Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:332

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201803756/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Cruquius Wickevoort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803756/1/R1.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], handelend onder de naam "[bedrijf]" (hierna: [appellant sub 1]), gevestigd te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

2.    [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en anderen (hierna tezamen: [appellante sub 2] en anderen), wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

3.    Vereniging van Eigenaars gebouwen la Vista en anderen (hierna tezamen: Vereniging la Vista en anderen), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

4.    [appellant sub 4] en anderen (hierna tezamen: [appellant sub 4] en anderen), wonend te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

5.    [appellant sub 5], wonend te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer,

6.    Vereniging Haarlemmermeersche Golfclub en De Groene Weelde B.V. (hierna tezamen: Golfclub en De Groene Weelde), gevestigd te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Cruquius Wickevoort" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, Vereniging la Vista en anderen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en Golfclub en De Groene Weelde beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 4] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2018, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.T.M. Lagerweij, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, [appellante sub 2] en anderen, bij monde van [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B], Vereniging la Vista en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.T.M. Lagerweij, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, [appellant sub 4] en anderen, bij monde van [appellant sub 4], Golfclub en De Groene Weelde, vertegenwoordigd door mr. Th. F. Roest, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Sietinga, ing. C.M.M. Blankestijn, R. Froma en S. Azouagh, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord AM B.V., vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde] en Epilepsie Expertisecentrum Sein, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de bouw van maximaal 756 woningen en in de realisatie van maatschappelijke en commerciële voorzieningen aan de noordzijde van de kern Cruquius.

2.    [appellant sub 1] exploiteert een bedrijf in de omgeving van het plangebied en vreest onder meer voor negatieve gevolgen voor zijn bedrijfsvoering. Golfclub en De Groene Weelde exploiteren een golfbaan in de nabijheid van het plangebied en vrezen voor gevaarzetting ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" en de bestemming "Groen" als gevolg van het golfspel. Voor zover de beroepen zijn ingesteld door natuurlijke personen, wonen zij in de nabijheid van het plangebied aan de Spieringweg en Cruquiusdijk te Cruquius. Vereniging la Vista behartigt de belangen van de eigenaren van het gebouw La Vista aan de Cruquiusdijk. [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en Vereniging la Vista en anderen richten zich voornamelijk tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer". Zij vrezen onder meer voor aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van verkeersoverlast.

Ontvankelijkheid

3.    AM B.V. betwist de ontvankelijkheid van [appellant sub 4] en anderen, voor zover het beroep mede is ingesteld namens de bewoners van de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8]. Daartoe voert zij aan dat in het beroepschrift van [appellant sub 4] en anderen is vermeld dat tevens beroep wordt ingesteld namens bewoners aan de Cruquiusdijk te Cruquius, zonder dat de machtigingslijst tijdig kenbaar is gemaakt. In dit verband verwijst AM B.V. naar de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2562.

4.    De Afdeling overweegt dat anders dan in de genoemde uitspraak de identiteit van de personen namens wie [appellant sub 4] beroep heeft ingesteld tijdens de beroepstermijn kenbaar is gemaakt. In het beroepschrift heeft hij daartoe verwezen naar de als bijlage bij het beroepschrift gevoegde lijst in de zienswijze met namen, adressen en handtekeningen. Bij brief van 5 juni 2018 heeft de Afdeling [appellant sub 4] als ondertekenaar van het beroepschrift in de gelegenheid gesteld een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd was beroep in te stellen namens de in de bijlage bij het beroepschrift genoemde personen. Binnen de door de Afdeling daartoe gestelde termijn heeft de Afdeling een ondertekende machtiging van deze personen ontvangen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen niet-ontvankelijk is.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Verkeer

6.    [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, Vereniging la Vista en anderen en [appellant sub 5] voeren aan dat het "Verkeersonderzoek Cruquiusterrein, Haarlemmermeer" van 7 september 2009, opgesteld door Goudappel Coffeng (hierna: het verkeersonderzoek) niet actueel is waardoor onzeker is of de capaciteit van de Spieringweg en het kruispunt N201 - Spieringweg voldoende is voor de verkeersafwikkeling. [appellant sub 1] en Vereniging la Vista en anderen wijzen in dit verband op de motie "Eerst bewegen dan Wickevoort" (hierna: de motie), die de raad op 22 maart 2018 heeft aangenomen, waaruit naar voren komt dat geen verkeerstellingen zijn gedaan in de omgeving van het plangebied. Volgens [appellant sub 1] en Vereniging la Vista en anderen erkent de raad met deze motie dat het plan is vastgesteld zonder dat er voldoende inzicht bestaat over de te verwachten verkeersbewegingen in of rondom het plangebied. Daarnaast vrezen Vereniging la Vista en anderen voor sluipverkeer, dat via de dijk het plangebied zal proberen te bereiken of te verlaten. Ter zitting hebben [appellante sub 2] en anderen betoogd dat het verkeersonderzoek "Cruquius Wickevoort, Verkeersanalyse en fietsverbinding" (hierna: de verkeersanalyse), van 27 september 2018, opgesteld door Royal HaskoningDHV, niet kan worden aangemerkt als een nieuw integraal verkeersonderzoek op basis van actuele verkeerstellingen. Volgens [appellante sub 2] en anderen is met deze verkeersanalyse geen uitvoering gegeven aan hetgeen in de motie staat. Voorts hebben zij ter zitting aangevoerd dat in de onderzoeken geen rekening is gehouden met voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

6.1.    In het verkeersonderzoek staat dat het verkeer vanaf het Cruquiusterrein via de Spieringweg kan worden ontsloten op de N201. Voorts wordt in het verkeersonderzoek voorgesteld om ten behoeve van de kruising N201 met de Cruquiusdijk een fiets- of voetgangerstunnel langs de Ringvaart onder de brug door te laten lopen, op de kruising N201 - Spieringweg het aantal opstelstroken uit te breiden en op de kruising N201 - Leenderbos een extra rechtsafstrook aan te leggen. Daarnaast wijst de raad op de bij besluit van 22 september 2016 vastgestelde "Bereikbaarheidsstrategie Cruquius", waarin de raad heeft besloten dat de ontsluiting van Cruquius Wickevoort primair via de Spieringweg naar de N201 loopt en de raad in aanmerking heeft genomen dat het aantal voertuigbewegingen per etmaal onder de vierduizend blijft. Verder wijst de raad op de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" van 31 januari 2018, opgesteld door Goudappel Coffeng, waarin staat dat het kruispunt N201 - Spieringweg met de huidige vormgeving het verkeer binnen de maximaal acceptabele 120 seconden kan verwerken. In dit verband licht de raad toe dat de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" gebaseerd is op het verkeersmodel Noord-Holland Zuid 2.3 van oktober 2017, dat uitgaat van een scenario met een maximale verkeersgeneratie en belasting van de kruising Spieringweg - N201 en dientengevolge een goed beeld geeft van de te verwachten maximale verkeersintensiteit. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat met het verkeersmodel dat ten grondslag ligt aan de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" de verkeersvoorspelling op basis van tellingen bij verkeersregelinstallaties wordt gekalibreerd, waarbij één van de telinstallaties zich op het kruispunt Spieringweg - N201 bevindt. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 2] en anderen dat geen rekening is gehouden met de voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied, heeft de raad toegelicht dat in de aan het plan ten grondslag gelegde "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" zowel voorziene ontwikkelingen in het plangebied zijn betrokken, zoals onder andere de Cruquius woningbouw ten zuiden van de N201 en de nieuwe bouwmarkt te Cruquius, en is uitgegaan van een hoge bevolkings- en economische groei. De raad stelt zich op het standpunt dat het kruispunt N201 - Spieringweg met de huidige vormgeving het verkeer kan verwerken, maar niettemin ten behoeve van de verbetering van de verkeerssituatie wat betreft de wachtrijlengte een extra opstelvak op de Spieringweg en een fietspad dienen te worden gerealiseerd. Verder ziet de raad geen grond voor de vrees voor sluipverkeer, nu voorzien is in de aanleg van een extra, derde, opstelstrook bij de kruising N201-Spieringweg. Daarnaast licht de raad toe dat de Spieringweg vanaf de N201 tot en met de noordelijke aansluiting van Cruiquius Wickevoort wordt verbreed naar 6 m. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat voor incidentele piekbelastingen van de infrastructuur op verkeersmanagement wordt ingezet, zoals het tijdelijk afsluiten van wegen en dat indien nodig verkeersregelaars worden ingezet. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat naar aanleiding van de motie de verkeersanalyse is uitgevoerd. In de verkeersanalyse staat dat de verhoudingen van de verkeersintensiteiten in het verkeersmodel uit 2014 overeenkomen met de verkeerstellingen van mei 2018. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat uit de verkeersanalyse aldus volgt dat de verkeerstellingen die aan het plan ten grondslag liggen, representatief zijn. Wat de motie betreft stelt de raad zich op het standpunt dat hetgeen in de motie staat over het verkeersonderzoek betrekking heeft op een mogelijke verbetering van de situatie en op de vraag of andere verkeersmaatregelen nodig zijn ten behoeve van ontwikkelingen die na de vaststelling van het onderhavige plan in procedure worden gebracht. Hetgeen in de motie staat over het verkeersonderzoek heeft betrekking op toekomstige ontwikkelingen en ziet niet op de vaststelling van het onderhavige plan, aldus de raad.

6.2.    In hetgeen [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, Vereniging la Vista en anderen en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op de door de raad gegeven toelichting geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het verkeersonderzoek en de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" niet in onderlinge samenhang aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan is betoogd, acht de Afdeling het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek voldoende actueel. [appellante sub 2] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat andere voorziene ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied ten onrechte niet in de onderzoeken die aan het plan ten grondslag liggen, zijn betrokken. De Afdeling overweegt dat evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Verkeer" geen onaanvaardbare verkeersgevolgen heeft ter plaatse van de percelen van appellanten. Daarbij betrekt de Afdeling dat de voorziene ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied in de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" zijn betrokken en gebruik is gemaakt van een zogenoemde "worst-case" benadering. Ook neemt de Afdeling daarbij in ogenschouw dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat één van de verkeerstelinstallaties die zijn gebruikt ten behoeve van de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg" zich bevindt op het kruispunt Spieringweg - N201. Daaruit leidt de Afdeling af dat de raad verkeerstellingen heeft laten uitvoeren. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat de verhoudingen van de verkeersintensiteiten uit de verkeersmodellen die ten grondslag liggen aan het verkeersonderzoek en de "Kruispuntanalyse N201 - Spieringweg", zijn vergeleken met de verkeerstellingen van mei 2018. Volgens de verkeersanalyse komen de verhoudingen van de verkeersintensiteiten uit voornoemde verkeersmodellen overeen met de huidige situatie. Gelet op het voorgaande is het niet aannemelijk dat het plan sluipverkeer tot gevolg heeft. Verder overweegt de Afdeling dat de inhoud en strekking van de motie geen aanleiding geven voor het oordeel dat de raad het plan heeft vastgesteld zonder voldoende onderzoek te verrichten naar de te verwachten verkeersbewegingen in het plangebied.

    De betogen falen.

Maaiveld

7.    [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat een vaststelling van de gemiddelde peilmaat van het huidige maaiveld ten opzichte van het N.A.P ontbreekt. De definitie van het begrip "maaiveld", in artikel 1 van de planregels, dient volgens hen te worden gewijzigd. Ter zitting hebben [appellant sub 4] en anderen betoogd dat alvorens het gebied wordt opgehoogd en de werkzaamheden aanvangen het peil vastgesteld dient te worden aan de hand van de hoogte van het gemiddelde maaiveld, te weten - 3,96 m van het N.A.P, zodat voorkomen wordt dat voor elk bouwwerk een ander peil wordt aangehouden.

7.1.    Artikel 1 van de planregels luidt:

"[…]maaiveld: de bovenkant van het oorspronkelijke dan wel (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein waar een gebouw zal worden opgericht.

[…]"

    Artikel 2 van de planregels luidt:

"Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

[…]

peil:

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);

voor een bouwwerk op een viaduct of brug: de hoogte van de kruin van het viaduct of de brug ter plaatse van het bouwwerk.

[…]"

7.2.    De raad stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop het peil wordt gemeten in artikel 2 van de planregels is omschreven en derhalve objectief bepaalbaar is vastgelegd en geborgd is in de planregels. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat ten behoeve van de egalisatie en verhoging van het terrein van de noordelijke kavel het huidige terrein tussen de 60 cm en 1 m wordt verhoogd. Daarnaast wijst de raad erop dat het stedenbouwkundig plan erin voorziet om grotere gebouwen aan de noordzijde van de noordelijke kavel op een terp van circa 40 cm hoog te realiseren. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het maaiveld in totaal tussen 60 cm tot 1,40 m wordt verhoogd, hetgeen reeds bekend was ten tijde van de vaststelling van het plan en geen uitzonderlijke bouwhoogte oplevert voor de inrichting van een woongebied, aldus de raad.

7.3.    De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 2 van de planregels de bouwhoogte van bouwwerken wordt gemeten vanaf het peil. Het begrip "peil" is in artikel 2 van de planregels voor verschillende soorten gevallen omschreven. Voor een bouwwerk zijn, onder meer omdat de hoofdtoegang zowel direct aan de weg als niet direct aan de weg kan grenzen, verschillende omschrijvingen van belang. Zo is in artikel 2 van de planregels bepaald dat het peil voor bouwwerken waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw is. Dit is geen ongebruikelijke en geen rechtsonzekere regeling. Vergelijk de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:246, r.o. 18.1. Ook is niet onduidelijk hoe het maaiveld moet worden bepaald. Van belang daarbij is dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het maaiveld op de te bebouwen grond maximaal 1,4 m wordt verhoogd ten opzichte van het peil ter plaatse van de noordzijde van de noordelijke kavel van het plangebied. In hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan terzake van het aan te houden peil ter plaatse van de voorziene bebouwing leidt tot rechtsonzekerheid. Daarbij heeft de raad in redelijkheid mogen betrekken dat het maaiveld 60 cm tot 1 m wordt verhoogd ten behoeve van de egalisatie en verhoging van het terrein van de noordelijke kavel en 1 m tot 1,40 m wordt verhoogd ten behoeve van de realisatie van gebouwen op een terp ter plaatse van de noordzijde van de noordelijke kavel.

    Het betoog faalt.

Nota van Uitgangspunten

8.    Vereniging la Vista en anderen verzetten zich tegen de in het plan voorziene wijzigingsbevoegdheid om woningbouw mogelijk te maken ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" ten westen van de bosgordel. Zij voeren aan dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" heeft vastgesteld in strijd met de "Nota van Uitgangspunten Terreinontwikkeling Cruquiushoeve" (hierna: de Nota van Uitgangspunten), waarin staat dat de gronden in de zuidwestelijke hoek buiten de bosgordel uitsluitend worden aangewezen als gebied voor groen en recreatieve verbindingen. Ter zitting hebben Vereniging la Vista en anderen aangevoerd dat de afwijking van de Nota van Uitgangspunten ondeugdelijk is gemotiveerd en geen rekening is gehouden met een goede landschappelijke inpassing. Verder wijzen Vereniging la Vista en anderen erop dat het college van gedeputeerde staten geen goedkeuring heeft willen geven aan het bestemmingsplan "Cruquius 1968", vastgesteld bij besluit van de raad van 1 augustus 1968, dat voorzag in de realisatie van woningbouw ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het plangebied. Volgens Vereniging la Vista en anderen volgt uit paragraaf 6.2.2 van de plantoelichting dat de voorkeur van het college van gedeputeerde staten niet uitgaat naar woningbouw binnen het hiervoor bedoelde plandeel.

8.1.    De raad heeft op 1 juni 2006 de Nota van Uitgangspunten vastgesteld. In vervolg op de Nota van Uitgangspunten is op 23 december 2009 het "Masterplan Cruquiushoeve - samen wonen in het park" (hierna: het Masterplan) vastgesteld door SEIN, waarin - anders dan in de Nota van Uitgangspunten - niet langer het uitgangspunt geldt om geen woningbouw te realiseren ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het plangebied.  Vervolgens is de "Structuurvisie Haarlemmermeer 2030" (hierna: de Structuurvisie), door de raad vastgesteld bij besluit van 18 oktober 2012, waarin in overeenstemming met de Nota van Uitgangspunten de ontwikkeling van woningbouw in de zuidwestelijke hoek van het plangebied niet is meegenomen.

8.2.    Het plan voorziet in de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" met de gebiedsaanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied 1", waardoor het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de planregels de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" kan wijzigen in de bestemming "Woongebied - 2" ten behoeve van de ontwikkeling van een woongebied.

8.3.    Het plan wijkt volgens de raad af van de Structuurvisie en de Nota van Uitgangspunten. De raad stelt zich op het standpunt dat toekomstige woningbouw ter plaatse van gronden binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" ten westen van de bosgordel desalniettemin toelaatbaar is op voorwaarde dat de woningbouw plaatsvindt op grond van een integrale afweging waarin de planontwikkeling van Haarlemmermeer-West, samenhangende infrastructuur en ideeën voor een museumpark bij het gemaal Cruquius worden betrokken. Voorts licht de raad toe dat het plandeel in de zuidwestelijke hoek van het plangebied de mogelijkheid biedt om invulling te geven aan een meer landelijk woonmilieu naast de overige ontwikkeling van het terrein De Cruquiushoeve en de noordelijke kavel met een dorps-landelijk woonmilieu. In dit kader stelt de raad zich op het standpunt dat woonbebouwing op deze locatie eveneens past binnen het streven naar integratie tussen de woningbouwontwikkeling en de omgeving van het museum.

8.4.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen Vereniging la Vista en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de vaststelling van het plan in afwijking van de Structuurvisie en de Nota van Uitgangspunten onvoldoende heeft gemotiveerd. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling er in redelijkheid voor kunnen kiezen om ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" ten westen van de bosgordel, via toepassing van de in het plan voorziene wijzigingsbevoegdheid, woningbouw toe te staan. Ten aanzien van het betoog van Vereniging la Vista en anderen dat de landschappelijke inpassing van het plangebied niet voldoende is verzekerd, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat woningbouw ter plaatse van de gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet passend is in de omgeving. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan voorziet in de bestemming "Groen" aan drie zijden van de omliggende gronden.

    Aan de omstandigheid dat goedkeuring was onthouden aan het bestemmingsplan "Cruquius 1968" waarin werd voorzien in woningbouw ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het plangebied, komt thans geen betekenis meer toe. Daarbij is van belang dat de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden kan vaststellen. Wat betreft het betoog van Vereniging la Vista en anderen dat uit de plantoelichting volgt dat het onderhavige plan niet de voorkeur van het college van gedeputeerde staten heeft, stelt de raad zich op het standpunt dat naar aanleiding van het commentaar van het college van gedeputeerde staten in het vooroverleg de plantoelichting is aangescherpt en het college van gedeputeerde staten zich vervolgens niet heeft verzet tegen de voorziene woningbouw ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Stadslandbouw" en de gebiedsaanduiding "wetgevingzone-wijzigingsgebied 1" ten westen van de bosgordel.

    Het betoog faalt.

Geluid

9.    [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat het voor hen niet duidelijk is wat de gevolgen van de ontwikkeling in het plangebied zullen zijn voor de geluidbelasting van hun woningen aan de Spieringweg. Zij voeren aan dat verouderde rekenmodellen ten grondslag liggen aan het rapport "Nieuwbouwplan Landgoed Wickevoort - Erratum" van 7 april 2017, opgesteld door SWECO (hierna: het geluidonderzoek).

9.1.    In het rapport "Nieuwbouw Landgoed Wickevoort, Reconstructieonderzoek Spieringweg" van 12 april 2017, opgesteld door SWECO (hierna: het geluidonderzoek Spieringweg) ten behoeve van de te verwachten geluidbelasting van de bestaande woningen aan de Spieringweg staat dat voor de bestaande woningen de maximale geluidbelasting op de gevel 59,3 dB(A) bedraagt, hetgeen volgens de raad binnen de kaders van de Wet geluidhinder valt. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 2] en anderen dat het geluidonderzoek gebaseerd is op verouderde gegevens, licht de raad toe dat bij het teljaar 2025 een factor autonome groei van 1,5% per jaar is opgeteld voor het maatgevende jaar 2028, zodat het geluidonderzoek uitgaat van de juiste verkeersintensiteiten in de maatgevende jaren. [appellante sub 2] en anderen hebben de berekeningen in de rapporten niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet gelet op het geluidonderzoek en het geluidonderzoek Spieringweg in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het geluidniveau als gevolg van het plan ter plaatse van de woningen aan de Spieringweg 658, 660, 700, 720, 722 en 726 te Cruquius niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft mogen achten.

    Het betoog faalt.

Bedrijfsvoering [appellant sub 1]

10.    [appellant sub 1] betoogt dat ophoging van het maaiveld tot gevolg heeft dat de toegestane bouwhoogte toeneemt en geluidweerkaatsing ontstaat, nu zijn bedrijf regelmatig geluid produceert en die geluidoverlast zal leiden tot klachten van de nieuwe gebruikers van de gronden binnen het plangebied. Hij vreest als gevolg daarvan negatieve effecten op zijn bedrijfsvoering. In dit verband voert [appellant sub 1] aan dat - gelet op de definiëring van de begrippen "maaiveld" en "peil" in de planregels - het onduidelijk is wat de toegestane maximale bouwhoogte van de gestapelde woningbouw tegenover zijn bedrijfsruimte ter plaatse van Spieringweg 660 te Cruquius is.

10.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting toepassing is gegeven aan de richtwaarden voor geluid uit de VNG-handreiking "Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). De raad heeft ter zitting toegelicht dat voor bedrijven van milieucategorie 3.1 in de VNG-brochure een richtafstand van 50 m wordt aanbevolen. De raad stelt zich op het standpunt dat ten opzichte van het perceel van [appellant sub 1] aan de richtafstand van 50 m wordt voldaan, aangezien de gestapelde bouw wordt gerealiseerd op ongeveer 62 m afstand vanaf de voorste perceelgrens van [appellant sub 1]. Gelet op de afstand die in de VNG-brochure is aanbevolen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor onaanvaardbare geluidoverlast als gevolg van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] behoeft te worden gevreesd. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat de toegestane maximale bouwhoogte ter plaatse van het perceel tegenover zijn bedrijfsruimte onduidelijk is, heeft de Afdeling hiervoor onder 7.3 overwogen dat de definiëring van de begrippen "maaiveld" en "peil" in artikel 1 en 2 van de planregels niet rechtsonzeker is.

    Het betoog faalt.

Lichthinder

11.    [appellante sub 2] en anderen voeren aan dat de ontsluiting van het plangebied op de Spieringweg leidt tot lichthinder van inschijnende koplampen. In dit verband betogen [appellante sub 2] en anderen dat de ontsluiting via het terrein van de sociale werkplaats van Paswerk verplaatst dient te worden naar de noordzijde van het plangebied, temeer nu onduidelijk is of Paswerk medewerking verleent aan de beoogde ontsluiting van het plangebied op de Spieringweg.

11.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde ontsluiting van het plangebied op de Spieringweg niet leidt tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van Spieringweg 720 te Cruquius. Hierbij is in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat het mogelijk is om door middel van maatregelen, zoals de realisatie van beplantingen en het vlak maken van de uitrit vanuit het plangebied, te voorkomen dat dergelijke hinder ontstaat als gevolg van koplamplichten. De vraag of Paswerk medewerking verleent aan de beoogde ontsluiting behoeft in dit verband geen bespreking.

    Het betoog faalt.

Gevaar

12.    Golfclub en De Groene Weelde vrezen voor gevaarzetting voor gebruikers van de gronden binnen het plangebied ten gevolge van het golfspel op hun golfterrein. Hierbij betogen zij dat op de gronden grenzend aan het golfterrein met de bestemmingen "Agrarisch - Stadslandbouw" en "Groen" verschillende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd, zoals wandel- en fietspaden.

12.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het belang van de veiligheid van de toekomstige gebruikers binnen het plangebied niet een aan Golfclub en De Groene Weelde toe te rekenen belang is, zodat artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan een mogelijke vernietiging van het besluit op deze grond in de weg staat. In dit verband stelt de raad zich op het standpunt dat het tot de verantwoordelijkheid van Golfclub en De Groene Weelde behoort om te voorkomen dat gevaarzetting plaatsvindt.

12.2.    De Afdeling stelt voorop dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb zich er niet tegen verzet dat Golfclub en De Groene Weelde zich in deze procedure beroepen op normen die de belangen van de toekomstige gebruikers van de gronden binnen het plangebied bij een goed woon- en leefklimaat beogen te beschermen, aangezien niet valt uit te sluiten dat gevaarzetting als gevolg van afzwaaiende golfballen buiten het golfterrein kan leiden tot een beperking van de exploitatiemogelijkheden van Golfclub en De Groene Weelde.

    Wat betreft de gevaarzetting binnen het plangebied ten gevolge van het golfspel, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijke risico’s voor gebruikers van de gronden binnen het plangebied als gevolg van het golfspel niet zodanig zijn dat de raad niet de bestemmingen "Agrarisch - Stadslandbouw" en "Groen" aan deze gronden had mogen toekennen. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in ogenschouw dat niet is gebleken dat het bestaande wandel- en fietspad binnen het golfterrein heeft geleid tot gevaarzetting als gevolg van het golfspel. Golfclub en De Groene Weelde hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene ontwikkelingen binnen het plangebied nopen tot maatregelen die de exploitatie van de golfbaan belemmeren.

    Het betoog faalt.

Conclusie

13.    De beroepen zijn ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Zwemstra

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

91-889.