Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201809535/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college de locatie [locatie] te Zaanstad aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse container huishoudelijk restafval (hierna: OAC).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809535/1/A1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college de locatie [locatie] te Zaanstad aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse container huishoudelijk restafval (hierna: OAC).

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2019, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], zijn verschenen. Ook  is ter zitting het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer en S.M. Baerents, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het besluit van 16 oktober 2018 heeft het college de locatie Maurice [locatie] aangewezen als locatie voor het plaatsen van een OAC. In een eerder stadium, voorafgaand aan de procedure, was een OAC voorzien op de locatie Maurice Ravèlstraat tussen de nummers 86 en 88. Naar aanleiding van reacties door buurtbewoners op een inloopavond  op deze locatie heeft het college zich op het standpunt gesteld dat OAC’s niet in een dichtbebouwde omgeving moeten worden geplaatst, maar meer bij aan- en afvoerwegen van de wijk. Dit gewijzigde standpunt heeft onder meer geleid tot het ontwerpbesluit van 12 juni 2018 waarin het college de locatie Maurice [locatie] heeft aangewezen als locatie voor het plaatsen van een OAC. [appellant] en anderen hebben zienswijzen ingediend tegen dit ontwerpbesluit en op 18 juli 2018 hebben zij op een inloopbijeenkomst alternatieve locaties aangedragen voor het plaatsen van de OAC. De door [appellant] en anderen tegen het ontwerp-aanwijzingsbesluit ingediende zienswijzen hebben niet geleid tot wijziging van de aangewezen locatie. De locatie bevindt zich op korte afstand van het Natura 2000-gebied "Polder Westzaan (Guisveld)".

[appellant] en anderen hebben bezwaar tegen de locatie omdat zij vrezen dat het gebruik van de OAC geluidoverlast voor mensen en dieren zal veroorzaken en zwerfafval en extra verkeer aantrekt, hetgeen nadelig is voor het nabijgelegen natuurgebied "Polder Westzaan (Guisveld)". Ook vinden zij dat het college het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid.

Voorbereiding van het besluit

2.    [appellant] en anderen betogen dat het college het besluit van 16 oktober 2018 niet zorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe voeren zij aan dat zij tijdens de inloopbijeenkomst op 18 juli 2018 bezwaren hebben ingediend tegen de voorgenomen aan te wijzen locatie en het college daarop niet schriftelijk heeft gereageerd. Verder is het college volgens hen de op 18 juli 2018 gemaakte afspraak niet nagekomen dat alternatieve locaties voor het plaatsen van de OAC aan andere buurtbewoners zullen worden voorgelegd. Voorts stellen zij in hun rechtsbeschermingsmogelijkheden te zijn aangetast doordat zij van het college pas op 16 oktober 2018 een schriftelijke reactie hebben ontvangen op hun ingebrachte zienswijzen en dat het besluit tot aanwijzing van de locatie van de OAC de dag erna bekend is gemaakt, waardoor er geen tijd meer was om bezwaar te maken tegen het besluit.

2.1.    Het college heeft het besluit voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dat betekent, in dit geval en voor zover hier van belang, dat belanghebbenden tegen het ontwerp van het besluit schriftelijk of mondeling zienswijzen kunnen indienen en dat het college het besluit bekend dient te maken door kennisgeving van het besluit of de zakelijke inhoud daarvan in een huis-aan-huisblad. Artikel 3:43 van de Awb verplicht het college tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na bekendmaking van het besluit mededeling van het besluit te doen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit zienswijzen hebben ingebracht. Belanghebbenden kunnen vervolgens beroep instellen bij de bestuursrechter.

[appellant] en anderen hebben tegen het op 12 juni 2018 bekendgemaakte ontwerpbesluit tot aanwijzing van de locatie Maurice [locatie] als locatie voor het plaatsen van een OAC op onderscheidenlijk 22 juni, 5 en 12 juli 2018 zienswijzen ingediend. Op 18 juli 2018 heeft een inloopbijeenkomst plaatsgevonden waarbij het college de gemaakte keuzes voor het plaatsen van de OAC’s in de wijk heeft toegelicht en waarbij de door [appellant] ingebrachte zienswijzen mondeling zijn doorgenomen. Daarbij heeft [appellant] enkele alternatieve locaties voor het plaatsen van een OAC aan het college voorgelegd. Het college heeft bij e-mails van 25 en 30 juli en 29 augustus 2018 gereageerd op de voorgestelde alternatieve locaties en gemotiveerd aangegeven dat deze niet geschikt zijn voor het plaatsen van een OAC. De Benjamin Brittenstraat 103-105 is niet geschikt voor het plaatsen van een OAC vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen en de locaties ter hoogte van De Stee en de Benjamin Brittenstraat 137-139 bevinden zich te dicht bij een andere OAC, waardoor de loopafstand voor sommige bewoners te groot wordt, aldus het college. Het pleintje tussen de Igor Strawinskystraat en de Maurice Ravèlstraat is volgens het college niet geschikt als locatie omdat de vuilniswagen dit plein niet veilig kan benaderen omdat de locatie alleen achteruit kan worden aangereden en worden verlaten. De hoek van de Igor Strawinskystraat, naast huisnummer 55, is volgens het college in principe geschikt, maar niet beter geschikt dan de locatie Maurice [locatie] omdat de locatie verder weg ligt voor de meeste bewoners van de wijk en niet bij een gebruikelijke uitgaande route voor de meeste bewoners van de wijk. Het voorstel van [appellant] om andere OAC’s in de wijk te verplaatsen zodat de locaties ter hoogte van De Stee en de Benjamin Brittenstraat 137-139 wel een geschikt alternatief zullen zijn omdat dan de loopafstanden evenwichtiger worden verdeeld over de wijk, is door het college afgewezen omdat het niet alle OAC’S in de wijk wil herverdelen.

Het college heeft vervolgens op 17 oktober 2018 in het "Zaans Stadsblad" bekend gemaakt dat het een definitief aanwijsbesluit heeft genomen. Het college heeft dit besluit bij brief van 16 oktober 2018 aan de indieners van de zienswijzen toegezonden. Daarnaast heeft het college in aparte brieven van 15 oktober 2018 een reactie gegeven op de ingediende zienswijzen.

2.2.    Niet valt in te zien dat [appellant] en anderen door de handelwijze van het college in hun rechtsbeschermingsmogelijkheden zijn geschaad. Anders dan [appellant] en anderen kennelijk veronderstellen, bestaat er geen aparte beroepsmogelijkheid tegen de brieven van het college van 15 oktober 2018. Zij kunnen beroep instellen tegen het aanwijzingsbesluit en daarin aanvoeren dat zij het niet eens zijn met de reactie van het college op hun zienswijzen, hetgeen zij ook hebben gedaan. Verder heeft het college schriftelijk en gemotiveerd gereageerd op de tijdens de inloopbijeenkomst van 18 juli 2018 door [appellant] naar voren gebrachte alternatieve locaties voor het plaatsen van een OAC. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het van oordeel was dat het voorleggen van de alternatieve locaties aan andere buurtbewoners niet zinvol was omdat het college zelf de alternatieven niet geschikt achtte en dat het met de reacties per e-mail in juli en augustus 2018 de op de inloopbijeenkomst gemaakte afspraak met [appellant] is nagekomen. De Afdeling acht deze handelswijze van het college niet onzorgvuldig. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat het college ten onrechte niet gemotiveerd gereageerd heeft op het door [appellant] bij de inloopbijeenkomst gestelde dat de locatie Maurice [locatie] evenmin geschikt is voor het plaatsen van een OAC op grond van dezelfde redenen als waarom het college de locatie die eerder was voorzien op de locatie Maurice Ravèlstraat tussen de huisnummers 86 en 88, ongeschikt heeft geacht, wordt overwogen dat deze gevallen niet gelijk zijn. Zoals het college ook ter zitting heeft toegelicht, bevond de eerdere locatie bij de huisnummers 86 en 88 zich bij een T-splitsing in de wijk, hetgeen bij de aangewezen locatie niet het geval is. Deze laatste locatie ligt aan de rand van de wijk.

Nu verder niet is gesteld of gebleken dat [appellant] op de inloopbijeenkomst andere bezwaren naar voren heeft gebracht dan de in het beroepschrift aangegeven bezwaren, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 16 oktober 2018 niet zorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

Geschiktheid van de locatie

3.    [appellant] en anderen betogen voorts dat het college de locatie Maurice [locatie] niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van een OAC. Zij voeren daartoe aan dat het gebruik van de OAC overlast zal veroorzaken bij het op 15 meter afstand gelegen natuurgebied "Polder Westzaan (Guisveld)". Zij vrezen dat door het geluid afkomstig van het openen en het sluiten van de stortkoker en het legen van de OAC de rust van de dieren en de bewoners overdag en ’s nachts zal worden verstoord. Verder zal volgens hen het aantal verkeersbewegingen toenemen doordat mensen met de auto hun afval komen brengen en door de vrachtwagen die de OAC zal legen, hetgeen ook geluidoverlast zal veroorzaken. Ook vrezen zij dat buiten de OAC geplaatst afval meeuwen en ratten zal aantrekken, wat nadelig is voor de beschermde diersoorten in de Polder Westzaan, en dat zwerfafval het natuurgebied zal inwaaien.

3.1.    Bij de keuze voor een locatie voor OAC’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college al dan niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij wordt allereerst beoordeeld of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een OAC. Als dat zo is, wordt vervolgens beoordeeld of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

3.2.    De door [appellant] en anderen aangevoerde beroepsgronden geven geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de locatie Maurice [locatie] heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van een OAC. Het college heeft toegelicht dat de ervaring leert dat, omdat de container alleen met een afvalpas kan worden geopend, er weinig tot geen overlast door afvaldumpingen zal zijn. Het college heeft deze stelling onderbouwd door het overleggen van een rapportage met daarin de resultaten van 120 steekproeven in de gehele wijk in de periode van januari tot en met juni 2019, waarbij 3 maal een plaatsing van afval naast de OAC is geconstateerd. Ook zit er een automatisch storingssysteem in de container zodat in geval van storing of een volle container de Huisvuilcentrale, de vuilnisophaaldienst, direct actie kan ondernemen, aldus het college. Verder is de OAC voorzien van een zwerfvuilklepje, bedoeld om klein vuil in te deponeren. Gelet op deze toelichting heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eventuele hinder als gevolg van zwerfafval binnen aanvaardbare grenzen zal blijven. Het onjuist aanbieden van afval is verder een kwestie van handhaving.

Het college stelt zich verder op het standpunt dat verkeersaantrekkende werking vanwege het gebruik van de OAC niet te verwachten is. Doordat groente-, fruit- en tuinafval, papier, plastic, blik en pakken aan huis worden opgehaald en textiel en glas naar verzamelcontainers moet worden gebracht, zal de overgebleven fractie restafval klein zijn, aldus het college. De frequentie waarin het afval zal worden aangeboden is volgens het college daarom minder dan dagelijks en bovendien is de verwachting dat bewoners dit afval verspreid over de dag en te voet zullen wegbrengen. Daarbij komt dat de ervaring leert dat afval zelden ’s nachts wordt weggebracht, aldus het college. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de Huisvuilcentrale de OAC alleen zal legen indien deze vol is en dat in de aanvangfase het restafval maximaal 2 keer per week zal worden opgehaald en dat de verwachting is dat deze frequentie zal afnemen doordat bewoners het afval beter gaan scheiden. Volgens het college zal er verder doordat gebruik wordt gemaakt van een rolsysteem in plaats van een klep als opening van de OAC en door de aanwezigheid van rubberen dempers in het rolsysteem geen geluidhinder ontstaan bij het gebruik van de OAC.

De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen mogelijk enige hinder van het gebruik van de OAC zullen ondervinden. Gelet op de toelichting van het college heeft het college zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare geluidhinder zal voordoen, ook niet nu de OAC gepland is in de nabijheid van hun woningen. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat vanwege de wijziging in de wijze waarop afval wordt ingezameld er niet meer vrachtwagenbewegingen zullen zijn dan in de vorige situatie waarbij wekelijks en per huishouden huisvuilcontainers door een vuilniswagen werden geleegd.

Het betoog faalt.

Conclusie en slotoverwegingen

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019

414.