Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
201808070/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder], handelend onder de naam [bedrijf], omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel) ten behoeve van een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op dat perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808070/1/A1.
Datum uitspraak: 9 oktober 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Lieveren, gemeente Noordenveld (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Lieveren, gemeente Noordenveld (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder], handelend onder de naam [bedrijf], omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te Lieveren (hierna: het perceel) ten behoeve van een klussen-, bestratings- en hoveniersbedrijf en stalling van caravans, en voor het bouwen van een muur op dat perceel.

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft het college het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, voor zover hier van belang, de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2015 vernietigd en het besluit van 8 juni 2015 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college, beslissend op een gewijzigde aanvraag van [vergunninghouder], opnieuw omgevingsvergunning verleend.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2952, heeft de Afdeling de hoger beroepen van het college en van [vergunninghouder] tegen de uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard en voorts, naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 14 februari 2017, het college opgedragen om het gebrek in dat besluit te herstellen.

Bij besluit van 12 februari 2018 heeft het college het besluit van 14 februari 2017 aangevuld.

Bij einduitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1447, heeft de Afdeling de besluiten van 14 februari 2017 en 12 februari 2018 vernietigd en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit op de aanvraag van [vergunninghouder] om omgevingsvergunning slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft het college, beslissend op een gewijzigde aanvraag van [vergunninghouder], opnieuw omgevingsvergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2019, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T. Pothast, en het college, vertegenwoordigd door C. Abma, vergezeld door W. Spreen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. vergunninghouder] heeft het voornemen om op het perceel een bedrijf te vestigen, dat op locatie bestratingswerkzaamheden, tuinonderhoud, tuinaanleg, verbouwingswerkzaamheden en woningonderhoud verricht en in eigen beheer geproduceerde tuinhuisjes levert. Daarbij zal onder meer een bestaande schuur worden gebruikt voor de stalling van caravans en zal een bestaande kapschuur worden gebruikt voor stalling en opslag van materieel. Verder zal een deel van deze kapschuur worden ingericht als werkplaats. Buiten is opslag van containers en afval voorzien, in verband waarmee een geluidsafschermende muur en een geluidsscherm zijn voorzien.

Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Kleine Kernen Noordenveld" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemming "Wonen-Boerderij" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". De vestiging van het beoogde bedrijf en het bouwen van de geluidsafschermende bouwwerken zijn niet in overeenstemming met de eerstgenoemde bestemming. Teneinde dit project mogelijk te maken heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Daartoe heeft het toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van die wet, gelezen in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Voorts heeft het college voor het bouwen van de muur en het geluidsscherm omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen op korte afstand van het perceel en kunnen zich niet met de omgevingsvergunning verenigen.

Ingetrokken beroepsgrond

2. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door mede een geluidsscherm te vergunnen, ingetrokken.

Gewijzigde aanvraag

3. [ appellant sub 2] betoogt dat de aanvraag en het daarbij behorende bedrijfsplan waarop het college thans heeft beslist zodanig vaak zijn gewijzigd, dat een stapeling van aanvragen is ontstaan. Volgens hem is daardoor de rechtszekerheid aangetast.

3.1. Het college heeft bij het bestreden besluit beslist op de aanvraag van 5 december 2016. Na de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2018, waarbij de eerdere beslissing op de aanvraag is vernietigd, heeft [vergunninghouder] zijn aanvraag gewijzigd door een gewijzigde situatietekening, een foto van het uiterlijk van het te realiseren geluidsscherm en een gewijzigd akoestisch rapport van ingenieursbureau Spreen van 5 juli 2018 (hierna: het akoestisch rapport) in te dienen.

Voor zover [appellant sub 2] zich in zijn betoog beroept op eerdere aanvragen van [vergunninghouder] van 23 maart 2015 en 30 mei 2015 en op een eerdere versie van het bedrijfsplan, is de Afdeling niet gebleken dat deze aanvragen een rol hebben gespeeld bij het nemen van het bestreden besluit. Verder stond het [vergunninghouder] vrij om zijn aanvraag na de uitspraak van de Afdeling te wijzigen op de hiervoor omschreven wijze. De aanvraag van 5 december 2016 en de daarbij behorende bijlagen zijn op zichzelf duidelijk en het college heeft in het bestreden besluit benoemd welke stukken deel uitmaken van dat besluit. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is genomen.

Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

4. [ appellant sub 1] betoogt dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen, omdat artikel 22.5.1 van de planregels van het bestemmingsplan daaraan in de weg staat. De planwetgever heeft in dat artikel welbewust bepaald dat aan huis verbonden werkactiviteiten slechts onder nader omschreven voorwaarden is toegestaan, waaronder de voorwaarde dat het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu mag opleveren, dan wel geen afbreuk mag doen aan het karakter van de omringende woonomgeving. Daarbij is specifiek bepaald dat niet met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken ten behoeve van bedrijven die vergunningplichtig of meldingplichtig zijn krachtens milieuwetgeving. Het bedrijf van [vergunninghouder] valt hier volgens [appellant sub 1] onder.

4.1. Het college heeft omgevingsvergunning verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid. De raad kan die bevoegdheid niet met planregels inperken, wat er ook zij van de vraag hoe artikel 22.5.1 van de planregels moet worden begrepen. Het college heeft in artikel 22.5.1 dan ook terecht geen belemmering gevonden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

Bouw muur en geluidsscherm

5. [ appellant sub 1] betoogt dat de muur en het geluidsscherm zoals in de aanvraag zijn voorzien zodanig ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd, dat deze een ruimtebeslag leggen op de tussenliggende ruimte. Deze ruimte zal worden benut voor de opslag van afval en voor het opstellen van containers. Dit maakt dat de muur en het geluidsscherm als één geheel moeten worden beschouwd en dat de tussenliggende ruimte tot de oppervlakte daarvan moet worden gerekend, zoals de Afdeling in de eerder genoemde uitspraak van 1 november 2017 ook heeft aangenomen ten aanzien van de eerder beoogde uitvoering van de muur met zijarmen. Omdat deze oppervlakte groter is dan 50 m2, konden de muur en het geluidsscherm niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van die wet, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Bor worden vergund, aldus [appellant sub 1].

5.1. Blijkens de aanvraag loopt het geluidsscherm parallel aan de muur en bevindt zich hiertussen een ruimte van 12 m lang. De muur en het geluidsscherm vormen aldus twee afzonderlijke bouwwerken die niet constructief met elkaar zijn verbonden. Dat de beide bouwwerken dienstig zijn aan het beoogde gebruik van de tussenliggende ruimte, maakt dat niet anders. De tussenliggende ruimte kan reeds daarom niet tot de oppervlakte van (een van) de bouwwerken worden gerekend. De situatie verschilt in dit opzicht van die in de uitspraak van 1 november 2017, waarin sprake was van een muur met zijarmen die maakte dat een ruimte ontstond die aan drie zijden door wanden van hetzelfde bouwwerk was omgeven.

De muur en het geluidsscherm zijn bouwwerken met een oppervlakte van niet meer dan 50 m2. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o van die wet, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, van bijlage II bij het Bor, bood het college een grondslag om deze te vergunnen.

Het betoog faalt.

Geluid

6. [ appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college een onjuiste beoordeling van het aspect geluid heeft gemaakt. Zij betogen dat er discrepanties bestaan tussen het bedrijfsplan en het akoestisch rapport, die beide deel uitmaken van de aanvraag en de verleende omgevingsvergunning. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat het akoestisch rapport uitgaat van het isoleren van de gevels en het dak van de kapschuur en een aan te brengen scheiding tussen de werkplaats en de opslagplaats in die kapschuur, terwijl dit niet blijkt uit het bedrijfsplan. Bovendien gaat het akoestisch rapport uit van één roldeur in de kapschuur, terwijl het bedrijfsplan uitgaat van twee roldeuren.

[appellant sub 2] voert aan dat in het akoestisch rapport niet is uitgegaan van de voorziene bedrijfsgroei als aangegeven in het bedrijfsplan. Verder gaat het akoestisch rapport ervan uit dat op het noordelijke en oostelijke deel van het perceel geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, terwijl deze gronden wel deel uitmaken van de aanvraag. Ook gaat het akoestisch rapport ervan uit dat de levering van fruitbomen uitsluitend vanaf een externe locatie plaatsvindt, terwijl dat niet uit de aanvraag blijkt, aldus [appellant sub 2]. Wat betreft de duur van de activiteiten voert [appellant sub 2] aan dat het akoestisch rapport uitgaat van werkzaamheden in de werkplaats gedurende acht uur en van het halen en/of brengen van één container per dag, terwijl het bedrijfsplan uitgaat van incidentele zaagwerkzaamheden en van het gemiddeld twee maal per maand halen en/of brengen van containers.

6.1. De Afdeling stelt voorop dat het college bij het nemen van een besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan mede dient te beoordelen welke gevolgen de gevraagde bedrijfsactiviteiten hebben voor het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Daartoe kan het college aansluiting zoeken bij de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en bij de richtafstanden die zijn opgenomen in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Indien de richtafstanden uit de VNG-brochure niet worden gehaald, kan het college aansluiting zoeken bij de in de VNG-brochure opgenomen streefwaarden voor geluid. Daarbij is relevant welke geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie valt te verwachten van de bedrijfsactiviteiten, al dan niet na het treffen van aanvullende maatregelen. Hiertoe heeft [vergunninghouder] het akoestisch rapport ingediend. Het akoestisch rapport heeft niet tot doel om een zekere maximale geluidbelasting aan te vragen die met verlening van de omgevingsvergunning wordt toegestaan. Verlening van de gevraagde omgevingsvergunning laat onverlet dat [vergunninghouder] bij de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten op het perceel de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit dient na te leven. Wel kan het akoestisch rapport, als onderdeel van de aanvraag, een nadere specificering van de voorgenomen activiteiten en maatregelen bevatten, en in die zin mede de grenzen van de omgevingsvergunning bepalen.

6.2. In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat met inachtneming van het effect van plaatsing van de muur en het geluidsscherm zal worden voldaan aan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit. De richtafstanden uit de VNG-brochure worden niet gehaald, maar wel wordt - eveneens met inachtneming van het effect van plaatsing van de muur en het geluidsscherm - voldaan aan de streefwaarden voor het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Verdere maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn volgens het akoestisch rapport niet mogelijk of financieel niet doelmatig. Het college heeft de conclusies uit het akoestisch rapport overgenomen.

6.3. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] menen, is niet vereist dat alle gegevens waarop de berekening van de geluidbelasting in het akoestisch rapport is gebaseerd, zijn neergelegd in het bedrijfsplan of in andere stukken die deel uitmaken van de aanvraag. Wel is van betekenis of zich geen verschillen voordoen tussen het akoestisch onderzoek en de overige stukken die deel uitmaken van de aanvraag, die erop duiden dat de representatieve bedrijfssituatie waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan zich niet verdraagt met de aangevraagde activiteiten. Van een dergelijke situatie is de Afdeling niet gebleken. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

6.4. In het akoestisch rapport staat dat de beplating van de gevels en het dak van de kapschuur geheel wordt vervangen door dubbelwandig staalprofiel met PUR/PIR-isolatie met een geluidsisolatie van Ra=23 dB(A) en dat bij eventuele plaatsing van kozijnen wordt gekozen voor een dubbele beglazing met een nog hogere geluidsisolatie. Het enkele ontbreken van een vermelding in het bedrijfsplan over het aanbrengen van isolatie betekent niet dat in het akoestisch rapport ten onrechte van deze isolatie is uitgegaan. Dit betreft voor het bedrijfsplan geen essentiële informatie. Weliswaar bevatte een eerdere versie van het bedrijfsplan nog wel een vermelding dat de kapschuur zou worden geïsoleerd en de versie die bij de omgevingsvergunning behoort niet meer, maar blijkens de expliciete vermelding in het nadien opgestelde akoestische rapport betekent dat niet dat alsnog wordt afgezien van het aanbrengen van deze isolatie.

6.5. Wat betreft de deuren in de kapschuur overweegt de Afdeling dat het akoestisch rapport een plattegrond bevat waarop is weergegeven dat in de zuidelijke buitengevel een roldeur is voorzien en dat in de kapschuur een scheidingswand met een schuifdeur is voorzien. Voor zover uit het bedrijfsplan al zou kunnen worden afgeleid dat voor de kapschuur twee roldeuren zijn voorzien, komt aan het verschil tussen een roldeur en een schuifdeur in de scheidingswand niet de akoestisch relevante betekenis toe die [appellant sub 1] daaraan gehecht wil zien.

6.6. De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch rapport rekening gehouden had moeten worden met de mogelijke groei van het bedrijf, reeds omdat de enkele vermelding in het bedrijfsplan dat de inschatting is dat het bedrijf zal groeien van vier naar vijf werknemers in 2020 onvoldoende bepaalbaar is om te kunnen aannemen of, en zo ja welke gevolgen dit heeft voor de activiteiten op het perceel en de daarmee gepaard gaande geluidbelasting. Daarbij is van belang dat in het bedrijfsplan ook staat dat de meeste werkzaamheden door het bedrijf op locatie worden uitgevoerd.

6.7. Wat betreft het noordelijke en oostelijke deel van het perceel heeft [appellant sub 2] niet toegelicht, en is de Afdeling niet gebleken, dat uit de aanvraag blijkt van akoestisch relevante activiteiten die als onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport in aanmerking hadden moeten worden genomen. Evenmin biedt de aanvraag aanleiding om aan te nemen dat de vermelding in het akoestisch rapport dat levering van fruitbomen uitsluitend vanaf een externe locatie plaatsvindt niet juist is. Deze activiteit is dan ook terecht buiten verdere beschouwing gelaten in het akoestisch onderzoek.

6.8. Wat betreft de duur van de activiteiten kan worden vastgesteld dat in het bedrijfsplan is weergegeven dat in de kapschuur incidenteel werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en dat gemiddeld twee maal per maand het afval zal worden afgevoerd, waartoe een extern bedrijf een container achter de muur zal plaatsen en deze de volgende dag weer zal afvoeren. In het akoestisch rapport is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie waarin in de werkplaats gedurende acht uur in de dagperiode wordt gewerkt en waarin op één dag één container wordt gebracht en/of gehaald. Anders dan [appellant sub 2] meent, wijst dit niet op een discrepantie tussen de aanvraag en het akoestisch onderzoek. De omstandigheid dat zekere activiteiten zijn aangemerkt als behorende tot de representatieve bedrijfssituatie op een representatieve dag betekent niet dat die activiteiten dagelijks, en daarmee vaker dan in het bedrijfsplan vermeld, zullen plaatsvinden.

De betogen falen.

7. [ appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het akoestisch rapport een gebrekkige beoordeling is gemaakt van de geluidbelasting die vanwege de gevraagde activiteiten is te verwachten. Volgens [appellant sub 1] is ten onrechte geen rekening gehouden met een voorziene reconstructie van de Nijlandseweg waarvan verkeer van en naar de inrichting gebruik maakt. Volgens [appellant sub 2] is ten onrechte geen rekening gehouden met achteruitrijsignalering van de shovel, is voor wat betreft de maximale geluidniveaus ten gevolge van de gebouwuitstraling ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie toegepast en is ten onrechte aangenomen dat de maximale geluidsniveaus als bedoeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten.

7.1. De door [appellant sub 1] bedoelde reconstructie van de Nijlandseweg was ten tijde van het bestreden besluit nog niet gerealiseerd en de aanvraag om omgevingsvergunning heeft geen betrekking op deze reconstructie. Hiermee hoefde in het akoestisch rapport dan ook geen rekening te worden gehouden.

7.2. Ter zitting heeft [vergunninghouder] naar voren gebracht dat de shovel op het perceel niet is voorzien van een achteruitrijsignalering. [appellant sub 2] heeft dat ter zitting niet betwist, maar gesteld te vrezen dat een eventuele nieuwe shovel wel een achteruitrijsignalering zal hebben. De Afdeling overweegt dat in deze enkele vrees geen grond is gelegen voor het oordeel dat in het akoestisch rapport rekening had moeten worden gehouden met achteruitrijsignalering.

7.3. [appellant sub 2] heeft zijn betoog dat voor wat betreft de maximale geluidniveaus ten gevolge van de gebouwuitstraling ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie is toegepast desgevraagd ter zitting niet nader kunnen toelichten. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat in het akoestisch rapport ten onrechte mede de bedrijfstijd per activiteit in de werkplaats in aanmerking is genomen.

7.4. Voorts heeft [appellant sub 2] tevergeefs, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF8291, aangevoerd dat in het akoestisch rapport ten onrechte is aangenomen dat de maximale geluidsniveaus als bedoeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op het gebruik van de containers. In het eerste lid, onder b, van dat artikel is bepaald dat de in de periode tussen 07.00 en 19.00 in het eerste lid bedoelde maximale geluidsniveaus niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten. In het akoestisch rapport is terecht aangenomen dat het oppakken en neerzetten van containers onder laad- en losactiviteiten valt, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1261. In de uitspraak van 7 mei 2003 waarop [appellant sub 2] zich beroept was een andere activiteit aan de orde, namelijk het op- en overslaan van goederen in containers binnen de inrichting.

De betogen falen.

8. [ appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college ten onrechte heeft verzuimd om uitvoering van de in het akoestisch onderzoek betrokken maatregelen afdoende te waarborgen door het stellen van voorschriften aan de omgevingsvergunning.

8.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, hoefde het college geen aanleiding te vinden om de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorgestane voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Het akoestisch rapport heeft niet tot gevolg dat [vergunninghouder] de daarin berekende geluidbelasting niet zal mogen overschrijden. [vergunninghouder] dient de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit na te leven. Voor zover in het akoestisch rapport specifieke maatregelen zijn beschreven om de geluidbelasting te reduceren, kunnen deze worden geacht de grenzen van de omgevingsvergunning te bepalen, zodat [vergunninghouder] in afwijking van de omgevingsvergunning handelt wanneer hij deze maatregelen niet treft.

Het betoog faalt.

9. De conclusie is dat het college het akoestisch rapport aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Het mocht zich op grond daarvan op het standpunt stellen dat het woon- en leefklimaat door de geluidbelasting vanwege de gevraagde bedrijfsactiviteiten niet in onaanvaardbare mate wordt aangetast.

Afval en opslag

10. [ appellant sub 1] betoogt dat het college heeft miskend dat, gelet op de activiteiten en de grootte van de aangeduide ruimte waar de opslag van afval is voorzien, aannemelijk is dat de hoeveelheid afval die op het perceel zal worden opgeslagen meer dan 45 m3 zal bedragen. Daarvoor is een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist. Dit is volgens hem een activiteit die onlosmakelijk samenhangt met de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zodat de toestemmingen voor deze activiteiten gelijktijdig hadden moeten worden aangevraagd.

10.1. De aanvraag strekt zich niet uit tot de opslag van meer dan 45 m3 afval. De enkele omstandigheid dat in de aanvraag is voorzien in ruimte achter de muur om afval op te slaan die op zichzelf opslag met een dergelijke omvang mogelijk maakt, betekent nog niet dat de aanvraag geacht moet worden op een opslag met die omvang te zien. Het college heeft dan ook terecht geen reden gevonden voor het oordeel dat [vergunninghouder] gelijktijdig een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu voor opslag van afval had moeten aanvragen.

Het betoog faalt.

11. [ appellant sub 1] betoogt dat het college heeft nagelaten een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat de buitenopslag beperkt dient te blijven tot de bestaande plaats op de sleufsilo achter de muur, zoals het bij een eerdere omgevingsvergunning nog wel had gedaan. Volgens hem is in de aanvraag thans opslag van afval voorzien tussen de muur en het geluidsscherm, hetgeen een grotere ruimte beslaat dan in de eerdere omgevingsvergunning aan de orde was.

11.1. Op de situatietekening bij de aanvraag is weergegeven dat zich tussen de muur en het geluidsscherm een ruimte van 12 m bevindt. De ruimte direct achter de muur is blijkens deze situatietekening bestemd voor de opslag van afval. De ruimte verder naar achteren, vóór het geluidsscherm, is aangeduid als de opstelplaats van de container. Gelet hierop kan worden aangenomen dat de opslag van afval in de aanvraag uitsluitend is voorzien op de ruimte van ongeveer 6 m achter de muur. Die ruimte is niet in betekenende mate groter dan de ruimte voor de opslag van afval op de voormalige sleufsilo achter de muur zoals die eerder nog in de aanvraag was voorzien. Het college hoefde geen aanleiding te vinden om een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden dat inhoudt dat de opslag van afval tot die ruimte beperkt dient te blijven, nu al uit de aanvraag volgt dat opslag elders niet is vergund. De omstandigheid dat het college hiertoe eerder nog een dergelijk voorschrift heeft gesteld, verplichtte hem er niet toe dat ook thans te doen.

Het betoog faalt.

Ruimtelijke afweging

12. [ appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college een ontoereikende ruimtelijke afweging heeft gemaakt door vrijwel uitsluitend op het aspect geluid in te gaan. Zo is het college volgens [appellant sub 1] niet ingegaan op de landschappelijke inpassing, terwijl hieraan blijkens de voorwaarden, verbonden aan de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan waarbij het college aansluiting heeft gezocht, belangrijke betekenis toekomt. Eén van die voorwaarden betreft het streven om landschappelijk verstorende bebouwing af te breken, terwijl op het perceel ontsierende bebouwing zal blijven staan en daaraan bovendien een ontsierende muur en geluidsscherm worden toegevoegd. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat Lieveren, waartoe het perceel behoort, te midden van bos, heide en oude essen en aan het beekdal van het Lieverensche Diep ligt. Bedrijvigheid is hier zeer beperkt aanwezig en de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghouder] zijn niet passend.

13. De in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid maakt in geval van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen de vestiging van bedrijven, genoemd in bijlage 1 bij het bestemmingsplan en in de categorieën 1 en 2 als bedoeld in de VNG-brochure, en wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven mogelijk. Deze wijzigingsbevoegdheid had in dit geval kunnen worden toegepast indien de aanvraag niet mede betrekking had gehad op buitenopslag. Het college heeft ter zitting toegelicht dat deze wijzigingsbevoegdheid een uitwerking vormt van beleid dat erop is gericht een functiewijziging van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk te maken. Het college acht continuering van de bedrijvigheid op dergelijke percelen wenselijk met het oog op de leefbaarheid van de omgeving. Tegen de buitenopslag heeft het geen overwegende bezwaren, nu deze opslag is voorzien tussen de muur en het geluidsscherm en onder andere omstandigheden zonder omgevingsvergunning zou zijn toegestaan.

Zoals de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 1 november 2017 reeds heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, door aansluiting te zoeken bij deze wijzigingsbevoegdheid, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt bedrijvigheid ter plaatse reeds mogelijk. Het hieraan ten grondslag liggende beleid dat erop is gericht om functiewijziging van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk te maken, is niet onredelijk. Wat betreft de door [appellant sub 1] gewenste afbraak van landschappelijk verstorende bebouwing, overweegt de Afdeling dat het college had te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, waarin geen afbraak van bebouwing is voorzien. De stelling van [appellant sub 1] dat op het perceel bebouwing aanwezig is die het landschap ontsiert en dat hetzelfde geldt voor de muur en het geluidsscherm, betreft bovendien een niet nader onderbouwde subjectieve mening. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom had moeten weigeren.

Alhoewel aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] moet worden toegegeven dat het college in zijn afweging niet specifiek is ingegaan op de buitenopslag die maakt dat geen toepassing aan de wijzigingsbevoegdheid kon worden gegeven, ziet de Afdeling ook hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. De Afdeling acht daarbij van belang dat de opslag en de muur en het geluidsscherm waartussen de opslag is voorzien zich vanaf de openbare weg gezien bevinden achter gebouwen, die het zicht daarop voor een belangrijk deel wegnemen.

Het betoog faalt.

Conclusie

14. De Afdeling komt tot de conclusie dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kon verlenen.

Slotoverwegingen

15. De beroepen zijn ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Hagen
voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019

727.