Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201906644/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Asselseweg II, partiële herziening buitengebied 2012".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/518
Milieurecht Totaal 2019/7040
JB 2019/196
JOM 2019/1000
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906644/1/R1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[appellant] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Kootwijk, gemeente Barneveld,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Asselseweg II, partiële herziening buitengebied 2012".

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.    Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    Het ontwerp van het bestemmingsplan "Asselseweg II, partiële herziening buitengebied 2012" heeft blijkens de kennisgeving met ingang van 21 december 2018 gedurende zes weken tot en met 31 januari 2019 ter inzage gelegen. De raad heeft nog niet beslist omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. De termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening, die eindigde op 24 april 2019, is derhalve overschreden.

3.    [appellant] heeft de raad bij brief van 14 mei 2019 meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan te nemen en gevraagd alsnog een besluit te nemen. Na het verstrijken van de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb heeft [appellant] bij brief van 3 juni 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Bij brief van 11 juli 2019 heeft [appellant] zijn beroep ingetrokken. Bij brief van de griffier van de Raad van State van 12 juli 2019 is de intrekking bevestigd en is [appellant] meegedeeld dat de behandeling van zaak nr. 201904392/1/R1 door de Afdeling daarmee is beëindigd, hetgeen betekent dat in deze zaak geen uitspraak wordt gedaan.

Vervolgens heeft [appellant] bij brief van 2 september 2019 wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. [appellant] verzoekt de raad op te dragen om overeenkomstig artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb binnen een door de Afdeling te bepalen termijn, die echter niet langer zal moeten zijn dan 12 weken, alsnog te besluiten omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Voorts verzoekt [appellant] om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb een dwangsom vast te stellen. [appellant] heeft alvorens dit nieuwe beroep in te stellen de raad niet opnieuw in gebreke gesteld.

4.    De raad heeft in zijn verweerschrift van 13 september 2019, onder verwijzing naar dat van 20 juni 2019 in de procedure met zaaknummer 201904392/1/R1, aangegeven dat partijen tijdens de vergadering van de raadscommissie Grondgebied van 27 juni 2019 hebben ingestemd met mediation. Daarop heeft de raad in zijn vergadering van 10 juli besloten om, in afwachting van de uitkomst van de mediation, de behandeling van het bestemmingsplan "Asselseweg II, partiële herziening buitengebied 2012" uit te stellen. In het kader van deze mediation hebben op 1 en 9 juli 2019 gesprekken plaatsgevonden, waarbij een intentieverklaring is opgesteld, waarmee ook [appellant] heeft ingestemd. Na meningsverschillen tussen [appellant] en de organisator van het paardensportevenement van 17 augustus 2019 zijn gesprekken van 22 en 30 juli 2019 niet doorgegaan, omdat [appellant] daaraan niet wilde deelnemen. In augustus 2019 heeft de mediator afzonderlijke gesprekken gevoerd met [appellant], de organisator van het paardensportevenement en de gemeente Barneveld. Hij heeft bij de partijen de bereidheid gevonden om de mediation voort te zetten op 17 september 2019. Tijdens de raadsvergadering van 9 oktober 2019 zal een besluit worden genomen over het al dan niet vaststellen van het bestemmingsplan of over het geven van ruimte voor een verdere invulling van de mediation. Gelet op deze korte termijnen en het bieden van een kans op mediation, komt de voorliggende procedure de raad overbodig voor.

5.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) beslist de raad van een gemeente binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, kan een tegen het niet tijdig nemen van een besluit gericht beroepschrift worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.

6.    De Afdeling overweegt als volgt. Gelet op de omstandigheid dat [appellant] zich na een gesprek in augustus 2019 bereid heeft verklaard op 17 september 2019 deel te nemen aan het gesprek met de mediator en daarmee de mediation voort te zetten, nadat hij bij brief van 11 juli 2019 zijn eerste beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan had ingetrokken, kon de raad de in gang gezette procedure als afgesloten beschouwen en behoefde hij, zonder een nieuwe ingebrekestelling, niet bedacht te zijn op een nieuw beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De hier spelende situatie onderscheidt zich van die, welke speelde in de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673, waar sprake was van het herhaald niet-tijdig nemen van een besluit door de raad na vernietiging door de Afdeling van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan en de opdracht aan de raad om uiterlijk op de door de Afdeling genoemde datum een nieuw besluit te nemen en dit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. In de daar aan de orde zijnde situatie oordeelde de Afdeling dat een tweede ingebrekestelling niet nodig is.

7.    De Afdeling is daarom van oordeel dat [appellant] zijn tweede beroep van 2 september 2019 niet kon instellen zonder de raad opnieuw in gebreke te stellen. [appellant] zal dus, alvorens wederom een beroepschrift in te kunnen dienen tegen het uitblijven van het besluit, moeten voldoen aan artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb.

8.    Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Klingers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2019

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

341-209.

 

BIJLAGE

 

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Titel 1.1. Definities en reikwijdte

Artikel 1:2

1.    Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep

Afdeling 6.1. Inleidende bepalingen

Artikel 6:2

Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

a.    ( …), en

b.    het niet tijdig nemen van een besluit.

Afdeling 6.2. Overige algemene bepalingen

Artikel 6:12

1.    Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2.    Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a.    het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b.    twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3.    Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4 Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

Afdeling 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling

Artikel 8:54

1 Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

2 In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.

Artikel 8:6

1.    Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.

Bijlage 2. : Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (artikelen 8:5, 8:6, 8:7, 8:105 en 8:106)

Hoofdstuk 2. Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikelen 8:4, tweede lid, en 8:6)

Artikel 2. Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wet ruimtelijke ordening:

a.    een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid

WET RUIMTELIJKE ORDENING

Hoofdstuk 3 Bestemmings- en inpassingsplannen

Afdeling 3.2 Bepalingen omtrent de procedure van het bestemmingsplan

Artikel 3.8

1.    Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:.

e.    de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.

3.    De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.

4.    In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door gedeputeerde staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van gedeputeerde staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat. In zodanig geval zenden burgemeester en wethouders na de vaststelling onverwijld langs elektronische weg het raadsbesluit aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat.

6 Indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister, onverminderd andere aan hen toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, eerste lid, onder a, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Artikel 4.2, tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, tweede tot en met vierde lid, zijn op deze aanwijzing niet van toepassing. De kennisgeving van het besluit tot aanwijzing geschiedt tevens langs elektronische weg. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister vermelden in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie onderscheidenlijk het Rijk beletten het betrokken provinciaal onderscheidenlijk nationaal belang met inzet van andere aan hen toekomende bevoegdheden te beschermen. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt alsdan met uitsluiting van dat onderdeel, samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door burgemeester en wethouders bekendgemaakt. De in het vierde lid genoemde termijn wordt hiertoe met een week verlengd. De termijn voor indiening van een beroepschrift tegen het aanwijzingsbesluit vangt aan met ingang van de dag na die waarop dit besluit ter inzage is gelegd. Zodra het aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel.

Artikel 3.9

1 Artikel 3.8 is niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen.

2 Tot een afwijzing als bedoeld in het eerste lid besluit de gemeenteraad zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.