Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
201808510/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808510/1/V1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2018 in zaak nr. 18/2419 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Surinaamse vreemdeling is 79 jaar oud en weduwe. Zij beoogt verblijf bij referent, haar 55 jaar oude zoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft. Referent is ziek en heeft, naar gesteld, de vreemdeling nodig voor herstel.

    De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en referent meer dan de normale emotionele banden bestaan, zodat geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. De staatssecretaris heeft de aanvraag ook afgewezen, omdat het Nederlands algemeen belang bij het uitoefenen van een restrictief toelatingsbeleid volgens hem zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van haar privéleven in Nederland.

Hoger beroep

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn standpunt dat tussen de vreemdeling en referent geen meer dan de normale emotionele banden bestaan, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling de brieven van de behandelaars van referent van 4 april 2018 en 18 april 2018 eerst heeft overgelegd ná het besluit van 3 april 2018, en daarmee te laat, en dat deze brieven bovendien nieuwe informatie bevatten waarmee hij in dit besluit geen rekening heeft kunnen houden. De staatssecretaris voert verder aan dat de rechtbank evenmin heeft onderkend dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voormelde banden niet bestaan en dat hij in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bij de beoordeling in dit kader heeft betrokken dat ook andere familieleden of derden de door referent benodigde zorg kunnen geven.

2.1.    In voormelde brieven staat dat referent lijdt aan een depressie, dat het van groot belang is dat de vreemdeling hem kan ondersteunen bij zijn behandeling en dat hij niet hoeft te worden opgenomen, omdat zij hem mantelzorg geeft. Anders dan de staatssecretaris betoogt, heeft de vreemdeling deze brieven niet te laat overgelegd, omdat zij daarmee slechts haar al in de brief van 25 oktober 2017 ingenomen stelling dat referent haar steun nodig heeft, nader heeft onderbouwd. Bovendien heeft de staatssecretaris in het verweerschrift van 27 juli 2018 gereageerd op die brieven.

    Dat laat onverlet dat uit de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, volgt dat de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM en de Afdeling bij de beoordeling of voormelde banden bestaan, onder meer heeft betrokken of ook andere familieleden of derden de door referent benodigde zorg kunnen geven. Daarbij heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich in het besluit van 3 april 2018 niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze banden niet bestaan. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt niet ten onrechte ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat, naar gesteld, uitsluitend zij referent de benodigde zorg kan geven. Immers, er bestaat een reële mogelijkheid dat ook andere familieleden of derden de door referent benodigde zorg kunnen geven. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit voormelde brief van 18 april 2018 dat hij voor de behandeling van zijn depressie ook kan worden opgenomen. Bovendien kan hij, als Nederlands staatsburger, een beroep doen op de Nederlandse gezondheidszorgvoorzieningen, ontvangt hij, naar hij heeft verklaard, al wekelijks schoonmaakhulp krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning en heeft zijn zus, ook een Nederlands staatsburger, ter zitting bij de rechtbank verklaard dat zij hem in de weekenden kan helpen. Weliswaar is het begrijpelijk dat referent meer hecht aan zijn moeder dan aan een derde, maar dit betekent nog niet dat er geen reële alternatieven zijn. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte bij de beoordeling of voormelde banden bestaan, betrokken dat referent al in 1988 naar Nederland is gekomen om een zelfstandig leven te leiden en dat hij en de vreemdeling elkaar tot haar inreis op 9 mei 2017 slechts af en toe hebben bezocht en tussentijds ook slechts op afstand contact hebben onderhouden. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het feit dat referent en zijn zus de Nederlandse nationaliteit bezitten, niet betekent dat de vreemdeling niet naar Suriname zou kunnen verhuizen.

    De grief slaagt.

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de toenemende kwetsbaarheid die inherent is aan de leeftijd van de vreemdeling, niet kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn besluitvorming alle door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging in het kader van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft betrokken en dat hij deze niet ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Daarbij heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat enkel de hoge leeftijd van de vreemdeling niet maakt dat haar belang bij de uitoefening van privéleven in Nederland zwaarder weegt dan het Nederlands algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid.

3.1.    De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de leeftijd van de vreemdeling kenbaar heeft betrokken bij de belangenafweging in het verweerschrift van 27 juli 2018. Voorts betoogt hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, terecht dat hij aan de belangen van de vreemdeling niet ten onrechte geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Daarbij heeft hij de volgende feiten en omstandigheden betrokken.

    De vreemdeling is van haar geboorte in 1940 tot in 1977 in het bezit geweest van de Nederlandse nationaliteit. Voorts heeft zij van 1962 tot in 1977 en van 1993 tot 1998 in Nederland gewoond. De afgelopen jaren heeft zij Nederland meerdere keren bezocht op basis van een visum kort verblijf. Ook zijn haar twee kinderen, onder wie referent, hier geboren. Daar staat tegenover dat zij is geboren en getogen in Suriname en de Nederlandse taal spreekt - zodat zij geacht kan worden zich daar staande te houden - en dat zij er zelf voor heeft gekozen om Nederland na de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 te verlaten en zo haar Nederlandse nationaliteit te verliezen. Ook heeft zij in 1998 ervoor heeft gekozen om terug te keren naar Suriname en is zij pas in mei 2017 weer teruggekeerd naar Nederland. Daarbij kan - gelet op haar leeftijd - niet worden uitgesloten dat zij een beroep zal gaan doen op publieke middelen en zorginstellingen. Verder heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende eigen middelen beschikt, nu zij in Suriname weduwepensioen van Suralco ontvangt en in Nederland AOW-pensioen van de Sociale Verzekeringsbank en zij heeft verklaard dat zij in 2017 haar woning in Suriname heeft verkocht om schulden af te betalen. Bovendien kan zij door haar kinderen vanuit Nederland financieel worden ondersteund.

    De staatssecretaris heeft daarbij niet ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat de vreemdeling het grootste deel van haar leven in Suriname heeft gewoond en daarnaar steeds is teruggekeerd en voorts eigen inkomsten heeft. Ten slotte heeft hij niet ten onrechte in haar nadeel gewogen dat - gelet op haar leeftijd - niet kan worden uitgesloten dat zij een beroep zal gaan doen op publieke middelen en zorginstellingen in Nederland.

    Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het Nederlands algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het privéleven in Nederland.

    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Beroep

5.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.

5.1.    De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 14 december 2017 en wat de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van wat onder 2.1 en 3.1 is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan.

    De beroepsgrond faalt.

Conclusie beroep

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 september 2018 in zaak nr. 18/2419;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2019

282-861.