Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201801540/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:223, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 31 januari 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/233 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801540/1/A2.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Almere,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2018 in zaak nr. 17/2237 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 31 januari 2017.

Bij besluit van 18 april 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.D. Tellingen, advocaat te Almere, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is op 5 juni 2016 om 04:50 door de politie, eenheid Midden-Nederland, aangehouden en bleek een alcoholgehalte van 810 µg/l (dat is 1,863‰) te hebben. Dit was voor de korpschef aanleiding om aan het CBR een mededeling te doen in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR A. Derks, als psychiater werkzaam voor RijbewijsBelang.nl, de opdracht gegeven onderzoek te doen naar het alcoholgebruik van [appellant]. Volgens het rapport van 29 september 2016 dat Derks heeft opgesteld komen uit het onderzoek de volgende volgens haar relevante, afwijkende bevindingen naar voren:

"-Het gegeven dat betrokkene in staat was om door te drinken tot een toxisch alcoholpromillage, maakt aannemelijk dat sprake is van een zekere tolerantie indicatief voor een voorgaande periode van overmatig alcoholgebruik. Het gegeven dat betrokkene zich dronken voelde is als zodanig daarmee niet in tegenspraak.

-Er is sprake van een discrepantie tussen de beschreven tolerantie enerzijds en de algemene alcoholanamnese anderzijds. Bij het opgegeven alcoholgebruik is een dergelijke tolerantie minder waarschijnlijk. Aannemelijk is dat sprake is van onderrapportage van het normale alcoholgebruik.

-Er is een opvallende discrepantie tussen het betrekkelijk normale drinkpatroon dat betrokkene aangeeft en het alcoholgebruik op de dag van de aanhouding. Betrokkene heeft op de dag van de aanhouding doorgedronken tot een promillage van 1,863. Het is niet aannemelijk dat er binnen een sociaal alcoholpatroon zo ver wordt doorgeschoten. Waarschijnlijker is sprake van onderrapportage van het normale alcoholgebruik.

Hoewel deze bevindingen afzonderlijk niet concludent hoeven te zijn, is juist de combinatie suspect voor alcoholproblematiek ten tijde van de laatste aanhouding. Dit overwegende dient de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin te worden gesteld. Diagnostische criteria voor een stoornis in alcoholgebruik in termen van de DSM-5 worden daarbij niet behaald. Betrokkene geeft aan het gebruik van alcohol sinds de laatste aanhouding te hebben verminderd tot tweemaal 3 à 6 glazen bier (3-6 AE) per 2.5 maanden. Het laboratoriumonderzoek liet geen aanwijzingen zien voor alcoholmisbruik. Het lijkt derhalve aannemelijk dat betrokkene 6 juni 2016 met het alcoholmisbruik is gestopt."

2.    [appellant] heeft het CBR te kennen gegeven een tweede onderzoek naar zijn alcoholgebruik te wensen. Dit onderzoek is verricht door R.J.P. Hazewinkel, psychiater, en heeft geresulteerd in een rapport van 28 december 2016. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:

"Medische anamnese: voorafgaande aan het huidige onderzoek is betr. wat meer gaan roken en is hij Antigrippine gaan gebruiken bij griep. […]

Psychiatrisch onderzoek: een matig inzicht t.t.v. de aanhouding. Dit lijkt nu wel op orde, echter betr. gaat voorafgaande aan deze keuring toch zeer waarschijnlijk meer alcohol drinken dan de sociaal acceptabele proporties, t.w. meer dan ongeveer 14 E per week. Derhalve is wsl. Sprake van onderrapportage van het normale gebruik. Voorts is een matig verantwoordelijkheidsgevoel t.t.v. de aanhouding. Dat lijkt nu wel op orde. Ondanks het feit dat betr. zeker niet overkomt als iemand die met regelmaat te veel alcohol gebruikt ging hij er wel onverantwoordelijk mee om en zette hij zijn rijbewijs op het spel. […]

Lab.onderzoek: leverfuncties verhoogd en duidelijk oplopende CDT% sinds het 1e onderzoek. Deze verhogingen kunnen vrijwel alleen worden veroorzaakt door het gebruik van alcohol boven sociale hoeveelheden. […]

Er is sprake van een aanwijzing voor afhankelijkheid van alcohol volgens de criteria van de DSM-IV-TR.

Er is geen sprake van misbruik van alcohol volgens de criteria van de DSM-IV-TR.

Er is wel sprake van alcoholmisbruik op grond van alle bovenstaande belastende gegevens. […]

Betr. voegt 6 E bier toe aan zijn alcoholintake op de avond van de aanhouding. Bij het 1e onderzoek stelde hij 8 E bier en 2 shots te hebben gedronken, en dat benadrukt hij nog eens een keer in een mail aan Dr. Derks. Bij het huidige onderzoek komen er ineens 4 vaasjes (6 E) bier bij. Deze toevoeging kan een reactie zijn op de "onderrapportage" in het vorige rapport, net als de opmerking over de sterkte van de shots. (Echter, er staat nergens in het 1e rapport dat sprake is van onderrapportage van de alcoholintake t.t.v. de aanhouding. Bovendien zou het promillage veel hoger zijn bij 16 E bier.) […]

Commentaar op het eerste onderzoek

Er had nadrukkelijker gevraagd kunnen worden naar het alcoholpercentage van de shots. Verder lijkt het zo dat de aannames over onderrapportage van het normale gebruik toch wat hard worden aangenomen, echter als betr. dan voor het 2e onderzoek, wat hij zelf aanvraagt, met gemak beduidend meer drinkt, zoals tot uiting komt in de lab.uitslagen, kan niet anders gesteld worden dan dat deze aannames in het 1e onderzoek juist bevestigd worden."

Besluitvorming

3.    Het CBR heeft de rapporten van Derks en Hazewinkel aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Volgens het CBR blijkt uit deze rapporten dat [appellant] niet geschikt is om te rijden.

Beroep

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich heeft mogen baseren op de rapporten van Derks en Hazewinkel. Volgens haar is niet gebleken dat de rapporten naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen, inhoudelijk tegenstrijdig zijn of anderszins niet voldoende concludent zijn.

Hoger beroep

5.    In hoger beroep komt [appellant] op tegen dit oordeel. Volgens [appellant] mocht het CBR zijn rijbewijs niet ongeldig verklaren op basis van de twee genoemde rapporten. [appellant] voert hiertoe aan dat uit de twee verrichte onderzoeken blijkt dat zijn %CDT-waarden binnen de geaccepteerde bandbreedte blijven. De bloedwaarden die zijn gemeten tijdens het tweede onderzoek zijn weliswaar verhoogd ten opzichte van het eerste onderzoek, maar dit kan het gevolg zijn van stress, meer roken en het gebruik van Antigrippine. Hiermee kunnen ook de verhoogde leverfuncties worden verklaard. Hazewinkel heeft deze alternatieve verklaringen weliswaar genoemd in zijn rapport, maar hij heeft niet gemotiveerd waarom hij het waarschijnlijker acht dat alcohol de oorzaak is van de verhoogde waarden. [appellant] wijst er verder op dat algemeen bekend is dat de methoden die zijn gebruikt om zijn leverfuncties te meten - gamma-Gt, ASAT en ALAT - een lage voorspellende waarde hebben en dat de waarden die tijdens het tweede onderzoek zijn gemeten zeer beperkt waren toegenomen ten opzichte van het eerste onderzoek. [appellant] wijst er verder op dat uit het bloedonderzoek dat hij op 12 september 2017 door zijn huisarts heeft laten verrichten blijkt dat de %CDT-waarde gelijk is gebleven, maar de leverwaarden aanzienlijk zijn verminderd en binnen de grenzen van het toelaatbare vallen. De beperkte verhoging van de leverwaarden moeten volgens [appellant] worden gezien als een momentopname en is onvoldoende om alcoholmisbruik in ruime zin aan te nemen. [appellant] wijst er ook op dat Hazewinkel in zijn rapport niet heeft verduidelijkt wat hij bedoelt met alcoholgebruik "boven sociale hoeveelheden". Het Nederlands Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie hanteert voor een volwassen man een wekelijkse inname van minder dan 21 glazen alcohol per week als norm. Het alcoholgebruik van [appellant] zit daar ver onder. Het rapport van Hazewinkel is verder intern tegenstrijdig, omdat hij enerzijds stelt dat [appellant] een hogere dan normale alcoholinname ontkent, maar anderzijds stelt dat [appellant] zijn alcoholgebruik niet bagatelliseert en dat [appellant] een goed besef heeft van de gevaren van alcohol in het verkeer. Hazewinkel heeft daarbij geen deugdelijk onderzoek gedaan naar het werkelijke alcoholgebruik van [appellant]. [appellant] wijst er ten slotte op dat Derks haar conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin niet goed heeft onderbouwd. Zij leidt uit het gegeven dat [appellant] door heeft gedronken tot een toxisch promillage af dat [appellant] een zekere tolerantie voor alcohol heeft en dat hij daarom wel meer moet drinken dan hij heeft verklaard. Hazewinkel onderschrijft dat Derks te gemakkelijk tot de conclusie is gekomen dat sprake is van onderrapportage. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

5.1.    Derks heeft zich in haar rapport op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat [appellant] in staat was door te drinken tot een toxisch alcoholpromillage aannemelijk maakt dat sprake is van een zekere tolerantie en dat hieruit kan worden afgeleid dat [appellant] de periode voorafgaand aan zijn aanhouding bovenmatig veel alcohol gebruikte. Derks stelt verder dat er een discrepantie bestaat tussen de beschreven tolerantie en de algemene alcoholanamnese. Als [appellant] zoveel zou drinken als hij had opgegeven, zou hij waarschijnlijk niet zo tolerant zijn voor alcohol. Onderrapportage is volgens Derks waarschijnlijker. Derks heeft uit deze omstandigheden tezamen afgeleid dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. De Afdeling acht de redenering van Derks inzichtelijk en de conclusie die Derks trekt niet onbegrijpelijk. Dat Hazewinkel zich in zijn rapport op het standpunt stelt dat de aannames over onderrapportage van het normale gebruik "toch wat hard worden aangenomen" maakt niet dat de bevindingen van Derks onjuist zijn. In dit verband merkt de Afdeling op dat Hazewinkel de bevindingen van Derks onderschrijft en dat het CBR ook het rapport van Hazewinkel aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het rapport van Derks kan dan ook niet leiden tot het door hem daarmee beoogde doel.

5.2.    Datzelfde geldt voor hetgeen hij heeft aangevoerd tegen het rapport van Hazewinkel. [appellant] heeft een bloedonderzoek, verricht door zijn huisarts, overgelegd waaruit blijkt dat de %CDT-waarde 2,1 is. Volgens [appellant] is dit dezelfde waarde als die door Hazewinkel is gemeten. Dit is onjuist. Het CBR heeft er terecht op gewezen dat de huisarts een andere methode heeft gebruikt, de CE-methode, en dat de uitkomsten van deze methode anders moeten worden geduid. Dat betekent dat hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd hem niet kan baten. Dat de leverwaarden bijna een jaar nadat Hazewinkel zijn onderzoek heeft verricht zijn gedaald, maakt niet dat het rapport van Hazewinkel ondeugdelijk is. Hazewinkel heeft geconstateerd dat de waarden waren gestegen en deze stijging kan, volgens hem "vrijwel alleen worden veroorzaakt door het gebruik van alcohol boven sociale hoeveelheden". Hoewel Hazewinkel niet preciseert wat "alcohol boven sociale hoeveelheden zijn", ligt het voor de hand dat Hazewinkel hiermee heeft bedoeld duidelijk te maken dat [appellant] bovenmatig veel alcohol gebruikt, hetgeen in lijn is met zijn conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. Hazewinkel gaat in zijn rapport verder in op de alternatieve verklaringen voor verhoogde leverwaarden, meer roken en het gebruik van Antigrippine. Volgens Hazewinkel kunnen de verhoogde leverwaarden hierdoor niet worden veroorzaakt. [appellant] heeft dit ongemotiveerd bestreden, terwijl het aan hem was aannemelijk te maken dat het waarschijnlijk is dat een andere oorzaak dan alcoholgebruik de oorzaak is van hogere waarden. Dat een cumulatie van stress, meer roken en het gebruik van Antigrippine tot hogere waarden kan leiden heeft [appellant] niet onderbouwd met een deskundigenrapport. Hazewinkel baseert zijn diagnose verder niet alleen op de - op dat moment, in vergelijking met het onderzoek van Derks - toegenomen bloed- en leverwaarden, maar ook op de verklaringen die [appellant] over zijn alcoholgebruik heeft afgelegd. Gelet op deze gerapporteerde verklaringen, de door Hazewinkel gemeten waarden en het gemeten alcoholgehalte ten tijde van de aanhouding, acht de Afdeling de door Hazewinkel vastgestelde diagnose alcoholmisbruik niet onbegrijpelijk.

5.3.    Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het CBR de rapporten van Derks en Hazewinkel aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Dijkshoorn

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

735.