Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201900657/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2018 heeft het college het verzoek van [appellante] tot inschrijving in de Basisregistratie personen op het adres [locatie] in Aalst afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2019/2062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900657/1/A3.

Datum uitspraak: 16 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], woonplaats kiezend te ‘s-Hertogenbosch,

appellante,   

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2018 in zaak nr. 18/3477 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2018 heeft het college het verzoek van [appellante] tot inschrijving in de Basisregistratie personen op het adres [locatie] in Aalst afgewezen.

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.C. de Vries en Y.C.H. Sele, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Naar aanleiding van een onherroepelijk handhavingsbesluit is de woonboot van [appellante] die lag aangemeerd op het adres [locatie] in Aalst op 20 juni 2015 met toepassing van bestuursdwang verwijderd. [appellante] is vervolgens bij besluit van 2 maart 2016 ambtshalve uitgeschreven als ingezetene uit de Basisregistratie personen (hierna: brp) wegens vertrek uit Nederland. De ligplaats en het adres [locatie] zijn op 23 maart 2016 verwijderd uit de Basisregistratie adressen en gebouwen (hierna: Bag).

    Het college heeft van [appellante] op 2 januari 2018 een aangifte van vestiging ontvangen waarin zij heeft verzocht om met terugwerkende kracht vanaf 15 december 2015 te worden ingeschreven op het adres [locatie], waar zij een andere boot heeft aangelegd. Het college heeft besloten om geen gevolg te geven aan deze aangifte van verblijf.

    Het college heeft zich onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften op het volgende standpunt gesteld. Uit artikel 2:20, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna:

Wet brp) volgt dat het college niet is gehouden onjuiste gegevens in de basisregistratie personen op te nemen. Het college heeft overwogen dat het adres [locatie] niet is opgenomen in de Bag en dus in beginsel op dit adres geen inschrijving kan plaatsvinden. Nu het niet aannemelijk is geworden dat [appellante] feitelijk op de boot op het adres [locatie] woont in de zin van artikel 1.1, onder o, van de Wet brp, ziet het college geen aanleiding [locatie] als adres aan te melden bij de Bag en kan zij niet op dit adres worden ingeschreven, aldus het college.

Wettelijk kader

2.    Artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet brp

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

het woonadres:

1˚het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

2˚ het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.

Artikel 2:20, eerste lid, van de Wet brp

Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Artikel 2.60, aanhef en onder a, Van de Wet brp

Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;

wordt gelijk gesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoger beroep

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat zij feitelijk niet woonachtig is op het adres [locatie] te Aalst. [appellante] voert daartoe aan dat uit het geheel aan waarneembare omstandigheden blijkt dat zij in de voor de beslissing relevante periode woonachtig was op dat adres.   

    De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld, dat de feiten dat zij op het adres een boot heeft liggen, zij door anderen op deze boot is gezien, er bij de boot een brievenbus staat en dat er tussen [appellante] en de Watersportvereniging het Esmeer een huurovereenkomst bestaat, niet aantonen dat [appellante] ook feitelijk op dit adres woont in de zin van artikel 1.1, onder o, van de Wet brp. Eveneens heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij ook met de overgelegde foto’s en brieven niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van de aangifte en daarna feitelijk woonachtig was op het adres [locatie]. De foto’s wijzen er op dat zij daar woonachtig was en de brieven en facturen zijn objectieve bewijzen van feitelijke aard. De rechtbank heeft miskend dat de overgelegde stukken wel degelijk wijzen op elektraverbruik. Volgens [appellante] heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk woonachtig was op het adres [locatie]. 

    [appellante] voert ten slotte aan dat het onderzoek dat is uitgevoerd niet mocht worden uitbesteed aan Bureau Legitiem. De onderzoeksresultaten moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, waarvan het gebruik ontoelaatbaar moet worden geacht. Het college had de onderzoeksresultaten niet aan het besluit van 17 mei 2018 ten grondslag mogen leggen, aldus [appellante].

Woont [appellante] op de boot?

4.    Uit artikel 1.1, onder o, van de Wet brp volgt dat het woonadres het adres is waar de betrokkene woont. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat het adres waar betrokkene woont, mede omvat het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig met een vaste stand- of ligplaats bevindt. Of er sprake is van wonen als bedoeld in de bepaling zal moeten blijken uit een geheel van waarneembare omstandigheden (Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, blz. 115). De plaats waar betrokkene ’s nachts pleegt te slapen zal hierbij een grote betekenis kunnen hebben.

    Ingevolge artikel 4.2 van de Wet brp wijst het college ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger. De medewerkers van Bureau Legitiem die het onderzoek hebben uitgevoerd naar het adres [locatie] zijn benoemd tot onbezoldigd ambtenaar. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college het onderzoek naar eventuele bewoning door [appellante] op de boot op het adres [locatie] mogen uitbesteden aan Bureau Legitiem en de informatie die uit het onderzoek naar voren is gekomen mogen gebruiken.

    In de rapporten, opgesteld naar aanleiding van het onderzoek, is het volgende vermeld. De toezichthouders van de gemeente hebben de boot bezocht op 8, 9, 18 en 26 januari 2018 en op 10 april 2018. Tijdens deze bezoeken hebben de toezichthouders [appellante] niet aangetroffen. Daarnaast is zoals de rechtbank heeft overwogen geconstateerd dat de boot van [appellante] niet meer aan de aanlegsteiger lag, maar was losgeslagen en op 26 januari 2018 hebben de toezichthouders waargenomen dat de boot onder water was gelopen. Overigens hebben de toezichthouders ook na het besluit op bezwaar van 17 mei 2018, op 22 mei 2018 en op 13 en 17 augustus 2018, de boot bezocht en [appellante] niet aangetroffen. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het college voldoende onderzoek verricht.

    Weliswaar heeft [appellante] verklaringen overgelegd waarin staat dat zij daar wel woont en heeft zij foto’s overgelegd, maar hiermee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bestendig verblijf met overnachtingen, zoals genoemd in artikel 1.1, onder o, van de Wet brp. Ook met de foto’s en video die zij ter zitting heeft getoond heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van belang sprake was van een dergelijk bestendig verblijf. Hierbij is van belang dat [appellante] ter zitting heeft toegelicht dat zij meerdere verblijfplaatsen had. Dat verschillende instanties brieven naar het adres hebben gestuurd betekent niet dat [appellante] daar ook feitelijk woonde. Instanties gaan uit van het door [appellante] opgegeven adres of van het laatst bekende adres in de Brp. De enkele stelling dat sprake is van een woonadres, dat wil zeggen een adres waar [appellante] in de relevante periode gedurende drie maanden tenminste twee derde van de tijd overnachtte, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [appellante] daadwerkelijk op de boot op het adres [locatie] woonachtig was.

Conclusie

5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat nu het adres [locatie] niet in de Bag is opgenomen en niet aannemelijk is geworden dat [appellante] feitelijk op dat voormalige adres woonde, het college op goede gronden heeft kunnen besluiten [appellante] niet in te schrijven op dat adres in de Brp.

6.    Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door [appellante] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank slaagt. Omdat het hoger beroep van [appellante] ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en komt het incidenteel hoger beroep van het college te vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt niet toegekomen.

7.    Het hoger beroep van [appellante] is ongegrond. Het door het college ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Borman    w.g. Neuwahl

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019

280-893.