober 2017 is ongegrond.

Proceskosten

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

280-859. BIJLAGE - Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht

    Artikel 8:113

[…]

2. Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.

Wet bescherming persoonsgegevens

    Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…]

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

    Artikel 12

Recht van toegang

De Lid-Staten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

a) vrijelijk en zonder beperking, met redelijke tussenpozen en zonder bovenmatige vertraging of kosten:

- uitsluitsel omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens, alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en de ontvangers of categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;

- verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens;

- mededeling van de logica die ten grondslag ligt aan de automatische verwerking van hem betreffende gegevens, in elk geval als het gaat om de geautomatiseerde besluiten als bedoeld in artikel 15, lid 1;

[…]