Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201901175/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10671, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor 2014 opnieuw berekend en bepaald dat dat voorschot nihil blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901175/1/A2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2018 in zaak nr. 17/5904 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor 2014 opnieuw berekend en bepaald dat dat voorschot nihil blijft.

Bij besluit van 23 augustus 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en haar verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] over 2014 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend. Bij besluit van 4 november 2016 heeft de dienst dat voorschot opnieuw berekend en bepaald dat dat voorschot nihil blijft. Hiertegen heeft [appellante] bezwaar gemaakt bij brief van 14 februari 2017, ontvangen door de Belastingdienst/Toeslagen op 16 februari 2017. De dienst heeft bij brief van 24 juli 2017 aan [appellante] medegedeeld dat zij dat bezwaar na de bezwaartermijn heeft ingediend en haar in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom zij te laat bezwaar heeft gemaakt. [appellante] heeft naar voren gebracht dat haar vorige gemachtigde al bij brief van 16 november 2016 en dus tijdig bezwaar heeft gemaakt. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is dat niet het geval, omdat het bezwaar van 16 november 2016 niet is gericht tegen het besluit van 4 november 2016. Een reden voor het te laat indienen van het bezwaar van 14 februari 2017 heeft [appellante] niet gegeven. Daarom heeft de dienst dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft [appellante] beroep ingesteld.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van 16 november 2016 niet moet worden opgevat als bezwaar gericht tegen het besluit van 4 november 2016. Het bezwaarschrift is namelijk - voor zover het betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag 2014 - gericht tegen de invorderingsmaatregelen. Dit leidt de rechtbank af uit de volgende zin: ‘Namens en ten behoeve van mijn cliënte, mevrouw [naam appellante], maak ik bezwaar tegen de invorderingsmaatregelen inzake de - betwiste - onderliggende beschikkingen kinderopvangtoeslag over 2008, 2012, 2013 en 2014 en die thans gewoon nog doorgang vinden.’ Daarnaast leidt de rechtbank dit af uit het feit dat in het bezwaarschrift is vermeld dat het onderwerp ‘Bezwaar Invordering [appellante]’ is. Bovendien bevat het bezwaarschrift geen gegevens die specifiek zien op het besluit van 4 november 2016, zoals de datum van dat besluit of het bijbehorende beschikkingsnummer. Daarbij merkt de rechtbank op dat het enkele vermelden van het kenmerk van de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende is, omdat dit kenmerk het burgerservicenummer van [appellante] bevat en elk beschikkingsnummer daarmee begint. Uit het voorgaande volgt dat de door [appellante] genoemde redenen geen omstandigheden zijn die leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Evenmin is er reden om aan te nemen dat [appellante] eerder en tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit.

3.     Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, heeft kunnen afzien van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar op juiste gronden kennelijk niet-ontvankelijk is geacht. Vervolgens heeft zij het beroep ongegrond verklaard en het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen.

Wettelijk kader

4.    Artikel 6:7 van de Awb luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

    Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

    Artikel 6:9 luidt:

"1 Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2 Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen."

    Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

    Artikel 7:3 luidt:

"Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

[…]."

    Artikel 35 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen luidde ten tijde van belang als volgt:

"In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan op de dag na die van dagtekening van de beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking."

Hoger beroep en beoordeling ervan

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van 16 november 2016 niet moet worden opgevat als bezwaar gericht tegen het besluit van 4 november 2016. [appellante] voert aan dat in het bezwaarschrift nadrukkelijk bezwaar wordt gemaakt tegen de

" - betwiste - onderliggende beschikkingen voor de kinderopvangtoeslag 2008, 2012, 2013 en 2014". Ter zitting heeft [appellante] het woord "betwiste" benadrukt en gesteld dat daaruit voortvloeit dat het bezwaar althans mede is gericht tegen de onderliggende beschikkingen. Daarnaast was het voor haar niet mogelijk om de onderliggende beschikkingen uit het digitaal systeem van de Belastingdienst/Toeslagen te downloaden en uit te printen, door een storing in dat systeem. De rechtbank heeft een onjuiste interpretatie gegeven aan de inhoud van het bezwaarschrift van 16 november 2016. Er is niet alleen bezwaar gemaakt, maar ook een verzoek tot opschorting van de invorderingen, aanpassing van de verrekeningen en toepassing van de beslagvrije voet ingediend. Gelet op het voorgaande is het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2016 tijdig ingediend.  

5.1.    Het onderwerp van het bezwaarschrift van 16 november 2016 is "Bezwaar Invordering [appellante]". Daarnaast staat in dat bezwaarschrift het volgende: "Namens en ten behoeve van mijn cliënte, mevrouw [appellante], maak ik bezwaar tegen de invorderingsmaatregelen inzake de - betwiste - onderliggende beschikkingen kinderopvangtoeslag 2008, 2012, 2013 en 2014 en die thans gewoon nog doorgang vinden. Ik meen dat dit in strijd is met de Leidraad Invordering en met de beginselen van behoorlijk bestuur." Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt uit het voorgaande dat het bezwaar is gericht tegen de invorderingsmaatregelen. Het gebruik van het woord "betwiste" duidt op een feitelijke constatering en leidt er, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, niet toe dat het bezwaarschrift van 16 november 2016 zo moet worden gelezen dat bezwaar wordt gemaakt tegen de beschikkingen over de kinderopvangtoeslag 2008, 2012, 2013 en 2014. Dat [appellante] de onderliggende beschikkingen niet heeft kunnen downloaden en printen, laat verder onverlet dat zij in het bezwaarschrift had kunnen vermelden dat bezwaar wordt gemaakt tegen de voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag over 2014. Dat heeft zij niet gedaan. Bovendien was de inhoud van het bezwaarschrift niet veranderd als [appellante] de beschikkingen wél had kunnen uitprinten en als bijlagen had gevoegd bij het bezwaarschrift. Het gaat er om of uit de inhoud van de brief van 16 november 2016 ondubbelzinnig blijkt dat en waarom bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 4 november 2016. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt dat niet uit bedoelde brief. Van een onjuiste interpretatie van de inhoud van het bezwaarschrift van 16 november 2016 door de rechtbank is geen sprake. Zij heeft terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dat bezwaarschrift niet moet worden opgevat als bezwaar gericht tegen het besluit van 4 november 2016.

    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft kunnen afzien van het horen in bezwaar. Zij voert aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat zij diverse stukken heeft overgelegd en nadere toelichtingen heeft gegeven, die samen met het horen tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. Ook was het mogelijk geweest om aanvullende informatie over te leggen. De beslissing om niet te horen geeft geen blijk van een evenwichtige en redelijke belangenafweging en geeft blijk van vooringenomenheid. De Belastingdienst/Toeslagen heeft volgens [appellante] gehandeld in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3637, onder 4.1) mag van het horen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Nu het bezwaarschrift van 16 november 2016 niet is gericht tegen het besluit van 4 november 2016, de laatste dag van de bezwaartermijn 16 december 2016 was, het bezwaarschrift van 14 februari 2017 dus buiten de bezwaartermijn is ingediend en [appellante] na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen reden heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding, mocht de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Verder heeft de dienst, nog daargelaten of artikel 6 van het EVRM van toepassing is in de bezwaarfase, [appellante] niet de toegang tot de rechter ontnomen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de dienst van het horen in bezwaar heeft kunnen afzien.

    Het betoog faalt.

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank haar verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft financiële schade ondervonden. Nu de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden, moet haar alsnog de verzochte schadevergoeding worden toegekend.

7.1.    [appellante] had in beroep verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen als het beroep gegrond zou worden verklaard. Gelet op wat onder 5.1 en 6.1 is overwogen, heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard. Daarom bestaat geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen en [appellante] alsnog schadevergoeding toe te kennen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Helder    w.g. Sanchit-Premchand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019

691.