Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
201904601/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5844, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904601/1/V2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2019 in zaak nr. NL19.10997 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris een nadere reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft de Pakistaanse nationaliteit en is christen. Hij heeft op 31 augustus 2014 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 9 juni 2015 is die aanvraag afgewezen, omdat de staatssecretaris het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig heeft geacht. Die afwijzing staat in rechte vast. Nu is de opvolgende asielaanvraag aan de orde waaraan de vreemdeling onder meer ten grondslag heeft gelegd dat hij evangeliseert. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een brief van 4 mei 2019 van [persoon] overgelegd met wie hij samen naar de kerk Oase voor Nieuw-West is geweest. Ook heeft de vreemdeling een kopie van een fatwa van 26 november 2016 overgelegd, die tegen hem en zijn zus is gericht. Daarin staat onder meer dat hij moet worden vermoord, omdat hij een moslima heeft verleid en heeft geprobeerd haar van de islam af te laten dwalen. Verder staat daarin dat kopieën van deze fatwa moeten worden gestuurd naar de voorzitters van alle moskeeën en Koranscholen in Rawalpindi, Pakistan.

2.    Aan de niet-ontvankelijkverklaring van die opvolgende asielaanvraag heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. De fatwa kan niet als zodanig worden aangemerkt, gegeven het feit dat Bureau Documenten in zijn rapport van 29 januari 2019 heeft geconcludeerd dat de authenticiteit van de fatwa niet kan worden beoordeeld omdat het een kopie betreft.

3.    In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep op het arrest van het EHRM van 18 november 2014 in de zaak M.A. tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005258913, niet slaagt, omdat niet is onderzocht of zijn verklaring waarom hij geen origineel van de fatwa heeft overgelegd, overtuigend is. Het is in Pakistan gebruikelijk dat van een fatwa geen origineel exemplaar wordt verstrekt, maar een fatwa wordt uitgesproken en vervolgens kopieën van die uitspraak worden verspreid.

3.1.    De staatssecretaris heeft zich desgevraagd in hoger beroep op het standpunt gesteld, dat er geen vaste wijze is waarop een fatwa bekend wordt gemaakt en dat dit vaak samenhangt met het beoogde doel daarvan. Zo kan een fatwa alleen bekend worden gemaakt aan de persoon in kwestie, maar ook door deze bijvoorbeeld in een krant te publiceren. Hoewel dus niet zonder meer voor de hand ligt dat de vreemdeling over een origineel exemplaar van de fatwa beschikt, heeft hij eerder een asielaanvraag ingediend, die is afgewezen omdat de kern van zijn asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden. De fatwa maakt dat niet anders. De fatwa kan niet worden aangemerkt als nieuw element of nieuwe bevinding, omdat de authenticiteit daarvan niet kan worden vastgesteld, aldus de staatssecretaris.

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake is van een andere situatie dan in het arrest M.A. tegen Zwitserland. In die zaak was sprake van een eerste asielaanvraag. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de authenticiteit van een document moet vaststaan om als nieuw element of nieuwe bevinding te kunnen worden aangemerkt en dat het bij een opvolgende aanvraag aan de vreemdeling is om die authenticiteit met gegevens of bescheiden te staven (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2394). De rechtbank heeft echter niet onderkend dat dit niet geldt als de vreemdeling geen origineel van de fatwa heeft kunnen overleggen, gegeven de aard van een fatwa. Uit de nadere reactie van de staatssecretaris blijkt ook dat de staatssecretaris in dit geval ervan uitgaat dat de vreemdeling geen origineel kan overleggen. Omdat de vreemdeling geen origineel heeft kunnen overleggen en de brief van 4 mei 2019 van [persoon] heeft overgelegd, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een nieuw element of nieuwe bevinding. Te meer, omdat de staatssecretaris voor Pakistan christenen als risicogroep heeft aangemerkt (paragraaf C7/21.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Wat de vreemdeling als eerste, derde, vierde en vijfde grief heeft aangevoerd hoeft nu niet te worden besproken. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 6 mei 2019 wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2019 in zaak nr. NL19.10997;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 6 mei 2019, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Loon

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019

284-853.