Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201900018/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2018 heeft de raad van de gemeente Stede Broec het bestemmingsplan "De Zwaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900018/1/R1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Grootebroek, gemeente Stede Broec (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

en

de raad van de gemeente Stede Broec,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "De Zwaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2019, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.M. Schaper en M. Kok, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, gehoord.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in de ontwikkeling van één dubbele woning en drie vrijstaande woningen op de locatie Zesstedenweg 203 te Grootebroek. [appellant], omwonende, kan zich niet met dit plan verenigen. Hij vreest voor een onaanvaardbare aantasting van zijn uitzicht en privacy door de vrijstaande woning die het dichtst bij zijn woning is voorzien, op kavel 5. Ter zitting is gebleken dat het beroep zich alleen richt tegen het plandeel dat betrekking heeft op deze meest zuidelijke bouwkavel.

Formele beroepsgronden

2.    [appellant] voert aan dat de communicatie met de gemeente en [belanghebbende] verre van optimaal is geweest. [appellant] stelt dat voor het ontwerpplan alleen een inloopuur is gepland, maar geen hoorzitting. Daarnaast stelt [appellant] dat hij geen bericht heeft gehad nadat hij zijn zienswijze heeft ingediend en hij de antwoorden op zijn zienswijze pas na vaststelling van het plan heeft gekregen. [appellant] stelt verder dat er onduidelijkheid is geweest over de gehele procedure en dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Hiertoe voert hij aan dat niet alle aspecten van zijn zienswijze in het raadsvoorstel zijn opgenomen, omdat de leden van de raad de zienswijze niet zelf hebben gelezen en de raad onvolledig is voorgelicht door het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec. Daarnaast is het verweer niet namens de raad ingediend, aldus [appellant].

2.1.    De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Wet ruimtelijke ordening, noch enig ander wettelijk voorschrift, verplicht ertoe dat de raad indieners van zienswijzen reeds voorafgaand aan de vaststelling van het plan in kennis stelt over de conceptbeantwoording van hun zienswijzen. Evenmin bestaat er een wettelijke verplichting belanghebbenden mondeling te horen voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp. [appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht en heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij niet alle punten naar voren heeft kunnen brengen op grond waarvan hij zich niet met het plan kan verenigen. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken bij de raad. Voor zover [appellant] betoogt dat het verweer niet namens de raad is ingediend, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Dit kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Peil

3.    [appellant] betoogt dat het onduidelijk is hoe het peil wordt vastgesteld en dat derhalve niet duidelijk is hoeveel meter de gronden van kavel 5 zullen worden opgehoogd, waar het peil van kavel 5 komt te liggen en hoe de bouwhoogte van de woning op kavel 5 zal worden gemeten. De planregel betreffende het peil is onduidelijk en leidt zo tot rechtsonzekerheid, aldus [appellant]. [appellant] stelt dat het terrein aan de voorkant van de woningen zal worden gelijkgetrokken met de weg en dat het voor de rest van het terrein onduidelijk is hoe hoog de gronden komen te liggen. [appellant] wijst erop dat de gronden van kavel 5 richting de sloot twee meter naar beneden aflopen naar het slootpeil.

3.1.    De raad betoogt dat het bestemmingsplan op dit punt duidelijk is. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de hoofdtoegang van de voorziene woning onmiddellijk grenst aan een langzaam verkeersroute. Zodoende is volgens de raad duidelijk dat van art 1, lid 1.33 van de planregels, waarin de definitie van ‘peil’ is gegeven, de eerste bepaling van toepassing is.

3.2.    Artikel 1, lid 1.33, van de planregels geeft een definitie van het begrip peil:

"Peil:

- Voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan een weg of langzaam verkeersroute: de hoogte van die weg, respectievelijk langzaam verkeersroute, ter plaatse van de hoofdtoegang;

- In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; tenzij in de regels anders is bepaald;"

3.3.    De Afdeling overweegt dat de regeling voor het bepalen van het peil zoals is neergelegd in de planregels van het bestemmingsplan geen ongebruikelijke regeling is. Ook is niet onduidelijk hoe het peil moet worden berekend. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan terzake van het aan te houden peil ter bepaling van de goot- en bouwhoogte van de voorziene woning leidt tot rechtsonzekerheid.

Het betoog faalt.

Bouwhoogte

4.    [appellant] betoogt dat de raad op kavel 5 ten onrechte heeft voorzien in een maximum bouwhoogte van 9 m.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de maximale bouwhoogte van 9 m in lijn is met die van andere percelen in de omgeving, waaronder die aan de Raadhuislaan.

4.2.    Op de verbeelding is aan kavel 5 de bestemming "Wonen" en een bouwvlak met een maximum bouwhoogte van 9 m toegekend. De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant] een maximum bouwhoogte heeft van 8 m. De woning van de buren heeft een maximum bouwhoogte van 9 m. De gebouwen naast het plangebied hebben een maximum bouwhoogte van 14 m. Een maximum bouwhoogte van 9 m is gebruikelijk in de omgeving, ook wanneer rekening wordt gehouden met een zekere ophoging van de gronden bij toepassing van de definitie van peil in artikel 1 lid 1.33. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een maximum bouwhoogte van 9 m.

Het betoog faalt.

Privacy en uitzicht

5.    [appellant] betoogt dat de voorziene woning, in samenhang met een verhoging van het peil, leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn uitzicht en privacy, onder meer vanwege inkijk vanuit de nieuwe woning. Daarnaast stelt [appellant] dat de voorziene woning schuinachter zijn huis komt te liggen, en hij vanuit zijn tuin uitkijkt op de woning.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat door de 20 m afstand tussen de woning van [appellant] en de zijgevel van de voorziene woning, en de waterloop met een breedte van 7 m ertussen, [appellant] geen hinder zal ondervinden van het hoogteverschil aan de achterzijde van de voorziene woning op kavel 5. Binnen de bebouwde kom is de genoemde afstand zelfs zeer groot, aldus de raad. Voorts betoogt de raad dat van een schending van privacy geen sprake kan zijn.

5.2.    Gelet op de afstand van ongeveer 20 m, de aanwezigheid van de waterloop tussen de voorziene woning op kavel 5 en de woning van [appellant] en de omstandigheid dat de aan de voorziene woning toegekende bouwhoogte gebruikelijk is in de omgeving, ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene woning leidt tot een ernstige aantasting van het uitzicht en de privacy van [appellant]. Hierbij betrekt de Afdeling dat geen recht bestaat op een onaangetast uitzicht en dat voorts in een verstedelijkte omgeving een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is.

Het betoog faalt.

Garage

6.    [appellant] stelt dat de raad in het plan had moeten voorzien in een garage aan de zuidzijde in plaats van aan de noordzijde van de woning op kavel 5. [appellant] wijst op de Nota van zienswijzen waarin de raad heeft toegezegd de in het ontwerpplan voorziene woning op kavel 3 met een maximum bouwhoogte van 9 m te ruilen met de in het ontwerpplan voorziene woning op kavel 5 met een maximum bouwhoogte van 10 m, waardoor naast het perceel van [appellant] een lagere woning wordt gerealiseerd. [appellant] stelt dat deze toezegging niet alleen ziet op de in het plan vastgelegde maximum bouwhoogte, maar ook op de garage die volgens hem in het ontwerpplan op kavel 3 is voorzien aan de zuidzijde van de woning en op kavel 5 aan de noordzijde van de woning.

6.1.    De raad stelt dat in reactie op de zienswijze de afspraak met de ontwikkelaar is gemaakt om de voorziene woning op bouwkavel 3, met een maximale bouwhoogte van 9 m, om te ruilen met de voorziene woning op bouwkavel 5, met een maximale bouwhoogte van 10 m. De raad stelt dat aan deze afspraak geen vertrouwen kan zijn ontleend dat de garage eveneens zou worden geruild. Voorts betoogt de raad dat de situering van de garage buiten dit bestemmingsplan wordt geregeld, omdat het bestemmingsplan enkel de ruimtelijke kaders geeft en de uiteindelijke invulling hiervan pas bij een omgevingsvergunning aan bod komt.

6.2.    De Afdeling stelt vast dat de garage, een bijbehorend bouwwerk, ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, onder a, van de planregels uitsluitend in het achtererfgebied mag worden gebouwd. De locatie van een eventuele garage is, anders dan [appellant] veronderstelt, niet in het vastgestelde plan vastgelegd. De afbeelding uit de plantoelichting met de beoogde inrichting van de gronden waar [appellant] op wijst, waarop de garage aan de noordzijde van de woning op kavel 5 is voorzien, is niet bindend. De raad heeft, zoals toegezegd, de maximum bouwhoogte van de voorziene woning op kavel 5 verlaagd van 10 m naar 9 m. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen onder 4 en 5 is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, als er een garage wordt gerealiseerd op kavel 5, deze alleen aan de zuidzijde aanvaardbaar had mogen achten voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorziene woning. Ook vanuit het oogpunt van het vertrouwensbeginsel ziet de Afdeling voor dit oordeel geen aanleiding.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wat betreft de door [appellant] gevraagde vergoeding van gemaakte kosten in de zienswijzeprocedure overweegt de Afdeling dat deze niet op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Van Loo

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019

418-931.