Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201806245/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2984, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2017 heeft de raad een verzoek van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806245/1/A2.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Katwijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2018 in zaak nr. 18/253 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2017 heeft de raad een verzoek van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2019, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 1 mei 2017 heeft [appellante] de raad verzocht om een Toevoeging Asiel. Op dezelfde dag heeft ook haar echtgenoot de raad verzocht om een Toevoeging Asiel.

2.    De raad heeft het verzoek van de echtgenoot toegewezen en aan hem een toevoeging met [kenmerk] verstrekt. Het verzoek van [appellante] heeft de raad afgewezen. Volgens de raad vallen de werkzaamheden in de asielzaak van [appellante] onder het bereik van de aan haar echtgenoot verleende toevoeging en hebben zij hetzelfde rechtsbelang.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

    [appellante] kan zich met dit oordeel niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.

Relevante regelgeving

3.    Artikel 28, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) luidt als volgt:

"Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

[…]

b. betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging;

[…]."

    Artikel 32 luidt als volgt:

"De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen."

    In de werkinstructie "Bereik" is in hoofdstuk 2 (bereik bestuursrechtelijke zaken), onder paragraaf 2.3 (Asiel- en vreemdelingenzaken) vermeld: "Per verknocht verband wordt één toevoeging verstrekt. Tot een verknocht verband rekenen we bijvoorbeeld een gezin bestaande uit: moeder, vader en minderjarige kinderen. (…)"

    In de werkinstructie "V060 A.A.-procedure" is vermeld onder het kopje ‘Meegereisden: afzonderlijk asielmotief’: "Je kunt op een gemotiveerd verzoek een afzonderlijke toevoeging voor advies c.q. procedure verstrekken voor een meerderjarig meegereisde als deze een afzonderlijk asielmotief heeft. (…)"

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank bij de vraag of sprake is van een afzonderlijk rechtsbelang enerzijds overweegt dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van de vraag of de asielverhalen van haar en haar echtgenoot voldoende van elkaar verschillen en anderzijds of het beoogde eindresultaat van de rechtsbijstand voor hen beiden hetzelfde was. Hiermee hanteert de rechtbank twee verschillende criteria voor de vraag of sprake is van een afzonderlijk rechtsbelang, waardoor een onduidelijkheid wordt geschapen die de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling en de rechtsbescherming schaadt. Bovendien heeft de rechtbank haar oordeel dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellante].

    Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar vluchtrelaas onvoldoende verschilt van dat van haar echtgenoot. De rechtbank heeft daarmee miskend dat aan haar echtgenoot een verblijfsvergunning is verleend die afhankelijk is van die van haar. Dit betekent dat het vluchtrelaas van haar echtgenoot onvoldoende is geacht voor een verblijfsvergunning, terwijl haar op basis van haar vluchtrelaas wel een verblijfsvergunning is verleend, aldus [appellante].

4.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld in de uitspraak van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9241) volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang gelezen, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen moeten worden verstrekt. Als sprake is van één rechtsbelang kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel van één procedure waarin sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

    Zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, biedt artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb de raad de bevoegdheid om een toevoeging te weigeren, indien voor hetzelfde rechtsbelang binnen een verknocht verband reeds een toevoeging is verleend. Dit is anders indien de leden binnen dat verknochte verband een afzonderlijk motief hebben om asiel aan te vragen, zo volgt uit de hiervoor onder 3 aangehaalde werkinstructie "V060 A.A.-procedure".

    Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft getoetst of [appellante] en haar echtgenoot hetzelfde rechtsbelang hadden en zo ja, of zij een afzonderlijk motief hadden om dat rechtsbelang te bereiken.

    In zoverre faalt het betoog.

4.2.    [appellante] en haar echtgenoot hebben beiden een aanvraag verblijfsvergunning asiel ingediend. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat [appellante] en haar echtgenoot hetzelfde rechtsbelang hadden. Dat, naar [appellante] heeft gesteld, van een afzonderlijk rechtsbelang sprake was omdat haar verzoek afzonderlijk van dat van haar echtgenoot is behandeld en de uitkomst van beide asielprocedures anders was, nu haar echtgenoot een van haar verblijfsvergunning afgeleide verblijfsvergunning heeft gekregen in plaats van een zelfstandige, heeft bij de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel geleid. Voor de vraag of [appellante] en haar echtgenoot hetzelfde rechtsbelang hadden is de uitkomst van de procedures niet van belang, maar gaat het erom wat zij met die procedures wilden bereiken. De afzonderlijke behandeling van beide aanvragen leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van verschillende rechtsbelangen. Voor zover de rechtsbijstandverlener als gevolg van die afzonderlijke behandeling extra werkzaamheden ten behoeve van [appellante] moet verrichten, vallen die werkzaamheden onder het bereik van de aan haar echtgenoot verleende toevoeging. Daarbij komt dat voor zover de afzonderlijke procedures tot aanzienlijk meer werkzaamheden leiden, de rechtsbijstandverlener een aanvraag om extra te vergoeden uren rechtsbijstand kan indienen, mits aan de daarvoor gestelde vereisten in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 is voldaan. Vergelijk voormelde uitspraak van 23 januari 2013.

    Ook in zoverre slaagt het betoog niet.

4.3.    Nu [appellante] en haar echtgenoot hetzelfde rechtsbelang hadden en zij, gelet op de hiervoor in de werkinstructie "Bereik" gegeven omschrijving, tot een verknocht verband moeten worden gerekend, was de raad bevoegd de door [appellante] aangevraagde toevoeging te weigeren, tenzij zij en haar echtgenoot een ander motief hadden om asiel aan te vragen. Uit de vluchtrelazen van [appellante] en haar echtgenoot volgt dat zij beiden uit Iran zijn gevlucht vanwege gebeurtenissen bij een bevriend echtpaar thuis en dat zij niet terug kunnen omdat zij zich hebben bekeerd tot het christelijk geloof. Uit het vluchtrelaas van [appellante] blijkt voorts dat zij niet terug kan naar Iran omdat zij biseksueel is en in Iran een relatie met een vrouw heeft gehad.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat beide vluchtverhalen in grote mate samenhangen en dat [appellante] en haar echtgenoot om dezelfde redenen uit Iran zijn gevlucht en in Nederland asiel hebben gevraagd. Dat [appellante] nog een extra reden had om asiel aan te vragen, betekent niet dat haar motief voor het aanvragen van asiel daarmee anders is geworden dan dat van haar echtgenoot. Anders dan [appellante] stelt is de omstandigheid dat deze extra reden tot een andere uitkomst heeft geleid in de asielprocedure ook niet relevant voor de vraag of een toevoeging had moeten worden verstrekt. Op het tijdstip dat een toevoeging wordt aangevraagd is de uitkomst van de procedure immers nog niet bekend.

    Ook in zoverre slaagt het betoog niet.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

752.