Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201803064/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:1212, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2016 heeft de burgemeester de aanvragen van [appellant] voor een exploitatievergunning en een Drank- en Horecawetvergunning (hierna: DHW-vergunning) voor de vestiging van een coffeeshop op het adres [locatie] te Amsterdam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803064/1/A3.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2018 in zaak nr. 17/3670 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 heeft de burgemeester de aanvragen van [appellant] voor een exploitatievergunning en een Drank- en Horecawetvergunning (hierna: DHW-vergunning) voor de vestiging van een coffeeshop op het adres [locatie] te Amsterdam afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.H. Klugkist en mr. R. Nomden, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft zich met een brief van 22 juli 2004 aangemeld voor de selectieprocedure om in aanmerking te komen voor de vestiging van een coffeeshop in Amsterdam Zuidoost. Bij brief van 29 december 2004 is aan hem medegedeeld dat de selectieprocedure niet met hem wordt voortgezet, omdat hij niet voldoet aan de selectiecriteria. Bij brief van 8 november 2013 heeft [appellant] de voorzitter van stadsdeel Zuidoost verzocht om deze beslissing te heroverwegen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij inmiddels bij enkele coffeeshops heeft gewerkt en stage heeft gelopen, zodat hij in staat is een coffeeshop te exploiteren. Bij brief van 27 januari 2014 heeft de stadsdeelvoorzitter dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft deze toegelicht dat op grond van het Amsterdamse coffeeshopbeleid geen nieuwe coffeeshops mogen worden gevestigd. Er is een uitzondering op dit beleid gemaakt voor twee ondernemers die mee hebben gedaan aan een pilot uit 2012. [appellant] behoort daar niet toe. Op 7 augustus 2014 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor een coffeeshop. Hij heeft deze aanvraag aangevuld op 7 april 2016, door indiening van een aanvraagformulier exploitatievergunning horecabedrijf. Tegelijkertijd heeft hij een DHW-vergunning en een gedoogverklaring voor het exploiteren van een coffeeshop aangevraagd. Bij het afwijzende besluit van 3 mei 2016 heeft de burgemeester overwogen dat er geen mogelijkheid is om een coffeeshop in Amsterdam Zuidoost te vestigen buiten de pilot uit 2012 om. Bij het besluit van 10 mei 2017 heeft de burgemeester, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, deze afwijzing gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat afdoende is gebleken dat het niet door de pilot kwam dat [appellant] geen kans maakte op het vestigen van een coffeeshop, maar door het feit dat hij al in 2004 bij de selectieprocedure was afgevallen. De pilot was niet voor hem bedoeld en er heeft toen geen nieuwe selectie plaatsgevonden. De burgemeester was niet gehouden een nieuwe selectie te houden en [appellant] daaraan te laten deelnemen, enkel wegens het tijdsverloop tussen de selectie van 2004 en de pilot. Dat tijdsverloop laat zich verklaren doordat lang is gezocht naar een geschikte locatie voor de vestiging van de coffeeshop van de winnaar van de selectieprocedure uit 2004. De burgemeester mocht vasthouden aan de selectie zoals die in 2004 heeft plaatsgevonden. Van enige willekeur is niet gebleken en ook is geen sprake van een ongelijke behandeling, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat uit de pilot uit 2012 volgt dat er plek is voor vestiging van een nieuwe coffeeshop in Amsterdam Zuidoost. De rechtbank heeft miskend dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om naar deze plek mee te dingen. Nergens blijkt uit dat deze plek was voorbehouden aan de winnaar van de selectie van 2004. Bovendien was die selectie niets meer waard, omdat al acht jaar waren verstreken en de winnaar van de selectie al die jaren niets heeft ondernomen om een coffeeshop in Zuidoost te realiseren. Los daarvan is er genoeg ruimte voor een derde coffeeshop in Amsterdam Zuidoost. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat geen sprake was van willekeur en ongelijke behandeling. De burgemeester heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid en onzorgvuldig gehandeld, aldus [appellant].

3.1.    Hij wijst er daarnaast op dat de rechtbank haar oordeel mede gebaseerd heeft op onder geheimhouding overgelegde stukken. De rechtbank heeft hiermee de schijn van willekeur en ongelijke behandeling in stand heeft gehouden. Hij heeft hierdoor op geen enkele wijze kunnen controleren of het oordeel van de rechtbank juist was, aldus [appellant].

Beoordeling

Onder geheimhouding overgelegde stukken

4.    De rechtbank heeft haar oordeel mede gebaseerd op stukken die de burgemeester onder geheimhouding aan haar had overgelegd. De burgemeester heeft deze stukken ook in hoger beroep overgelegd. Hij had de Afdeling daarbij aanvankelijk ook om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht. Bij brief van 4 oktober 2018 heeft de burgemeester dit verzoek laten vallen. Vervolgens zijn de stukken aan [appellant] toegezonden en heeft hij daarvan kennis kunnen nemen.

Afwijzing aanvragen

5.    De burgemeester heeft toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders in 1995 in beleid heeft vastgelegd dat geen nieuwe adressen op de coffeeshoplijst mogen worden toegevoegd, het zogenoemde bevriezingsbeleid. In 2012 is, vanuit de wens om kleinschaligheid, transparantie en spreiding van coffeeshops te bevorderen, een pilot gestart, gericht op bestaande coffeeshops, die verplaatsing van maximaal vijf van de coffeeshops op de lijst mogelijk maakte. Nieuwe coffeeshopexploitanten konden niet meedoen aan de pilot. In de tekst van het document waarin de pilot is beschreven staat dat een uitzondering kan worden gemaakt voor de vestiging van een coffeeshop in Amsterdam Zuidoost in verband met gesprekken die het stadsdeelbestuur heeft gevoerd met exploitanten die geïnteresseerd waren om een coffeeshop in Zuidoost te vestigen. In de tekst is sprake van een beoogd coffeeshopexploitant, met wie de winnaar van de in 2004 gevoerde selectieprocedure werd bedoeld, het ondernemersduo [naam 1] en [naam 2]. Dat ondernemersduo zocht vanaf 2004 naar een geschikte locatie in Zuidoost voor vestiging van een coffeeshop. [naam 2], voornoemd, is later uit beeld geraakt en vanaf toen heeft [naam 1] de zoektocht alleen voortgezet. Uit een notitie van 15 oktober 2013 over de uitvoering van de pilot volgt dat [naam 1] een toezegging van het destijds bevoegde dagelijks bestuur van het stadsdeel heeft gekregen om een coffeeshop in Amsterdam Zuidoost te vestigen. Wegens deze toezegging is [naam 1] voor deelname aan de pilot uitgenodigd.

5.1.    Uit de tekst van de pilot blijkt dat er al een beoogd exploitant voor de vestiging van een coffeeshop in Zuidoost was. [appellant] had daaruit kunnen afleiden dat hij niet onder de doelgroep van de pilot viel. De Afdeling acht niet onredelijk dat in de pilot alleen een uitzondering voor [naam 1] is gemaakt, omdat hij de winnaar was van de selectieprocedure in 2004 en in verband daarmee de toezegging om een nieuwe coffeeshop te mogen vestigen, heeft gekregen. Deze toezegging is niet tenietgegaan door het enkele tijdsverloop. Te minder, omdat uit de door de burgemeester overgelegde stukken blijkt dat het, mede door de aan de locatie te stellen strenge eisen, lang heeft geduurd voordat een geschikte locatie voor de coffeeshop was gevonden en de voor vestiging benodigde vergunningen waren verleend.

5.2.    [naam 1] exploiteert inmiddels een coffeeshop aan de Hoekenrode in Amsterdam Zuidoost. Op grond van de pilot zal daarnaast nog een bestaande coffeeshop naar het stadsdeel Zuidoost mogen worden verplaatst. Dan zijn er twee coffeeshops in Zuidoost. De burgemeester heeft zich, gelet op het bevriezingsbeleid, op het standpunt mogen stellen dat geen aanleiding bestaat te onderzoeken of het wenselijk dan wel noodzakelijk is om een derde coffeeshop in Amsterdam Zuidoost mogelijk te maken.

5.3.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen verschilt de situatie van [appellant] met die van [naam 1], zodat geen sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld. Met de rechtbank ziet de Afdeling in de gegeven omstandigheden ook geen grond voor het oordeel dat de burgemeester in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld, dan wel dat hij misbruik heeft gemaakt van een bevoegdheid of onzorgvuldig heeft gehandeld.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat de besluiten van de burgemeester waarbij de vergunningaanvragen van [appellant] zijn afgewezen, in stand blijven.

6.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Binnema

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

589.