Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201803072/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot het verwijderen en verwijderd houden van in strijd met artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) op de weg geparkeerde motorfietsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803072/1/A3.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 februari 2018 in zaak nr. 17/6262 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. De last strekt tot het verwijderen en verwijderd houden van in strijd met artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) op de weg geparkeerde motorfietsen.

Bij besluit van 24 maart 2017 heeft het college geconstateerd dat een dwangsom ten bedrage van € 1.000,00 is verbeurd en deze ingevorderd.

Bij besluit van 27 juli 2017 heeft het college het door [appellant] tegen de besluiten van 1 en 24 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college geconstateerd dat een dwangsom ten bedrage van € 500,00 is verbeurd en deze ingevorderd.

Bij uitspraak van 28 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 27 juli 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] drijft een onderneming in de handel in en reparatie van motorfietsen aan de [locatie A] te Den Haag.

    Naar aanleiding van klachten van omwonenden over op de weg geparkeerde motorfietsen, hebben twee gemeentelijk toezichthouders op 4 februari 2017 om 10.01 uur ter hoogte van dit adres een controle uitgevoerd. Hun bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 7 februari 2017. Volgens dit proces-verbaal stonden er ten tijde van de controle in een straal van 25 meter rond de onderneming acht motorfietsen en een scooter. Van deze voertuigen stonden vier motorfietsen op naam van [appellant], twee op naam van een persoon uit Maastricht, één op naam van een persoon uit Gouda en één op naam van een persoon uit Den Haag. De scooter had geen tenaamstelling. Op grond van deze bevindingen heeft het college [appellant] in het besluit van 1 maart 2017 medegedeeld dat hij in strijd met artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV heeft gehandeld en hem gelast binnen twee dagen na verzending van het besluit de op de weg geparkeerde motorfietsen te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij heeft het college bepaald dat [appellant] voor een na afloop van die termijn geconstateerde overtreding een dwangsom van € 500,00 per motorfiets per dag verbeurt, met een maximum van € 3.000,00.

    Op 7 maart 2017 om 10.01 uur hebben twee gemeentelijk toezichthouders een nieuwe controle uitgevoerd ter hoogte van het adres van de onderneming van [appellant]. Hun bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van dezelfde dag. Volgens dit proces-verbaal stonden in een straal van 25 meter rond de onderneming negen motorfietsen. Hiervan stonden er vier op naam van [appellant], één op naam van een persoon uit Gouda, één op naam van een persoon uit Weesp, één op naam van een persoon uit Voorburg, en twee op naam van onderscheiden personen uit Den Haag. Op grond van deze bevindingen heeft het college bij het besluit van 24 maart 2017 geconstateerd dat [appellant] niet aan de opgelegde last heeft voldaan en een dwangsom van € 1.000,00 heeft verbeurd. Dit bedrag heeft het college ingevorderd.

    Bij het besluit van 27 juli 2017 heeft het college de besluiten van 1 en 24 maart 2017, onder verwijzing naar een advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 19 juli 2017, gehandhaafd.

    Op 28 december 2017 om 16.40 uur hebben twee gemeentelijk toezichthouders opnieuw een controle uitgevoerd ter hoogte van het adres van de onderneming van [appellant]. Hun bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van dezelfde dag. Volgens dit proces-verbaal stonden in een straal van 25 meter rond de onderneming vijf motorfietsen, waarvan vier aan de onderneming waren te koppelen. Van deze vier stond er één op naam van [appellant]. De eigenaren van de overige drie hebben te kennen gegeven dat hun motorfiets voor onderhoud of reparatie bij de onderneming stond. Op grond hiervan heeft het college bij het besluit van 15 januari 2018 geconstateerd dat [appellant] niet aan de opgelegde last heeft voldaan en een dwangsom van € 500,00 heeft verbeurd. Dit bedrag heeft het college ingevorderd. Tegen het besluit van 15 januari 2018 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. De adviescommissie bezwaarschriften heeft het bezwaarschrift op 1 mei 2018 ter behandeling naar de Afdeling doorgezonden.

2.    [appellant] is het niet eens met de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 27 juli 2017.

    Hij voert aan dat zich op 4 februari 2017 geen overtreding heeft voorgedaan. De motorfiets met het [kenteken] is zijn eigendom en mocht daarom buiten staan. De motorfietsen met [kentekens] hebben minder dan een uur buiten gestaan, hetgeen eveneens is toegestaan. De motorfiets met [kenteken] was voor reparatie ingenomen. Hij wilde zijn motorfiets met [kenteken], waarmee hij rond 12.00 uur naar Middelburg is gereden, naar buiten brengen en moest daarom drie andere motoren even op straat zetten, aldus [appellant].

    Voorts voert hij aan dat hij op 7 maart 2017 niet in strijd met de last heeft gehandeld. Met de gemeente had hij afgesproken dat hij vier motorfietsen op de weg mocht plaatsen, waarvan één van hemzelf. Voorts was hij de periode van 25 februari tot en met 6 maart 2017 op vakantie, zodat er in die periode geen motorfietsen op straat hebben kunnen staan. Gelet op zijn vakantie kon hij voorts niet voldoen aan de termijn van twee dagen die hem in het besluit van 1 maart 2017 was gegeven om aan de last te voldoen. Dat hij de motorfiets met [kenteken] voor reparatie had ingenomen, is onjuist. Die motorfiets is door de eigenaar ervan, wonend aan de [locatie B] te Den Haag, bij de onderneming van [appellant] gestald in verband met een opgebroken straat, aldus [appellant].           

2.1.    Artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV luidt: "Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden […] drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen[.]"

    Het derde lid luidt: "Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

a.    voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

b.    voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon."

2.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op grond van het proces-verbaal van 7 februari 2017 aannemelijk mocht achten dat de motorfietsen met [kentekens] aan [appellant] waren toevertrouwd, omdat de eigenaar ervan in Maastricht woont. [appellant] heeft voorts erkend dat hij de motorfiets met [kenteken], waarvan de eigenaar in Gouda woont, ter reparatie had ingenomen. Deze drie motorfietsen maakten volgens het proces-verbaal deel uit van de negen voertuigen die op 4 februari 2017 in een straal van 25 meter rond de onderneming stonden. Daarom heeft zich op 4 februari 2017 een overtreding voorgedaan van artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV. Dat [appellant] de drie motorfietsen mogelijk tijdelijk buiten had gezet, doet hieraan niet af, omdat deze bepaling geen onderscheid maakt tussen kort en lang geparkeerde voertuigen. Voor zover [appellant] aanvoert dat de drie motorfietsen moeten worden aangemerkt als voertuigen in de zin van artikel 5:2, derde lid, onder a, van de APV die niet tot de in het eerste lid bedoelde voertuigen worden gerekend, kan hij hierin niet worden gevolgd. [appellant] heeft immers niet gesteld dat hij kortdurende herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan die motorfietsen heeft verricht en dit blijkt ook niet uit het proces-verbaal. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen.

    In zoverre faalt het betoog.

2.3.    Niet in geschil is dat op 7 maart 2017 de drie door [appellant] ingenomen motorfietsen met kentekens [kenteken], met een in Gouda wonende eigenaar, [kenteken], met een in Voorburg wonende eigenaar, en [kenteken], met een in Den Haag wonende eigenaar, op de weg waren gestald. Het college mocht op grond van het proces-verbaal van 7 maart 2017 en de daarbij gevoegde foto's voorts aannemelijk achten dat de motorfiets met [kenteken], een Honda met een in Den Haag wonende eigenaar, aan [appellant] was toevertrouwd. Op die foto's is te zien dat die motorfiets vlak voor de onderneming van [appellant], tussen de hiervoor vermelde motorfietsen met [kentekens] staat. Gelet hierop hoefde het college niet uit te gaan van de stelling van [appellant] dat die motorfiets door de eigenaar ervan was gestald. De door [appellant] in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring, volgens [appellant] opgesteld door de eigenaar van die motorfiets, maakt dit niet anders. Die verklaring gaat niet specifiek over de situatie op 7 maart 2017 en is niet ondertekend.

    De hiervoor vermelde vier motorfietsen maakten volgens het proces-verbaal deel uit van de negen motorfietsen die op 7 maart 2017 in een straal van 25 meter rond de onderneming stonden. Daarom heeft [appellant] op 7 maart 2017 in strijd met de opgelegde last gehandeld ten aanzien van twee motorfietsen, zodat de rechtbank terecht het standpunt van het college heeft onderschreven dat [appellant] de in het besluit van 24 maart 2017 vermelde dwangsom van € 1.000,00 heeft verbeurd. Zijn stelling dat hij een afspraak met de gemeente heeft op grond waarvan hij vier motorfietsen, waarvan één de zijne, op de weg mag parkeren, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt en kan daarom niet aan het voorgaande afdoen. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vakantie van [appellant] niet aan het verbeuren van de dwangsom in de weg stond, omdat hij het aangetekend verzonden besluit van 1 maart 2017 tijdig had kunnen afhalen bij de desbetreffende postafhaallocatie en de controle van 7 maart 2017 na zijn vakantie heeft plaatsgevonden.

     Ook in zoverre faalt het betoog.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.    Het door [appellant] tegen het besluit van 27 juli 2017 ingestelde beroep moet worden geacht mede tegen het besluit van 15 januari 2018 te zijn gericht. Omdat de rechtbank niet van het bestaan van het besluit van 15 januari 2018 op de hoogte is gesteld, zal de Afdeling dat beroep hierna beoordelen.

5.    [appellant] betoogt dat het college in het besluit van 15 januari 2018 ten onrechte niet heeft gespecificeerd welke vier aan zijn onderneming te koppelen motorfietsen op de weg waren geparkeerd.

5.1.    Het college heeft als nadere stukken het aan het besluit van 15 januari 2018 ten grondslag gelegde proces-verbaal van bevindingen van de op 28 december 2017 gehouden controle en bijbehorende foto's overgelegd. In het proces-verbaal is gespecificeerd welke motorfietsen de toezichthouders op de weg hebben aangetroffen. [appellant] heeft niet gesteld dat de informatie in dat proces-verbaal onjuist is. Er bestaat daarom geen grond om het besluit van 15 januari 2018 onjuist te achten.

    Het betoog faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 15 januari 2018 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Hartsuiker

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

620.