Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201900578/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] voor het jaar 2017 herzien naar € 4.829,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900578/1/A2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 november 2018 in zaak nr. 18/1105 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] voor het jaar 2017 herzien naar € 4.829,00.

Bij besluit van 17 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 27 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2019, waar [appellante], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] en haar ex-partner hebben samen twee kinderen die ten tijde van belang minderjarig waren. Bij het besluit van 9 februari 2018, gehandhaafd bij het besluit van 17 mei 2018, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget van [appellante] voor het jaar 2017 herzien naar € 4.829,00. De dienst heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit gegevens van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) blijkt dat [appellante] vanaf 28 april 2017 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor haar [zoon], omdat hij vanaf die datum zijn feitelijke hoofdverblijf bij de ex-partner van [appellante] heeft.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht vanaf 1 mei 2017 geen kindgebonden budget aan [appellante] heeft toegekend voor haar [zoon]. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) en vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1856), volgt dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderbijslag. De SVB is het bevoegde bestuursorgaan om vast te stellen of recht op kinderbijslag bestaat en de Belastingdienst/Toeslagen is niet bevoegd om af te wijken van de door de SVB verstrekte gegevens. Mocht blijken dat [appellante] voor [zoon] over de betrokken periode toch recht heeft op kinderbijslag, dan dient de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op kindgebonden budget opnieuw te beoordelen, aldus de rechtbank.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen bij het afgaan op de door de SVB verstrekte gegevens niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dit geldt te meer omdat [appellante] heeft aangevoerd dat haar [zoon] tot 24 juni 2018 feitelijk onder haar hoede was en ook feitelijk zijn hoofdverblijf bij haar had.

3.1.    Artikel 3:5, eerste lid, van de Awb luidt:

"In deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan."

    Artikel 3:9 van de Awb luidt:

"Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden."

3.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de van toepassing zijnde bepalingen voortvloeit dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderbijslag en dat de SVB het bevoegde orgaan is om vast te stellen of recht op kinderbijslag bestaat. Dat dat gevolg is verbonden aan de vaststelling van de SVB maakt, anders dan [appellante] veronderstelt, niet dat de SVB optreedt als adviseur van de Belastingdienst/Toeslagen als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Awb. Derhalve is artikel 3:9 van die wet niet van toepassing. Het betoog dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met dit artikel heeft gehandeld, kan derhalve niet slagen.

4.    [appellante] betoogt voorts tevergeefs dat de overweging van de rechtbank dat indien mocht blijken dat [appellante] voor [zoon] over de betrokken periode toch recht heeft op kinderbijslag, de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op kindgebonden budget opnieuw dient te beoordelen, innerlijk tegenstrijdig is. Deze overweging behelst niet meer dan een weergave van de gevolgen van een eventuele herziening van het recht van [appellante] op kinderbijslag voor [zoon] naar aanleiding van de door haar tegen de beëindiging van de kinderbijslag gevoerde procedure en is derhalve niet innerlijk tegenstrijdig.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Drop    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019

809.