Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
201902472/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1168, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor een dakopbouw op het perceel [locatie] te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902472/1/A1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2019 in zaak nr. 16/897 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor een dakopbouw op het perceel [locatie] te Den Haag.

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2019, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen en mr. G. Tjon-Man-Tsoi, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord [vergunninghouder]. Aan de zijde van [appellante] is tevens verschenen [gemachtigde B].

Overwegingen

Inleiding

1.    [vergunninghouder] is eigenaar van de woning op het perceel. De woning is gelegen in de wijk Statenkwartier, die is aangewezen als Rijksbeschermd stadsgezicht. Hij heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning.

    De woning maakt deel uit van het bouwblok Frankenslag 108-124. De woningen in dat bouwblok bestaan van oudsher uit drie lagen met een plat dak. Op de hoekwoning op nummer 108 en op de woning op nummer 122A is een dakopbouw geplaatst. De in deze procedure aan de orde zijnde dakopbouw is min of meer gelijk aan de dakopbouw op de woning op nummer 122A.

    [appellante] woont tegenover de woning van [vergunninghouder]. Zij vindt dat de dakopbouw haar woon- en leefomgeving, waaronder haar uitzicht, aantast.

2.    De relevante bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en het bestemmingsplan "Statenkwartier 1992" zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

3.    Ingevolge het bestemmingsplan "Statenkwartier e.o. 1992" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden a". Ingevolge artikel 5, lid 3.2 onder b, van de planvoorschriften, is de maximale goothoogte 10,50 m. Ingevolge artikel 5, lid 3.2, onder c, is de maximale hellingshoek 55˚.

    Omdat de goothoogte van de woning na realisering van de dakopbouw 13,24 m zal zijn en de hellingshoek van de dakopbouw 70˚, is het bouwplan in strijd met artikel 5, lid 3.2, onder b en c, van de planvoorschriften.

    Om realisering van de dakopbouw mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

    Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat voor de toetsing aan redelijke eisen van welstand alleen het 'Thematisch beleid' van de Welstandsnota 2004 van belang is. Zij voert daartoe aan dat uit de Welstandsnota blijkt dat bij bouwen in de bestaande stad, hetgeen hier het geval is, het beheerbeleid uit de Welstandsnota geldt. Het beheerbeleid kent een apart regime voor het bouwen in een beschermd stadsgezicht. Volgens [appellante] hebben zowel de Welstands- en Monumentencommissie (hierna: de welstandscommissie) als de door de rechtbank ingeschakelde Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) een onjuiste toetsing verricht.

    Subsidiair voert [appellante] over de toetsing aan het 'Thematisch beleid' aan dat het bouwplan niet aan die criteria voldoet. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte de beoordeling van de StAB gevolgd. Zij wijst erop dat zij de juistheid van het advies van de welstandscommissie en het deskundigenbericht van de StAB aan de hand van verschillende adviezen van de door haar ingeschakelde deskundigen gemotiveerd heeft bestreden.

4.1.    In de Welstandsnota 2004 is vermeld dat bouwen in de bestaande stad wordt getoetst aan het Beheerbeleid. Het Beheerbeleid kent twee verschillende manieren van welstandstoezicht, namelijk het regime 'Regulier' en het regime 'Beschermde stadsgezichten'. Het Beheerbeleid is onderverdeeld in het onderdeel 'Specifieke criteria' en het onderdeel 'Algemeen toetsingskader'. Binnen het onderdeel Specifieke criteria wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerkzaamheden die wijzigingen aan de gevel met zich brengen, bouwwerken die vallen onder de Objectcriteria en bouwwerken die vallen onder het zogeheten 'Thematisch beleid'. Alle overige bouwwerken worden beoordeeld aan de hand van het onderdeel Algemeen toetsingskader.

    In het Thematisch beleid van de Welstandsnota zijn de specifieke criteria voor extra bouwlagen opgenomen. Voorafgaand aan de in het kader van de toetsing te zetten stappen, is in het Thematisch beleid vermeld dat een dakopbouw een op zichzelf staand element kan vormen op een bouwblok, maar ook een onderdeel kan zijn of in de toekomst worden van een eenduidige extra bouwlaag op een heel bouwblok. Bepalend voor de keuze tussen deze twee mogelijkheden is de mate van eenheid in het bouwblok. Als het gaat om een ensemble met een architectonische eenheid, zal de extra bouwlaag op het blok uiteindelijk een gelijke mate van eenheid moeten uitstralen. Dit betekent dat de verschillende opbouwen een gelijke vormgeving moeten hebben, dat de eerste opbouw dus het voorbeeld is voor volgende initiatieven. Het eindresultaat, in het geval dat op alle percelen een opbouw wordt gemaakt, zal een collectieve, gelijkvormige, extra bouwlaag op het bouwblok zijn, aldus de Welstandsnota.

    Over de te zetten stappen is in het Thematisch beleid vermeld dat de relatie met de bestaande architectuur een belangrijk uitgangspunt is. Voor het bepalen van het ontwerp van de dakopbouw dient eerst de bestaande architectuur beoordeeld te worden (stap 1). Er worden vier groepen onderscheiden. Voor elke groep is vastgesteld hoe, in eerste instantie, een extra bouwlaag vormgegeven zou moeten zijn. Vervolgens wordt gekeken of de bestaande architectuur van het gebouw in afzonderlijke kenmerken aanleiding geeft om tot een ander soort opbouw te komen (stap 2). Tot slot wordt het ontwerp voor een extra bouwlaag getoetst op de architectonische kwaliteit (stap 3).

4.2.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat de Welstandsnota zo moet worden begrepen dat, indien een bouwwerk valt onder het onderdeel Specifieke criteria, alleen aan de criteria die voor dat bouwwerk gelden, hoeft te worden getoetst. Er hoeft volgens het college niet aan het Algemeen toetsingskader te worden getoetst. Hoewel de ligging van een pand in een beschermd stadsgezicht bij de door de welstandscommissie te maken beoordeling van het bouwplan wel meespeelt, hoeft evenmin afzonderlijk aan hetgeen in de Welstandsnota over het regime Beschermd stadsgezicht is opgenomen te worden getoetst.

    De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college hiermee een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de Welstandsnota.

4.3.    De welstandscommissie heeft, zo is in haar advies van 13 mei 2015 vermeld, het bouwplan aan het Thematisch beleid en aan het Algemeen toetsingskader getoetst. Hoewel, zoals volgt uit het voorgaande, de toetsing aan het Algemeen toetsingskader ten onrechte heeft plaatsgevonden, leidt dat niet tot het oordeel dat het college om deze reden het welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De wel noodzakelijke toetsing aan het Thematisch beleid heeft de welstandscommissie immers wel verricht.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.4.    De Afdeling zal in het navolgende beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan, toetsend aan de criteria van het Thematisch beleid, voldoet aan redelijke eisen van welstand. In dat kader stelt de Afdeling het volgende vast.

    Het college heeft het positieve advies van de welstandscommissie van 13 mei 2015 aan zijn besluit ten grondslag gelegd. [appellante] heeft, onderbouwd met adviezen van drie door haar ingeschakelde deskundigen, aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college heeft vervolgens aan de welstandscommissie om een reactie op deze adviezen gevraagd. In de reactie van 7 september 2016 heeft de welstandscommissie aangegeven in de adviezen geen reden te zien haar eerdere positieve advies te herzien. De drie door [appellante] ingeschakelde deskundigen hebben op de reactie van 7 september 2016 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien de StAB als deskundige te benoemen. De StAB heeft op 23 mei 2017 een deskundigenbericht uitgebracht. Zij heeft het bouwplan getoetst aan het 'Thematisch beleid'. Volgens de StAB voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand. Zowel het college en [appellante] hebben hierop gereageerd. [appellante] heeft daarbij een reactie van één van de door haar ingeschakelde deskundigen overgelegd. De StAB heeft bij het deskundigenbericht van 4 september 2017 laten weten dat in de reactie van [appellante] geen aanleiding wordt gezien van het eerdere deskundigenbericht terug te komen. Op het tweede deskundigenbericht heeft [appellante] gereageerd. De rechtbank heeft, het deskundigenbericht van de StAB volgend, de beroepsgrond dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, verworpen.

4.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:724, mag het bevoegd gezag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bevoegd gezag dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het bevoegd gezag in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering.

4.6.    De Afdeling is van oordeel dat het college het advies van de welstandscommissie dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat in de adviezen van de door [appellante] ingeschakelde deskundigen een andere visie op het bouwplan wordt gegeven dan die van de welstandscommissie, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet mee dat het bouwplan in strijd is met de geldende welstandscriteria. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat niet is gesteld dat in de door het college gevolgde welstandsadviezen van een onjuiste feitelijke situatie wordt uitgegaan, dat de welstandscommissie aan de juiste criteria heeft getoetst en dat die criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. De Afdeling betrekt bij haar oordeel voorts dat op het in hetzelfde bouwblok gelegen pand op het perceel Frankenslag 122A een dakopbouw is geplaatst met een min of meer gelijke vormgeving. De Afdeling acht in dit verband van belang dat er in de Welstandsnota uitdrukkelijk van wordt uitgegaan dat, als een extra bouwlaag wordt geplaatst op een pand dat behoort tot een ensemble met een architectonische eenheid, de op dat ensemble geplaatste opbouwen een gelijke vormgeving moeten hebben, hetgeen betekent dat de eerste opbouw dus het voorbeeld is voor volgende initiatieven. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat niet is beoordeeld of de opbouw op het pand op het perceel Frankenslag 122A aan redelijke eisen van welstand voldoet. Het bouwplan is voorgelegd aan de welstandscommissie en deze commissie heeft een positief advies uitgebracht. Dat omwonenden niet op de hoogte waren van de verleende omgevingsvergunning en zij daartegen geen rechtsmiddelen hebben aangevoerd, maakt dat, daargelaten dat dat voor hun eigen risico komt, niet anders. De Afdeling wijst er nog nadrukkelijk op dat in dat advies van de welstandscommissie is vermeld dat de dakopbouw op het pand op het perceel Frankenslag 122A leidend zal zijn voor toekomstige dakopbouwen.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in voldoende mate heeft onderbouwd dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voert daartoe aan dat het college bij de belangenafweging de effecten van de dakopbouw op te beschermen cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht niet heeft betrokken. Zij voert verder aan dat in het bij de afweging betrokken gemeentelijk beleid geen ruimtelijke, maar politieke belangen zijn opgenomen. Volgens [appellante] mogen politieke wensen niet het verlenen van omgevingsvergunningen bepalen. Bij de afweging is niet betrokken het stedenbouwkundig en algemeen belang van het zo goed mogelijk beschermen van het beschermd stadsgezicht tegenover het belang van een individuele burger om een groter woonoppervlak te krijgen. Zij voert voorts aan dat het college ten onrechte gewicht heeft toegekend aan het feit dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om een kap toe te staan. Zij wijst erop dat bij de afweging ook had moeten worden betrokken dat een hellingshoek van 70˚ niet nodig was en daarvoor alleen is gekozen om een zo groot mogelijk woonoppervlak te creëren. De nut en noodzaak hadden ook bij de afweging moeten worden betrokken. Zij wijst er verder op dat niet alleen het profiel van de straat van belang is, maar dat ook het karakter van de straat bij de belangenafweging betrokken had moeten worden. Door de dakopbouw verandert het gevelbeeld. Zij voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de afweging heeft betrokken dat al een precedent, namelijk de dakopbouw op de woning op het perceel Frankenslag 122A aanwezig was. Zij voert tot slot aan dat het college bij de belangen ten onrechte niet heeft betrokken dat de dakopbouw leidt tot een aantasting van het uitzicht van omwonenden. [appellante] wijst erop dat het individuele belang van de aanvrager, die op zichzelf al voldoende woonruimte heeft, minder zwaar weegt dan het belang van de bescherming van het beschermd stadsgezicht en de daarmee corresponderende belangen van de direct omwonenden.

5.1.    In het besluit op bezwaar van 7 januari 2016 is de bij besluit van 30 juni 2015 verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. In het besluit op bezwaar is vermeld dat in het ontwerp bestemmingsplan "Statenkwartier" weliswaar niet de mogelijkheid is opgenomen om dakopbouwen op panden aan de Frankenslag te realiseren, maar dat daaruit niet de conclusie mag worden getrokken dat dakopbouwen in dat gebied niet gewenst of mogelijk zijn. Bij elke afzonderlijke aanvraag wordt beoordeeld of een dakopbouw mogelijk is. Volgens het college is een dakopbouw op het pand op het perceel [locatie] mogelijk. Het heeft daarbij ten eerste verwezen naar de motivering in het besluit van 30 juni 2015. In dat besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bereid is af te wijken van het bestemmingsplan om het plaatsen van de dakopbouw mogelijk te maken. In het besluit is aangegeven dat, om bewoners aan de stad te binden, het gemeentelijk beleid erop is gericht het vergroten van de woning met een dakopbouw toe te staan. Volgens het college dient een dakopbouw ter vergroting van het woonoppervlak en daarmee het wooncomfort. Het college heeft bij de belangenafweging betrokken dat het bestemmingsplan het uitbreiden van een woning in de vorm van een kap toestaat, zij het met een hellingshoek van 55˚. De dakopbouw met een hellingshoek van 70˚ doet volgens het college echter nauwelijks afbreuk aan het gevelbeeld. Van een afbreuk aan de bestaande architectuur is geen sprake, aangezien aan de wezenlijke kenmerken van het pand weinig verandert. Het college heeft bij de afweging tot slot betrokken dat de breedte van het profiel van de straat en van het binnenterrein ruim voldoende zijn voor de dakopbouw op het drielaagse gebouw en dat de opbouw geen nadelige invloed heeft op de bezonning van naburige panden. Het college heeft in het besluit op bezwaar voorts verwezen naar de dakopbouw op het pand op het perceel Frankenslag 122A, die volgens het college vergelijkbaar is met de dakopbouw waarin het bouwplan voorziet.

5.2.    In het gemeentelijk beleid inzake dakopbouwen is vermeld dat bestuurlijk en beleidsmatig wordt ingezet op het binden van bewoners aan de stad door woningen uitbreidingsmogelijkheden te geven in de vorm van (onder andere) dakopbouwen. Anders dan [appellante] aanvoert, bestaat er geen grond voor het oordeel dat politieke wensen niet ten grondslag mogen worden gelegd aan het ruimtelijk beleid. In beleid is uitdrukkelijk vermeld dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging plaatsvindt tussen enerzijds de belangen van de bewoner die extra uitbreidingsmogelijkheden krijgt ten opzichte van de belangen van omwonenden die onder andere te maken kunnen krijgen met een achteruitgang van de bezonning van hun woning. In het beleid is vermeld dat moet worden beoordeeld of een dakopbouw uit stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch oogpunt verantwoord is. Bij de afweging wordt betrokken of straatprofielen voldoende ruim bemeten zijn en binnenterreinen voldoende maat hebben om ophogingen van aangrenzende bebouwing mogelijk te maken. Ook de invloed op de zonlichttoetreding, en de architectuur van het pand zijn aspecten die bij de belangenafweging worden betrokken.

5.3.    De Afdeling stelt voorop dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het bestemmingsplan de verhoging van de woning met een kap toestaat, zij het dat de hellingshoek maximaal 55˚ mag zijn, terwijl in dit geval sprake is van een hellingshoek van 70˚. Weliswaar moet, zoals [appellante] terecht aanvoert, het college ook in dat geval nog steeds beoordelen of de aangevraagde dakopbouw geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening, maar die beoordeling heeft het college ook gemaakt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    Uit het besluit op bezwaar en de daarop door het college onder meer ter zitting gegeven toelichting blijkt dat bij de belangenafweging ook is betrokken dat het perceel is gelegen in beschermd stadsgezicht. De bestendige bestuurspraktijk is volgens het college dat in beginsel bouwplannen voor dakopbouwen op percelen die in een beschermd stadsgezicht zijn gelegen door het college worden gefaciliteerd. Het bouwplan wordt op zijn eigen merites beoordeeld en bij de belangenafweging worden de relevante belangen tegen elkaar afgewogen. In dit geval heeft het college bij de afweging de breedte van het profiel van de straat en van het binnenterrein betrokken en deze ruim voldoende geacht om een dakopbouw toe te voegen. Het heeft voorts van belang geacht dat de opbouw geen nadelige invloed heeft op de bezonning van naburige panden. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Het college heeft verder bij de belangenafweging betrokken dat, ervan uitgaande dat het bestemmingsplan een kap met een hellingshoek van 55˚ toestaat, van een afbreuk van de bestaande architectuur door een opbouw met een hellingshoek van 70˚ geen sprake is, aangezien aan de wezenlijke kenmerken van het pand weinig verandert. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de dakopbouw, uitgevoerd met een hellingshoek van 70˚ een grotere afbreuk doet aan de architectuur van het pand dan een kap met een hellingshoek van 55˚. De enkele omstandigheid dat door het plaatsen van de opbouw het gevelbeeld wijzigt, is onvoldoende voor dat oordeel. Voor zover [appellante] in dit verband wijst op de wijze van uitvoering van de dakopbouw, geldt dat dat aan de orde komt bij de vraag of het bouwplan voldoet een redelijke eisen van welstand. Wat betreft de stelling van [appellante] dat getwijfeld kan worden aan de nut en de noodzaak van een vergroting van de woning, overweegt de Afdeling dat voor het ter discussie stellen van de behoefte aan de dakopbouw in deze procedure geen plaats is. Het bestemmingsplan maakt immers de uitbreiding van de woning, zij het met een kap, mogelijk. Voor zover [appellante] erop wijst dat het college bij de belangenafweging niet heeft betrokken dat de dakopbouw het uitzicht en daarmee het woongenot aantast, heeft zij dit terecht aangevoerd. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding het besluit te vernietigen. Het college heeft in zijn verweerschrift in beroep dat belang alsnog bij de afweging betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zichtlijn van de bewoners op het perceel Frankenslag 112 door de dakopbouw weliswaar wordt beperkt, maar dat deze beperking niet zodanig is dat op grond daarvan de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Het heeft daarbij kunnen betrekken dat aan uitzicht geen blijvend recht kan worden ontleend en dat buren in een verstedelijkte woonomgeving een en ander van elkaar te dulden hebben. [appellante] kan tot slot niet worden gevolgd in haar stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanwezigheid van een vergelijkbare dakopbouw op de woning op het perceel Frankenslag 122A bij de afweging heeft betrokken. Hoewel dit in het besluit van 30 juni 2015 niet uitdrukkelijk is genoemd, heeft het college in het besluit op bezwaar verwezen naar de dakopbouw op de woning op dat perceel.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij voert aan dat de door haar aangedragen gevallen vergelijkbaar zijn. Volgens [appellante] zag de welstandscommissie in die gevallen in de ligging van de betrokken panden in beschermd stadsgezicht reden om het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten.

6.1.    Het college heeft aangegeven waarom de door [appellante] aangedragen gevallen niet vergelijkbaar zijn. Zoals hiervoor onder 4.6 is vastgesteld, is op het pand op het perceel Frankenslag 122A, dat is gelegen in hetzelfde bouwblok als het pand op het perceel Frankenslag 114, een min of meer gelijke dakopbouw aanwezig. Over deze dakopbouw heeft de welstandscommissie in haar advies aangegeven dat deze leidend zal zijn voor toekomstige dakopbouwen. Hierdoor is dit geval niet vergelijkbaar met de door [appellante] aangedragen gevallen. Naar het oordeel van de Afdeling handelt het college om deze reden dan ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019

473.

 

Bijlage 

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…].,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…].

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 4

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

[…].

Bestemmingsplan "Statenkwartier e.o. 1992"

Artikel 5

1. Doel

De gronden welke blijkens de kaart als zodanig zijn bestemd, hebben de volgende doeleinden:

1.1. hoofdbestemming:

- één-, meergezinshuizen, gezinsvervangende tehuizen met bijbehorende voorzieningen;

- tuinen, erven en groenvoorzieningen.

[…].

3. Bebouwing

[…].

3.2 Voor de niet als monument of als beeldbepalend aangegeven bouwwerken gelden de volgende bebouwingsregels:

[…];

b. de hoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven;

c. waar op de kaart een maximum goothoogte is aangegeven, is een kap toegestaan met een dakhelling tussen 40˚ en 55˚;

[…].