Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
201901933/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:253, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen, voor zover thans van belang, de bewoning van een bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Vaassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901933/1/A1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Vaassen, gemeente Epe,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2019 in zaak nr. 18/4220 in het geding tussen:

[verzoeker] en [appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen, voor zover thans van belang, de bewoning van een bijgebouw op het perceel [locatie 1] te Vaassen.

Bij besluit van 11 november 2016 heeft het college het door [verzoeker] en [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] en [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2016 vernietigd, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bewoning van het bijgebouw en het college opdragen om in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het college het door [verzoeker] en [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2019 heeft de rechtbank het door [verzoeker] en [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2019, waar [appellante], vergezeld door [verzoeker], bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, en het college, vertegenwoordigd door W.M. van der Burgt, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord [partij A], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Deventer.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont op het perceel [locatie 2], gelegen naast het perceel [locatie 1], waar [partij A] en [partij B] wonen. [appellante] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de bewoning van het bijgebouw bij de woning van [partij A] en [partij B].

    Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat volgens hem de bewoning van het bijgebouw onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe" valt.

    [appellante] is het niet eens met de afwijzing van haar handhavingsverzoek en is daartegen opgekomen.

Relevante regelgeving

2.    Artikel 49.2 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Epe" luidt:

"a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 49.2 onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan."

    Artikel 46.2.1 van de voorschriften van het voorheen geldende, op 23 juni 2005 vastgestelde en op 4 juni 2009 herziene, bestemmingsplan "Buitengebied", luidt:

"Het gebruik van de gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan en dat strijdig is met het plan mag worden voortgezet."

    Artikel 46.2.2 luidt:

"Het bepaalde in 46.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan."

    Artikel 46.2.3 luidt:

"Het is verboden het met het plan strijdige gebruik te wijzigen, tenzij de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot."

    Artikel 3.1 van de voorschriften van de op 20 september 1984 vastgestelde herziening van het bestemmingsplan "Agrarisch gebied" luidt:

"1. Het is verboden om grond en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming, en met de daarbij in deze voorschriften gegeven gebruiks- en aanlegbepalingen. Onder strijdig gebruik wordt mede begrepen de aanleg van andere werken en het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van een gebruik dat strijdig is met de bestemming en waarin niet middels een aanlegbepaling is voorzien. 2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht, danwel deze wijziging een vermindering van de strijdigheid met het plan inhoudt.

[…]."

Beoordeling van het hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de bewoning van het bijgebouw onder het overgangsrecht valt. Zij voert daartoe aan dat weliswaar sinds de peildatum in het bijgebouw wordt gewoond, maar dat het bijgebouw pas sinds 2014 als zelfstandige woning in gebruik is. Voor 2014 werd het bijgebouw gebruikt als een onzelfstandige extra verblijfsruimte bij het hoofdgebouw op het perceel. Van een zelfstandige woning met eigen voorzieningen was volgens haar geen sprake. Sinds 2014 is het bijgebouw een volledig ingerichte woning die als een zelfstandige woning wordt verhuurd.

3.1.    Niet in geschil is dat de bewoning van het bijgebouw in strijd is met het geldende bestemmingsplan en de daarvóór geldende bestemmingsplannen. In deze procedure is alleen in geschil of de bewoning van het bijgebouw onder het overgangsrecht van die bestemmingsplannen valt. De voor het overgangsrecht relevante peildatum is de datum van inwerkingtreding van het in 1984 herziene bestemmingsplan "Agrarisch gebied". Niet in geschil is dat op de peildatum in het bijgebouw werd gewoond. Het is evenwel ingevolge de verschillende overgangsrechtelijke bepalingen verboden om het gebruik te wijzigen in die zin dat, samengevat weergegeven de strijdigheid met de desbetreffende plannen wordt vergroot.

3.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bijgebouw sinds de peildatum onafgebroken wordt bewoond. Het heeft in dit verband verwezen naar een uittreksel uit de Basisregistratie personen en elf getuigenverklaringen. Het heeft verder verwezen naar een kopie van een leveringsakte van 30 december 1991, waaruit blijkt dat [partij A] en [partij B] het perceel hebben gekocht en met de verkopers (de ouders van [partij A]) hebben afgesproken dat de verkopers voor een periode van vijf jaar in de woning zouden kunnen blijven wonen en daarna per 1 januari 1997 in het bijgebouw zouden gaan wonen, en naar een kopie uit het trouwboekje van de huidige eigenaren waaruit de relatie tussen hen en de bewoning blijkt. Het college heeft tot slot verwezen naar huurovereenkomsten met de huidige en voorgaande bewoners van het bijgebouw en naar foto's van de binnenkant van het bijgebouw uit de periode dat [partij A] en [partij B] in het bijgebouw woonden.

3.3.    Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college met de door hem overgelegde foto's en de verklaringen ter zitting aannemelijk gemaakt dat het bijgebouw sinds de peildatum als een zelfstandige woning met de benodigde woonvoorzieningen in gebruik was. Niet is gebleken dat de bewoners van het bijgebouw voor 2014 gebruik moesten maken van de voorzieningen in de hoofdwoning. Dat voor 2014 in het bijgebouw meestal alleen familieleden van de bewoners van de hoofdwoning woonden, betekent niet dat het bijgebouw niet als een zelfstandige woning kon worden aangemerkt. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw op de peildatum werd bewoond, dat dit gebruik daarna nagenoeg onderbroken, dat wil zeggen zonder voor het overgangsrecht relevante onderbreking, is voortgezet en dat dit gebruik na de peildatum niet zodanig is gewijzigd dat het gebruik van het bijgebouw voor bewoning niet langer onder het overgangsrecht valt.

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019

473.