Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3519

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
201901313/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het verruimen van een poel en het aanleggen van paden op het perceel [locatie] te Oss.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901313/1/A1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 januari 2019 in zaak nr. 18/771 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het verruimen van een poel en het aanleggen van paden op het perceel [locatie] te Oss.

Bij besluit van 19 februari 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, samen met het hoger beroep in zaak nr. 201901312/1/A1, ter zitting behandeld op 8 oktober 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.L. van Geel, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.A.M. de Wit, zijn verschenen. Aan de zijde van [appellant] is tevens verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar en bewoner van het perceel. Hij woont in een bedrijfswoning, behorend bij zijn bedrijf, dat ook op het perceel gevestigd is. Op het gedeelte van het perceel, direct ten westen van de woning heeft [appellant] een tuin aangelegd. In de tuin ligt een vijver (hierna: waterpartij), met daar omheen een pad, en er is beplanting aangebracht. In de tuin staan twee bijgebouwen, namelijk een prieel en een schuur.

2.    Volgens het college gebruikt [appellant] de gronden in strijd met de bestemming als tuin. Het college heeft daarom op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) handhavend opgetreden. [appellant] heeft vervolgens een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de vergroting van de waterpartij en de aanleg van de paden te legaliseren.

Het college heeft geweigerd om op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen. [appellant] is het daar niet mee eens en is tegen de weigering opgekomen.

Relevante regelgeving

3.    De relevante bepalingen van de Wabo en het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2010" zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de waterpartij in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert daartoe aan dat de waterpartij past binnen de agrarische bestemming. Volgens [appellant] is de waterpartij een voorziening, waarin hemelwater wordt opgevangen en waaruit dieren kunnen drinken. Tevens is er sprake van een overgang tussen water en land met een natuurlijke uitstraling en is de waterpartij niet voorzien van folie waardoor het hemelwater de grond in kan trekken.

4.1.    Op de gronden rust een agrarische bestemming. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder h, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Oss 2010" zijn de als "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor onder meer herstel, ontwikkeling en instandhouding van water en waterpartijen.

4.2.    De waterpartij op het perceel is voorzien van een rand om te voorkomen dat grond in het water zakt. Om de waterpartij loopt een pad en er is beplanting aangebracht. Naast de waterpartij staat een prieel. Het gedeelte van het perceel waar de waterpartij ligt, is ingericht en wordt gebruikt als tuin, hetgeen ook niet in geschil is. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de waterpartij door zijn aankleding en uitstraling alsmede door de inrichting en het gebruik van het perceel eruit ziet als een vijver in een tuin. De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de waterpartij in strijd is met de agrarische bestemming die op het perceel rust en dat voor de vergroting daarvan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid op grond van artikel 30.3 van de planregels heeft kunnen weigeren een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo te verlenen.

Hij voert daartoe aan dat de door het college gemaakte belangenafweging gebrekkig is geweest. Volgens [appellant] is het college er ten onrechte van uitgegaan dat het perceel in dekzandgebied ligt en niet in komgebied, heeft het miskend dat de waterpartij niet in strijd is met de agrarische bestemming en dat deze geen afbreuk doet aan de waarden die het plan beoogt te beschermen. De waterpartij heeft een grote ecologische waarde die behouden moet blijven, aldus [appellant].

5.1.    Niet in geschil is dat voor het vergroten van de waterpartij op het perceel een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is vereist. In geschil is of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren die vergunning te verlenen.

5.2.    Het college heeft in het besluit van 18 juli 2017, zoals bij het besluit op bezwaar in stand gelaten, de aanvraag getoetst aan artikel 30.3 onder a en b, van de planregels. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat met de waterpartij een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of de functies die het plan beoogt te beschermen. Volgens het college is het perceel gelegen in het open komgebied van Oss. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. De openheid maakt dit gebied landschappelijk waardevol. Een waterpartij op zich tast die openheid niet aan. Overstromingen hebben, aldus het college, het gebied mede vormgegeven en de aanwezigheid van water is daarom niet vreemd. Het moet wel gaan om een natuurlijk ogende waterpartij. De aanwezige en aangevraagde waterpartij is geen natuurlijk ogende waterpartij. Met name de randen komen te kunstmatig over, aldus het college. Het college wijst er in dit verband op dat het agrarisch gebeid zich kenmerkt door akkers en weilanden. Dit maakt en definieert het buitengebied. Het komgebied als onderdeel van het gehele buitengebied kenmerkt zich juist door openheid. In het komgebied is vrijwel uitsluitend sprake van agrarisch gebied, al het andere is daaraan ondergeschikt, aldus het college. Dat is de kracht en waarde van het komgebied. In een bebouwingslint als de Brandstraat is het daarom van wezenlijk belang dat tussen de huizen en bedrijven die openheid van het agrarisch gebied beleefd en ervaren wordt. De waterpartij zal de openheid niet aantasten, maar de gevraagde waterpartij zal eerder worden ervaren als een vijver tussen twee woningen dan als agrarisch gebied. In het een bebouwingslint door het buitengebied is het de bedoeling dat het agrarische karakter zich tussen de bebouwing duidelijk manifesteert. Met de aangevraagde omvang en ligging van de waterpartij met wandelpad wordt die waarde teveel aangetast, aldus het college.

5.3.    Bij de toetsing aan artikel 30.3 is mede van belang hoe het gebied waarin het perceel is gelegen, wordt geduid. Artikel 30.1 van de planregels verwijst in dit verband naar onder meer de kaart 'Landschappelijke zonering', die als bijlage 8 bij het bestemmingsplan is gevoegd. Op de kaart staan de verschillende gebiedsaanduidingen weergegeven.

5.4.    Gelet op de kaart in bijlage 8 bij het bestemmingsplan, die ook ter zitting is getoond, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat het perceel ligt in het komgebied van Oss. Dat, zoals [appellant] aanvoert, het gebied waarin het perceel ligt in de Nota landschapsbeleid en in het ontwerp-bestemmingsplan als dekzandrandgebied wordt aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" en de daarbij behorende bijlage 8 vormen immers het toetsingskader bij de vraag of de omgevingsvergunning kan worden verleend. De Afdeling gaat er daarom, anders dan de rechtbank, van uit dat het perceel in komgebied is gelegen.

De Afdeling is voorts van oordeel dat het college bij de beoordeling van de vraag of het vergroten van de waterpartij onevenredige afbreuk doet aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, van belang heeft kunnen achten dat het komgebied een agrarisch karakter heeft. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de waterpartij door zijn vormgeving, omvang en ligging niet past in dat agrarische gebied. Dat de waterpartij, naar [appellant] aanvoert, een ecologische functie heeft, doet aan het feit dat de waterpartij niet past in het agrarische gebied, niet af.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het agrarische karakter van het landschap onevenredige afbreuk wordt gedaan en dat het in redelijkheid heeft kunnen weigeren de omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college op grond van artikel 30.3, onder a, van de planregels had moeten onderzoeken of voorwaarden aan de vergunning hadden kunnen worden verbonden. Het college heeft dit nagelaten, aldus [appellant].

6.1.    Ter zitting is gebleken dat [appellant] van het college wil horen hoe de waterpartij eruit moet zien om daarvoor een omgevingsvergunning te verkrijgen. Op deze situatie ziet artikel 30.3, onder a, van de planregels evenwel niet. Het betoog kan daarom ook niet leiden tot het ermee beoogde doel.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2019

473.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…],

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

[…].

Buitengebied Oss 2010

Artikel 3.1

"De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor:

a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;

b. het wonen, uitsluitend in de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen

en aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie;

h. (voorzieningen ten behoeve van) waterkering en waterhuishouding

alsmede herstel, ontwikkeling en instandhouding van water en

waterpartijen; i. erf- en randbeplantingen;

[…];

met bijbehorende voorzieningen."

Artikel 30.1

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders op en/of in de hierna genoemde gronden de werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die in de onderstaande tabel zijn aangeduid met een X (aanlegvergunningplichtig).

Artikel 30.3

a. Een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 30.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of de werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende kan worden tegemoetgekomen.

b. Bij de afweging als bedoeld als onder a. wordt in ieder geval betrokken de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende bestemming en/of zone.

[…].