Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3321

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201707631/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Boomteelt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/925
Gst. 2019/178 met annotatie van J.W. van Zundert
JGROND 2019/225 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707631/1/R2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Cuijck,

2.    [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], gevestigd respectievelijk wonend te Escharen, gemeente Grave (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Grave,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Boomteelt" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 mei 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2018" vastgesteld.

[appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben hun zienswijzen over het besluit van 15 mei 2018 naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2019, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, rechtsbijstandverlener te ‘s-Hertogenbosch, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en bijgestaan door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat te Deurne, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Braakensiek, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het plan "Boomteelt" is een regeling opgenomen voor boomteelt in het buitengebied. Het plan vult ten aanzien van dit onderwerp specifiek genoemde planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" dat door de raad op 23 april 2013 is vastgesteld, aan. Voorts is in de verbeelding aan een aantal percelen binnen het plangebied een aanduiding toegekend, die eveneens aanvullend geldt ten aanzien van de in betreffend eerder plan toegekende bestemmingen en aanduidingen aan die percelen.

[appellante sub 1] exploiteert een boomkwekerij die zich specialiseert in de productie van bomen en andere beplanting voor de realisatie van groenprojecten. [appellante sub 3] teelt zachte fruitgewassen. [appellant sub 2] gebruikt zijn gronden voor de stalling van geteelde bomen in pot en is voornemens daar ook bomen te gaan telen. [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover zij als gevolg van het plan in de gebruiksmogelijkheden van hun gronden voor boomteelt worden beperkt.

1.1.    Op 15 mei 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2018" vastgesteld, waarin onder meer wijzigingen in de Verordening ruimte Noord-Brabant in de planregels zijn verwerkt. Het plan ziet op hetzelfde plangebied als het plan "Buitengebied" uit 2013.

1.2.    Artikel 6:19 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

[...]."

1.3.    De Afdeling merkt het besluit van 15 mei 2018 tot vaststelling van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" aan als besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, omdat het betrekking heeft op gronden die ook tot het plangebied van het plan "Boomteelt" behoren en het ziet op planonderdelen waartegen de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] gericht zijn. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb worden de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 juli 2017 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 mei 2018.

    Onderstaand wordt, na de bespreking van de ontvankelijkheid, eerst het besluit van 15 mei 2018 tot vaststelling van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" besproken. Deze bespreking blijft beperkt tot die plandelen waartegen de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] van rechtswege mede zijn gericht. Daarna zal worden bezien of nog aan de beoordeling van het besluit van 4 juli 2017 tot vaststelling van het plan "Boomteelt" moet worden toegekomen.

Ontvankelijkheid

2.    Volgens de raad dient het beroep van zowel [appellante sub 1] als [appellante sub 3] niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover zij daarin gronden en onderwerpen naar voren hebben gebracht die zij niet reeds in hun zienswijze hebben genoemd.

2.1.    [appellante sub 1] en [appellante sub 3] hebben ieder een zienswijze ingediend tegen het plan "Boomteelt" voor zover dit plan hun gronden betreft en daarin beperkingen voor boomteelt op die gronden zijn opgenomen. Hetgeen door [appellante sub 1] en [appellante sub 3] in beroep is aangevoerd heeft betrekking op diezelfde plandelen. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat er geen rechtsregel aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

    De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] zijn dan ook ontvankelijk.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het besluit van 15 mei 2018

4.    [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met het plan "Buitengebied, Herziening 2018"  verenigen voor zover de mogelijkheden voor boomteelt op grond van dit plan worden beperkt. Zij stellen voorts dat door de hoeveelheid aan opvolgende en overlappende plannen die geheel dan wel gedeeltelijk voor hun gronden gelden, niet is vast te stellen welke regels waar gelden. Dit leidt volgens hen tot een rechtsonzekere situatie. Zij geven ten slotte aan dat er één plan met één verbeelding en één set aan planregels voor hun gronden moet worden opgesteld.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan "Buitengebied, Herziening 2018" geen bepalingen bevat over het onderwerp boomteelt. Dit onderwerp is, aldus de raad, geregeld in het plan "Boomteelt" en dat plan blijft ook na het plan 2018 in stand. De raad verwijst daartoe naar artikel B van de planregels van het plan "Buitengebied, Herziening 2018".

4.2.    Artikel B van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2018" luidt, voor zover van belang:

"a. De verbeelding en regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Grave, zoals vastgesteld op 25 april 2013, wordt herzien zoals aangegeven in de regels van deze herziening en/of zoals aangegeven op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Voor het overige blijven de regels en verbeeldingen van het bestemmingsplan "Buitengebied" ongewijzigd van toepassing, inclusief de volgende herzieningen:

[…]

- "Boomteelt", zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Grave op 6 juni 2017.

[…]"

4.3.    De Afdeling dient, voordat aan een inhoudelijke behandeling van de gronden kan worden toegekomen, vast te stellen wat de thans geldende planregeling is voor de gronden van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2]. Doordat de onderlinge verhoudingen tussen de elkaar opvolgende plannen - "Buitengebied" uit 2013, de plannen die ondergeschikt zijn aan of afhankelijk zijn van dat plan, waaronder het plan "Boomteelt", én het plan "Buitengebied, Herziening 2018" - niet duidelijk zijn en de inhoudelijke gevolgen daarvan evenmin, is echter niet vast te stellen wat de geldende planregeling is voor die percelen. Wel duidelijk is dat de raad het plan "Buitengebied 2013" en de daarmee samenhangende plannen onbedoeld heeft gewijzigd en/of aangevuld door de vaststelling van het plan "Buitengebied, Herziening 2018". De Afdeling oordeelt op grond van deze vaststelling dat het plan "Buitengebied, Herziening 2018" in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

4.3.1.    De Afdeling is op grond van de volgende overweging tot deze conclusie gekomen.

    Wat betreft de geldende planregels stelt de Afdeling het volgende vast. In artikel B, onder a, van de planregels is het toepassingsbereik van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" bepaald. In dit artikel is bepaald dat het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 wordt herzien, zoals aangegeven in de regels van die herziening en/of zoals aangegeven op de verbeelding van het plan "Buitengebied, Herziening 2018".

    De Afdeling beziet eerst of de verbeelding een inhoudelijke herziening van de verbeelding van het plan uit 2013 inhoudt. Daartoe stelt de Afdeling vast dat uit de verbeelding blijkt dat het plangebied van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" hetzelfde plangebied omvat als het plan "Buitengebied" uit 2013, namelijk het buitengebied van de gemeente Grave. Slechts aan een aantal gronden worden nieuwe (dubbel)bestemmingen of aanduidingen toegekend. Voor het overige blijft de verbeelding van het plan "Buitengebied 2013" ongewijzigd.

    Ten aanzien van de vraag of de planregels een herziening inhouden, stelt de Afdeling het volgende vast. Uit de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting blijkt dat het de bedoeling was om geen ingrijpende wijzigingen in de regels door te voeren en de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 niet volledig te overschrijven. In hoofdstuk 2 van de regels van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" zijn echter de regels van het plan "Buitengebied" uit 2013 volledig overgenomen en, met de daarin aangegeven tekstuele wijzigingen, als onderdeel van de regels van het plan "Buitengebied, Herziening 2018" vastgesteld. Omdat deze regels volledig vervangend zijn ten opzichte van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013, overschrijven zij die regels geheel. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat er, anders dan in artikel B, onder a, is vermeld, geen regels uit het plan "Buitengebied" uit 2013 meer ongewijzigd van toepassing zijn.

    In artikel B, onder a, zijn ook andere plannen genoemd, waaronder het plan "Boomteelt" dat overigens is vastgesteld op 4 juli 2017, (hierna: de genoemde plannen). Wat betreft deze genoemde plannen overweegt de Afdeling het volgende. Uit dit artikel, de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting blijkt dat de raad de genoemde plannen niet met het plan "Buitengebied, Herziening 2018" heeft willen wijzigen en/of aanvullen en deze in stand heeft willen laten als aanvullingen op of wijzigingen in de verbeelding of regels van het plan "Buitengebied" uit 2013. De Afdeling stelt vast dat de genoemde plannen, zoals het plan "Boomteelt", wijzigingen zijn in of aanvullingen zijn op het plan "Buitengebied" uit 2013, zodat deze een zekere ondergeschiktheid aan of afhankelijkheid van dat plan hebben. Nu, zoals hierboven is overwogen, de regels van het plan "Buitengebied" uit 2013 volledig zijn overschreven en niet meer gelden, kan niet worden volgehouden dat de genoemde plannen niet worden geraakt door het plan "Buitengebied, Herziening 2018". Met het vervallen van de regels van het plan "Buitengebied" uit 2013 is immers ook de basis voor de genoemde plannen komen te vervallen. Daarbij kan, nu het toepassingsbereik en de inhoud van de genoemde plannen verschillen, niet met zekerheid worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre deze plannen nog gelding hebben. Voor zover een genoemd plan nog, deels, in werking is, kan voorts niet met zekerheid worden vastgesteld of en in hoeverre dit plan aansluit op de planregels van het plan "Buitengebied, Herziening 2018". Het is dan ook voor de Afdeling, maar ook voor [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2], niet met zekerheid vast te stellen welke planregeling er thans voor de bestreden gronden geldt.

    Voorts wijst de Afdeling er betreffende het onderwerp "Boomteelt" op dat, anders dan de raad veronderstelt en heeft beoogd, in het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2018" wel degelijk planregels over dit onderwerp zijn opgenomen. Een voorbeeld vormt artikel 33.

    De Afdeling ziet, gelet op het bovenstaande, aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 15 mei 2018 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

4.4.    De beroepen tegen het besluit van 15 mei 2018 zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de gronden van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] betreft. De Afdeling merkt daarbij op dat hiermee nog geen definitieve uitspraak is gedaan betreffende het gehele besluit van 15 mei 2018, omdat tegen andere onderdelen van dat besluit nog beroep aanhangig is (met zaaknummers 201707220/1/R2 en 201807225/1/R2).

    De Afdeling zal gelet op bovenstaande vernietiging de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 4 juli 2017 tot vaststelling van het plan "Boomteelt" beoordelen.

Het besluit van 4 juli 2017

De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3]

5.    [appellante sub 1] en [appellante sub 3] betogen dat het plan "Boomteelt" ten onrechte voorziet in vergaande beperkingen van het bestaande gebruik van hun gronden voor boomteelt. Zij stellen daartoe dat in het plan ten onrechte een omgevingsvergunningplicht voor boomteelt is opgenomen. Volgens hen leidt dat tot een onaanvaardbare aantasting van hun bedrijfsvoering en is door de raad niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom een omgevingsvergunningplicht is opgenomen. De raad heeft vervolgens niet inzichtelijk gemaakt waarom boomteelt niet verenigbaar is met de te beschermen waarden op en in de omgeving van deze gronden. Wat betreft de gronden waaraan in het plan "Buitengebied" uit 2013 de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied" is toegekend, houdt het plan "Boomteelt" volgens [appellante sub 1] zo’n verzwaring van het planologische regime in, dat het huidige gebruik van die gronden voor boomteelt onder het overgangsrecht wordt gebracht. Ook dit is volgens haar door de raad niet gemotiveerd of kenbaar afgewogen.

5.1.    [appellante sub 3] richt zich blijkens haar beroepschrift tegen het plan voor zover dit ziet op een groot aantal agrarische bedrijfspercelen. De Afdeling stelt vast dat ten aanzien van de door haar genoemde percelen, kadastraal bekend gemeente Grave, sectie […], nummers […], […], […] en […], en sectie […], nummers […] en […], een volledige planologische regeling is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening", door de raad vastgesteld op 4 juli 2017. Anders dan de raad meent, zijn met de inwerkingtreding van dat plan de bestemmingsplannen uit 2013, dan wel uit 1998 niet meer op deze gronden van toepassing. Nu het plan "Buitengebied, 1e herziening" voor die gronden het geldend planologisch regime was op het moment dat het plan "Boomteelt" in werking trad en uit de planregels van het plan "Boomteelt" blijkt dat het niet van toepassing is op gronden die deel uitmaken van het plangebied van het plan "Buitengebied, 1e herziening", stelt de Afdeling vast dat bovengenoemde percelen geen deel uitmaken van het plangebied van het plan "Boomteelt".

    Gelet hierop zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellante sub 3] over bovengenoemde percelen niet bespreken en zich beperken tot de overige agrarische bedrijfspercelen van [appellante sub 3].

5.2.    De Afdeling stelt op grond van de plantoelichting en de toelichting van de raad ter zitting vast, dat de raad bij de vaststelling van het plan "Boomteelt" het beleid in de Boomteeltvisie, in algemene regels heeft willen opnemen. De raad heeft de in dit beleid omschreven waarden, waaronder dassen en -burchten, willen beschermen door in het plan beperkingen op te nemen, zoals een zogenoemd omgevingsvergunningstelsel, voor activiteiten in het plangebied. Dit acht de Afdeling in beginsel aanvaardbaar.

    Bij het voorbereiden en vaststellen van een plan kan de raad echter niet volstaan met het vastleggen van die waarden in het plan en het voorzien in regels die die waarden beschermen. De raad dient de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren, de belangen die betrokken zijn bij het plan af te wegen en deze afweging én het resultaat kenbaar te motiveren. Dat is, zo is door de raad ter zitting ook onderkend, niet gebeurd. Het feitelijke gebruik, de vergunde situaties en de planologische situatie op de gronden van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] zijn niet betrokken. Evenmin zijn de gevolgen van de in het plan "Boomteelt" opgenomen beperkingen voor de bestaande rechten van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] en voor het bestaande gebruik op hun gronden in beeld gebracht, dan wel meegewogen. Dit klemt te meer nu in het plan potentieel vergaande beperkingen van het legaal bestaand en voorheen bestemd gebruik op de gronden van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] zijn opgenomen. Het gaat daarbij onder meer om het opleggen van een vergunningplicht voor gebruik voor boomteelt waar dat in het voorheen geldende plan rechtstreeks en zonder voorbehoud was toegestaan op hun gronden en ook is onduidelijk of de door appellanten toegepaste wisselteelt op hun gronden zoals die voorheen was toegestaan nog steeds is toegestaan.

5.3.    In hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 juli 2017, voor zover het hun gronden betreft, in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] zijn gegrond, zodat het besluit van 4 juli 2017 in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

6.    [appellant sub 2] voert aan dat sprake is van bestaand legaal gebruik voor boomteelt dat als zodanig had moeten worden bestemd. Het plan moet daarom bij recht voorzien in gebruik voor boomteelt op een deel van zijn agrarische gronden ter hoogte van de [locatie] te Escharen. Volgens hem had daartoe in dit plan  de aanduiding "overige zone - boomteelt" aan die gronden toegekend moeten worden. Daarbij is er voor zijn gronden geen aanleiding om boomteelt ter plaatse uit te sluiten vanwege waardevolle cultuurlandschappen of nabijgelegen woningbouwontwikkeling.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat de raad in het voorliggende plan niet heeft voorzien in rechtstreekse gebruiksmogelijkheden voor boomteelt op de gronden van [appellant sub 2]. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat, anders dan [appellant sub 2] stelt, geen sprake is van bestaande rechten voor dit gebruik op bedoelde gronden. In het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 is aan bedoelde gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met onder meer de aanduidingen "groenblauwe mantel" en "cultuurhistorisch waardevol gebied" toegekend. De planregels staan boomteelt bij gronden met die bestemming en aanduidingen niet bij recht toe. Voorts blijkt uit de stukken en is ter zitting door [appellant sub 2] bevestigd, dat zijn gronden niet in gebruik zijn of waren voor boomteelt. Het ter plaatse stallen of opslaan van elders geteelde bomen in pot, is niet als zodanig gebruik aan te merken.

    Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten afwijken van het door hem gehanteerde uitgangspunt dat nieuw gebruik voor boomteelt niet wordt toegestaan. De enkele stelling van [appellant sub 2] dat er geen sprake is van nabijgelegen woningbouwontwikkeling maakt dat niet anders. Voor zover [appellant sub 2], zonder onderbouwing, stelt dat zijn gronden geen deel uitmaken van een waardevol cultuurlandschap, wijst de Afdeling er op dat in het plan "Buitengebied" uit 2013 aan [appellant sub 2]’ gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met onder meer de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied" is toegekend. Gelet op de planregels bij dat plan zijn deze gronden daarmee juist aangewezen voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van cultuurhistorisch waardevolle gebieden.

    Het betoog faalt.

6.2.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Opdracht en proceskosten

7.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in de elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 15 mei 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, Herziening 2018" gegrond;

II.    vernietigt dat besluit voor zover het betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 1], [appellante sub 3] en [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B];

III.    verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 3] tegen het besluit van 4 juli 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Boomteelt" gegrond;

IV.    vernietigt dat besluit voor zover het betrekking heeft op de gronden van [appellante sub 1] en [appellante sub 3];

V.    verklaart het beroep van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 4 juli 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Boomteelt" ongegrond;

VI.    draagt de raad van de gemeente Grave op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II en IV, worden verwerkt in de elektronisch vastgestelde plannen die te raadplegen zijn op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Grave tot vergoeding van de bij:

a. [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellante sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 45,10 (zegge: vijfenveertig euro en tien cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Grave aan:

a. [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt;

b. [appellante sub 3] het door haar voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt:

c. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderddrieëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, griffier.

w.g. Uylenburg

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019

458-880.