Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
201905896/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van vreemdelingen 1 en 2 is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905896/1/V3.

Datum uitspraak: 1 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2019 in zaken nrs. 19/1545 en 19/1548 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van vreemdelingen 1 en 2 is geëindigd.

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat vreemdelingen 3 en 4 geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan hebben gehad.

Bij besluiten van 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris de door de vreemdelingen tegen de besluiten van 23 juli 2019 en 1 oktober 2019 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De griffier heeft de vreemdelingen er bij brief van 6 augustus 2019 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moeten betalen. Hun is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 20 augustus 2019 te voldoen. Omdat de vreemdelingen dit niet hebben gedaan, heeft de griffier hun bij aangetekende brief van 23 augustus 2019 laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 6 september 2019 alsnog op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. De vreemdelingen hebben geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.

2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het te laat betaalde griffierecht voor het hoger beroep wordt door de griffier aan de vreemdelingen terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Snijders

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2019

595.