Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
201805601/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:4590, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft het college een aanvraag van Uptown Advertising om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2019/35 met annotatie van Thoonen, J.J., Have, T. ten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805601/1/A2.

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Uptown Advertising B.V., gevestigd te Egmond aan Zee,

gemeente Bergen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 mei 2018 in zaak nr. 17/5532 in het geding tussen:

Uptown Advertising

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2017 heeft het college een aanvraag van Uptown Advertising om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2017 heeft het college het door Uptown Advertising daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2018 heeft de rechtbank het door Uptown Advertising daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Uptown Advertising hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, tegelijk met zaak nr. 201803922/1/A2, ter zitting behandeld op 19 maart 2019, waar Uptown Advertising, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. E.A.W. Driest, advocaat te Leiden, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.M. Hoenderdaal, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college aan Rijkswaterstaat een vergunning verleend voor dat deel van het bouwwerk, geen gebouw zijnde (geluidsscherm), dat is gelegen op gronden binnen de gemeente Wormerland. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college dat besluit herroepen, ontheffing verleend van artikel 3.2.1 (lees: 30.2.1) (hierna: de vrijstelling) van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (hierna ook: het bestemmingsplan) en aan Rijkswaterstaat vergunning verleend voor het plaatsen van een geluidsscherm op perceel kadastraal bekend WDW00, sectie G, nr. 2631, plaatselijk bekend Rijksweg A7 te Wormerveer, gemeente Wormerland.

    Uptown Advertising huurt sinds 1 december 2008 een gedeelte (hierna: het terrein) van het perceel van de honk- en softbalvereniging Odiz Frogs langs de A7, plaatselijk bekend Zuiderweg 72 te Wijdewormer, gemeente Wormerland. Het college van burgemeester en wethouders van Wormerland heeft Uptown Advertising bij besluit van 10 februari 2009 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een reclamemast op het terrein. Op 22 juli 2009 heeft Uptown Advertising een overeenkomst met Interbest B.V. gesloten, waarbij is overeengekomen dat Interbest de reclamemast van Uptown Advertising zal huren, in beginsel vanaf 1 oktober 2009. Uptown Advertising heeft op 22 september 2009 de reclamemast bij de gemeente Wormerland gereed gemeld. Uptown Advertising heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de vrijstelling, omdat het geluidsscherm het zicht vanaf de A7 op de reclamemast belemmert, waardoor zij schade lijdt.

2.    Het college heeft, op basis van een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgesteld advies van mei 2017, aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de planologische ontwikkeling voor Uptown Advisering ten tijde van de investeringsbeslissing op 1 december 2008 voorzienbaar was op grond van het op 4 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied". De gronden waarvoor de vrijstelling is verleend waren ingevolge het bestemmingsplan bestemd voor de basisbestemming "Verkeersdoeleinden" en de dubbelbestemming "Aandachtszone wegen". Ingevolge de bestemming "Verkeersdoeleinden" waren op deze gronden geluidsschermen met een hoogte van maximaal 5 m toegestaan. Ingevolge de dubbelbestemming "Aandachtszone wegen" mochten de geluidsschermen na verlening van een binnenplanse vrijstelling ter plaatse worden gerealiseerd.

    De rechtbank heeft het standpunt van het college gevolgd.

Het hoger beroep

3.    Uptown Advertising betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college dat de planologische ontwikkeling voor haar voorzienbaar was, heeft gevolgd.

    Uptown Advertising voert aan dat zij geen rekening hoefde te houden met de verlening van de binnenplanse vrijstelling. De vrijstelling kon slechts worden verleend, nadat Rijkswaterstaat als wegbeheerder over het bouwplan advies had uitgebracht. In het Wegaanpassingsbesluit ‘Oostbaan A7 knooppunt Zaandam - Purmerend Zuid’ van 10 oktober 2006 (hierna: het wegaanpassingsbesluit) is echter vermeld dat ter plaatse geen geluidsscherm zal worden geplaatst. Zij mocht er daarom van uitgaan dat Rijkswaterstaat geen positief advies zou uitbrengen over een voornemen om vrijstelling te verlenen voor de plaatsing van een geluidsscherm.

    Uptown Advisering voert verder aan dat zij geen rekening hoefde te houden met de plaatsing van het geluidsscherm ter hoogte van het sportterrein waarop haar reclamemast is geplaatst, omdat sportterreinen geen geluidgevoelige functie zijn. Uptown Advertising verwijst naar een geluidskaart bij het, in ontwerp op 30 april 2008 bekend gemaakte, ‘Actieplan omgevingslawaai gemeente Zaanstad’ (hierna: het Actieplan). Volgens Uptown Advertising volgt uit deze geluidskaart dat in woonwijk Het Kalf in de gemeente Zaanstad, ter bescherming waarvan het geluidsscherm is geplaatst, aan de noordzijde geluidsoverlast van de A7 wordt ervaren. De sportvelden liggen echter op enige afstand ten noordoosten van woonwijk Het Kalf.

    Uptown Advertising voert voorts aan dat, zo zij al rekening had moeten houden met het plaatsen van een geluidsscherm langs de A7, zij geen rekening hoefde te houden met het geluidsscherm waarvoor de vrijstelling is verleend. Volgens Uptown Advertising stond het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" ter plaatse een geluidsscherm van maximaal 5 m hoog toe. Een dergelijke geluidsscherm zou het zicht op de reclamemast van 10 m hoog niet of slechts beperkt hebben belemmerd. Het geluidsscherm is echter op een talud met een hoogte van ongeveer 4 m boven het peil van de sportvelden geplaatst. Het geluidsscherm heeft daardoor effectief een hoogte van 7 a 8 m boven dat peil. Gelet op de definitie van peil in het bestemmingsplan, was ter plaatse echter geen geluidsscherm met een dergelijke hoogte toegestaan. Zij hoefde daarom met een dergelijke hoog geluidsscherm op 1 december 2008 geen rekening te houden, aldus Uptown Advertising.

3.1.    Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro betrekt het bestuursorgaan met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij zijn beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

3.2.    De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing voor een redelijk denkend en handelend koper of ondernemer, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

    Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper of ondernemer, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de investeringsbeslissing te hebben aanvaard.

    Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.

    Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onder 5.23, 5.24 en 5.30 (ECLI:NL:RVS:2016:2582).

3.3.    Ingevolge artikel 24, lid 24.1.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan waren gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" bestemd voor "(ontsluitings)wegen, paden, bruggen, dammen en/of duikers, viaducten en/of tunnels, sloten, bermen en beplanting en parkeervoorzieningen […] met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder geluidsschermen en bruggen dammen en/of duikers". Ingevolge lid 24.2.2, aanhef en onder b, mocht de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5 m bedragen.

    Artikel 30 bevat de regels voor de bestemming "Aandachtszone wegen". Artikel 30, lid 30.2.1, luidt: "In afwijking van het bepaalde bij de andere op de kaart aangegeven bestemmingen mogen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de aanvullende bestemming."

    Lid 30.3 luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van: het bepaalde in lid 30.2.1 en toestaan dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:

1.    vooraf advies wordt ingewonnen van de betreffende wegbeheerder;

2.    geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen weg."

3.4.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van deze bepalingen van het bestemmingsplan voor Uptown Advisering op 1 december 2008 aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor haar ongunstige zin zou kunnen veranderen. Op grond van deze bepalingen kon het college immers vrijstelling verlenen voor het plaatsen van geluidsschermen langs de A7, waardoor de kans bestond dat het zicht vanaf die rijksweg op de reclamemast van Uptown Advertising zou worden belemmerd.

    Anders dan Uptown Advertising stelt, is in het op 10 oktober 2006 vastgestelde wegaanpassingsbesluit niet vermeld dat langs de A7 geen geluidsschermen zullen worden geplaatst, maar is daarin vermeld dat blijkens de gebruikte doelmatigheidscriteria het plaatsen van geluidsschermen ter plaatse niet doelmatig is. Deze vermelding sluit niet uit dat Rijkswaterstaat in een later stadium alsnog kan besluiten tot plaatsing van geluidsschermen of in het kader van een vrijstellingsprocedure instemmend kan adviseren over de plaatsing van geluidsschermen. De vermelding beperkt ook niet de bevoegdheid van het college om met toepassing van artikel 30.3 van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor het plaatsen van geluidsschermen langs de A7.

    Dat sportterreinen niet worden beschouwd als een geluidgevoelige functie, maakt dit niet anders. Nu het bestemmingsplan de plaatsing van geluidsschermen ter hoogte van de sportterreinen mogelijk maakte, moest Uptown Advertising met die mogelijkheid rekening houden.

3.5.    Artikel 2, lid 2.1.2, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan luidt: "Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten: 1. De (bouw)hoogte/de nokhoogte van een bouwwerk; vanaf het peil tot aan de hoogste punt van een bouwwerk, […];

    Artikel 1, aanhef en onder 67, luidt: "In deze voorschriften wordt verstaan onder:

67. peil:

a.    indien op land wordt gebouwd:

    - voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:

    - de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

    - voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:

    - de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij de voltooiing van de bouw.

b. […]."

3.6.    De peilbepaling heeft een leemte voor situaties zoals ter plaatse van de geluidsschermen, omdat daar een hoofdtoegang als vermeld in de peilbepaling ontbreekt. Daarom moet worden bezien wat in dit geval een redelijke uitleg van deze bepaling is.

    De commissie bezwaarschriften Wormerland heeft in haar advies van 31 oktober 2017, dat het college aan het besluit van 24 november 2017 ten grondslag heeft gelegd, vermeld dat in dit geval de letterlijke betekenis van de omschrijving van ‘peil’ tekort schiet, omdat de rijksweg waarlangs de geluidsschermen zijn geplaatst geen hoofdtoegang als bedoeld in die bepaling heeft. De commissie heeft daarom het gedeelte van de begripsomschrijving over de hoofdtoegang buiten beschouwing gelaten en heeft, uitgaande van de aard en het doel van de begripsomschrijving, aangenomen dat de hoogte van de rijksweg als peil moet gelden. De Afdeling acht dit, gezien de omstandigheden van het geval, een redelijke uitleg van het begrip ‘peil’ in de peilbepaling van de planregels.

    De vrijstelling is verleend voor een bouwplan met een geluidsscherm met een hoogte van 3 m. Het geluidsscherm is geplaatst langs rijksweg A7 op een talud met een hoogte van ongeveer 4 m, zodat de bovenkant van het geluidsscherm 7 à 8 m boven het peil ter plaatse van de reclamemast ligt. Het bestemmingsplan maakte ter plaatse een dergelijk geluidsscherm planologisch mogelijk. Anders dan Uptown Advertising betoogt, is de vrijstelling niet verleend voor een bouwplan dat niet paste binnen de maximale bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan.

3.7.    De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat het college de aanvraag van Uptown Advertising om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van de vrijstelling terecht heeft afgewezen, omdat de nadelige planologische verandering voor Uptown Advertising ten tijde van de investeringsbeslissing op 1 december 2008 voorzienbaar was op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied".

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Oranje

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019

507.