Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201905991/1/R1 en 201905991/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Heerde het bestemmingsplan "Heerder Hof" vastgesteld. Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling met diverse woontypes, waaronder een appartementencomplex, op het oostelijke deel van het terrein van het voormalige verzorgingshuis Wendhorst. Het plangebied wordt begrensd door de Eperweg, de Zeis en de Haneweg. [verzoeker] woont in het appartementencomplex Heerderhaegen aan de [locatie] en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van de bouwhoogte van het voorziene appartementencomplex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905991/1/R1 en 201905991/2/R1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Heerde,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heerde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerder Hof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. Voorts heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 oktober 2019, waar [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door drs. T.J.G. Melenhorst, zijn verschenen. Voorts is ter zitting VanWonen Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: VanWonen), vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    Het plan voorziet in een woningbouwontwikkeling met diverse woontypes, waaronder een appartementencomplex, op het oostelijke deel van het terrein van het voormalige verzorgingshuis Wendhorst. Het plangebied wordt begrensd door de Eperweg, de Zeis en de Haneweg.

    [verzoeker] woont in het appartementencomplex Heerderhaegen aan de [locatie] en vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van de bouwhoogte van het voorziene appartementencomplex. Ter zitting is gebleken dat het beroep en het verzoek van [verzoeker] uitsluitend zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" in het noordwesten van het plangebied, de locatie van dit voorziene appartementencomplex.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De voorzieningenrechter stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Massastudie

4.     [verzoeker] betoogt dat de raad vanwege het ontbreken van een volledige massastudie onvolledig is geïnformeerd ten tijde van de vaststelling van het plan en hierdoor geen afgewogen oordeel kon geven.

Volgens [verzoeker] heeft de raad vooraf om een volledige massastudie verzocht, aangezien de verbeelding van het voorziene appartementencomplex daarin ontbrak. Het college van burgemeester en wethouders van Heerde heeft volgens hem toegezegd een volledige massastudie ter beschikking te stellen aan de raad, wat niet is gebeurd.

4.1.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat voorafgaand aan de raadsvergadering van 17 juni 2019 in de vergadering van de voorbereidende raadscommissie van 3 juni 2019 aan het college is gevraagd om een massastudie beschikbaar te stellen. Deze, door VanWonen reeds eerder vervaardigde, massastudie is door het college op 12 juni 2019 aan de raad toegezonden, zo blijkt uit de stukken. In deze massastudie is ook het voorziene appartementencomplex, zij het globaal, weergegeven. De raad heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat hij ten tijde van de vaststelling van het plan over deze massastudie beschikte en deze in zijn afweging heeft meegenomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en vastgesteld. De stelling van [verzoeker] ter zitting dat het appartementencomplex ten onrechte niet in detail is weergegeven, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat het appartementencomplex in de massastudie inzichtelijk is gemaakt en de raad deze bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Verder heeft VanWonen ter zitting verklaard dat in de massastudie voor het appartementencomplex is uitgegaan van een hogere bouwhoogte dan nu in het plan is voorzien.

    Het betoog faalt.

Verlies van uitzicht en verminderde lichtinval

5.    [verzoeker] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast als gevolg van de bouwhoogte van het appartementencomplex dat in het noordwesten van het plangebied is voorzien. Hiertoe voert hij aan dat het vrije uitzicht vanuit zijn woning over de bestaande laagbouw en de daarachter gelegen woningen wordt aangetast.

    Verder voert [verzoeker] aan dat het plan leidt tot een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval op zijn perceel. Hij wijst daarbij op de door hem in beeld gebrachte schaduwhinder door middel van een "tool" op internet.

5.1.    Op de verbeelding is aan de gronden waar het appartementencomplex is voorzien de bestemming "Wonen" toegekend.

    Artikel 6, lid 6.2.1, van de planregels luidt:

"Voor een hoofdgebouw gelden de volgende regels:

[…]

e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;

[…]"

5.2.    Uit artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder e, van de planregels en de verbeelding volgt dat er een maximale bouwhoogte geldt van 11 m. Niet is uitgesloten dat het voorziene appartementencomplex leidt tot vermindering van het uitzicht van [verzoeker]. Het voorheen geldende planologische regime maakte immers een lagere bouwhoogte mogelijk, zij het op een kortere afstand tot de woning van [verzoeker]. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht van [verzoeker] niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het appartementencomplex is gesitueerd in bebouwd gebied, op een afstand van 35 m van de woning van [verzoeker]. Verder betrekt de voorzieningenrechter hierbij dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht.

    Wat betreft het betoog over de verminderde lichtinval, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Niet is uitgesloten dat het voorziene appartementencomplex leidt tot minder lichtinval op het perceel van [verzoeker]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze verminderde lichtinval niet onaanvaardbaar is. Daarbij heeft de raad de afstand van 35 m van de woning van [verzoeker] tot het appartementencomplex in aanmerking mogen nemen. Ook heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat de oriëntatie van de woning van [verzoeker] zich niet primair richt op de locatie waar het appartementencomplex is voorzien, maar op de Eperweg. De stelling van [verzoeker] dat de lichtinval aan die zijde van zijn woning beperkter is en hij het meeste zonlicht aan de zijde van het appartementencomplex ontvangt, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat [verzoeker] aan de zijde van de Eperweg zijn zon- en lichtinval behoudt en het hier een bebouwde omgeving betreft. De verwijzing van [verzoeker] naar via een internettool in beeld gebrachte schaduwhinder, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt van belang geacht dat, zoals de raad ter zitting ook heeft toegelicht, niet duidelijk is welke gegevens zijn ingevoerd om tot de in beeld gebrachte schaduwhinder te komen en daarbij kennelijk gebruik is gemaakt van gegevens over reeds bestaande gebouwen.

    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het voorziene appartementencomplex leidt tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Gelet op voorgaande overwegingen is het beroep ongegrond. Het plan blijft daarom in stand. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Helder    w.g. Van Loo

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2019

418-877.