Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
16-10-2019
Zaaknummer
201902245/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel (hierna: de VBL) aangeboden en haar in reactie op het verzoek haar een beschermde woonplek te bieden naar de gemeente Amsterdam verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902245/1/V1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/7585 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 6 juli 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie te Ter Apel (hierna: de VBL) aangeboden en haar in reactie op het verzoek haar een beschermde woonplek te bieden naar de gemeente Amsterdam verwezen.

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij desgevraagd een schriftelijke reactie ingediend.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken van 12 augustus 2019 en 1 oktober 2019 ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 30 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3281. Uit deze uitspraak volgt dat de staatssecretaris niet ten onrechte op het verzoek van de vreemdeling om haar opvang te verlenen heeft gereageerd met het aanbod van onderdak in de VBL. Hieruit vloeit voort dat de enige grief slaagt.

2.    Niettemin heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zijn reactie op haar verzoek om adequate opvang een rechtens relevante handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris heeft hiertegen geen grief gericht. De rechtbank heeft dus het beroep van de vreemdeling terecht gegrond verklaard en het besluit van 4 oktober 2018 terecht vernietigd. Gelet op wat onder 1. is overwogen en omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, heeft de rechtbank echter ten onrechte geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar te nemen. De Afdeling bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 februari 2019 in zaak nr. 18/7585, voor zover zij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 4 oktober 2018 in stand blijven, en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Schuurman

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2019

284-864.