Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201907137/1/V1 en 201907137/2/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 5 juli 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907137/1/V1 en 201907137/2/V1.

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen], mede voor haar minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 september 2019 in zaken nrs. NL19.15659 en NL19.15661 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 5 juli 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 17 september 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Grigorjan, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daarnaast hebben de vreemdelingen bezwaar gemaakt tegen hun feitelijke overdracht en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

3.    Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat samenhangt met het bezwaar tegen de feitelijke overdracht is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 17 september 2019. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, bij uitsluiting bevoegd om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke overdracht geen bezwaar open.

    Het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar tegen de feitelijke overdracht en het bij de rechtbank ingediende verzoek worden aangemerkt als een aanvulling op het bij de voorzieningenrechter van de Afdeling ingediende verzoek.

4.    Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdelingen op 11 oktober 2019 worden overgedragen aan Italië.

5.    Gelet op wat hiervoor onder 1 is overwogen, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat niet van de rechtmatigheid van de overdracht en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd kan worden uitgegaan.

6.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2019

210.