Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
201900490/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:8664, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college een aanvraag van [appellante] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900490/1/A3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2018 in zaak nr. 18/4458 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het college een aanvraag van [appellante] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 22 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Bleijendaal, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woonde ten tijde van belang met haar twee minderjarige kinderen in een woning in Amsterdam. In de tijdelijke huurovereenkomst die [appellante] heeft gesloten met de verhuurder staat dat zij in de hoedanigheid van huisbewaarder tot en met 31 december 2018 deze woning mocht huren.

1.1.    Het college heeft de aanvraag van [appellante] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de verordening), omdat zij een tijdelijke huurovereenkomst had en er dus geen urgent huisvestingsprobleem was. Daarnaast heeft het college de aanvraag op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de verordening afgewezen, omdat het huisvestingsprobleem volgens het college is ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van [appellante]. Verder heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.6.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening toe te passen.

Urgent huisvestingsprobleem

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen urgent huisvestingsprobleem was omdat zij een tijdelijke huurovereenkomst voor een woning had. Volgens de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2018, no. 5 Beleidsregels urgenties (hierna: de beleidsregels) kan er een urgent huisvestingsprobleem zijn, ondanks het feit dat de aanvrager een tijdelijke huurovereenkomst heeft. Volgens [appellante] is dat bij haar het geval, omdat geen mogelijkheid bestond haar tijdelijke huurovereenkomst te verlengen. De maximale periode voor een huurovereenkomst bij huisbewaring is twee jaar en deze is in haar geval geëindigd op 31 december 2018, aldus [appellante].

2.1.    Artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening luidt: "Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem."

    In hoofdstuk 2, paragraaf 3, onder b, van de beleidsregels staat: "Indien zich uitsluitend één of een combinatie van meerdere van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:

[…]

- de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst;

[…]

Indien de aanvrager een probleem aanvoert dat hierboven niet is genoemd, al dan niet in combinatie met één van de bovengenoemde problemen, kan er alsnog sprake zijn van een urgent huisvestingsprobleem. […]"

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen, omdat er geen urgent huisvestingsprobleem was. [appellante] beschikte over zelfstandige woonruimte waarvoor zij een huurovereenkomst had. Weliswaar kan er volgens hoofdstuk 2, paragraaf 3, onder b, van de beleidsregels ondanks een tijdelijke huurovereenkomst een urgent huisvestingsprobleem zijn als zich een probleem voordoet dat daarin niet is vermeld, maar deze situatie deed zich hier niet voor. Dat de tijdelijke huurovereenkomst op enig moment eindigde en niet werd verlengd, was daaraan inherent. Dat in het geval van [appellante] de huurovereenkomst zou eindigen op 31 december 2018 vormde geen omstandigheid die niet is voorzien in hoofdstuk 2, paragraaf 3, onder b, van de beleidsregels.

2.3.    Nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening de aanvraag van [appellante] heeft mogen afwijzen, komt de Afdeling niet toe aan de vraag, of het college dat eveneens op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder e, heeft mogen doen.

    Het betoog slaagt niet.

Hardheidsclausule

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid niet de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 2.6.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening heeft hoeven toe te passen. Met haar twee minderjarige kinderen bevindt zij zich in een schrijnende situatie. Al sinds zij op 16 december 2009 de woning aan de Bernard Loderstraat in Amsterdam heeft betrokken, heeft zij ernstige woonproblemen, die met haar terugkeer naar Amsterdam op 1 januari 2016 niet waren opgelost. Door de zoektocht naar andere woonruimte en de kans om dakloos te worden heeft zij psychische klachten. In dit verband heeft [appellante] een brief van haar praktijkondersteuner GGZ van 18 juli 2018 overgelegd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, had het college daarin aanleiding moeten zien een medisch advies aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst te vragen, aldus [appellante].

3.1.    Artikel 2.6.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening luidt: "Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie."

3.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Het college heeft in de brief van de praktijkondersteuner geen aanleiding hoeven zien medisch advies te vragen, omdat de brief beperkte betekenis heeft. De brief is in algemene bewoordingen gesteld en de psychische klachten van [appellante] zijn daarin niet toegelicht. Daarnaast heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] in een vervelende situatie verkeert, maar dat haar situatie niet uniek is. In Amsterdam zijn veel gezinnen met kinderen die ook jarenlang moeten wachten op geschikte woonruimte.

    Het betoog slaagt niet.

Slotsom  

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Crombach

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019

689.