Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201807835/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om een verklaring van vakbekwaamheid als psychotherapeute afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807835/1/A2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2018 in zaak nr. 17/8140 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, thans:

de minister voor Medische Zorg.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om een verklaring van vakbekwaamheid als psychotherapeute afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2017 heeft de minister opnieuw besloten op het daartegen gemaakte bezwaar van [appellante] en dit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2019, waar [appellante], bijgestaan door haar [echtgenoot], de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. M.L. Bosman-Schouten, en [voorzitter] van de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (hierna: de CBGV), zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in de Verenigde Staten gewoond en gewerkt. Zij wil in Nederland gaan werken als psychotherapeut. Bij formulier van 4 juli 2012 heeft zij de minister daarom verzocht om een verklaring van vakbekwaamheid ten behoeve van registratie in het zogenoemde "BIG-register" als psychotherapeut.

2.    Volgens de aanvraag heeft [appellante] in 1975 in Nederland een akte als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs, in 1981 de M.O.-A akte pedagogiek en in 1983 haar diploma van volledig bevoegd onderwijzer behaald. Vanaf 7 september 1989 heeft [appellante] de opleiding "Master of Arts in Counseling Psychology" aan het "Pacifica Graduate Institute" in de Verenigde Staten gevolgd, waarvan zij op 24 mei 1992 het diploma heeft behaald. In de aanvraag is vermeld dat zij tijdens de opleiding beroepservaring heeft opgedaan in het "Family Service Center" te Fresno en in de periode van 16 november 1992 tot 1 januari 1997 beroepservaring heeft opgedaan in het "San Joaquin Psychotherapy Center" te Fresno. In 1997 heeft zij van de Board of Behavioral Sciences van de staat Californië (hierna: de BBS) een licentie behaald om als "Marriage, Family and Child Counselor" (hierna: de licentie) te werken. [appellante] heeft volgens haar curriculum vitae sinds 1992 ook haar eigen psychotherapiepraktijk in de Verenigde Staten.

3.    De Nuffic heeft op verzoek van de minister een advies over de diplomawaardering uitgebracht. In het advies van 11 juli 2013 is vermeld dat de opleiding waarmee [appellante] de graad van "Master of Arts in Counseling Psychology" heeft behaald een nominale studieduur van twee jaar heeft. De Nuffic heeft geen algemeen prestatieniveau van die opleiding kunnen geven omdat het opleidingsinstituut nog niet officieel was geaccrediteerd in de periode dat [appellante] de opleiding volgde.

4.    De minister heeft de aanvraag van [appellante] voor advies aan de CBGV voorgelegd. Op basis van het advies van de CBGV van 10 december 2013 heeft de minister [appellante] bij brief van 27 februari 2014 bericht dat hij het voornemen heeft de aanvraag af te wijzen. Hierbij is betrokken dat de door [appellante] gevolgde opleiding een nominale studieduur van twee jaar heeft, terwijl die van de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut met inbegrip van de vereiste universitaire vooropleiding acht jaar bedraagt. Volgens de CBGV bestaan bij de door [appellante] gevolgde opleiding zowel qua inhoud als niveau ernstige tekortkomingen die niet zijn gecompenseerd door de door haar gevolgde scholing noch door haar praktijk- en beroepservaring. De minister heeft [appellante] aangeraden bij een Nederlandse opleidingsinstelling de opleiding van psychotherapeut te volgen en het diploma hiervan te behalen.

5.    [appellante] heeft in haar zienswijze hierop bij brief van 20 mei 2014 verwezen naar het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 augustus 2011 waarin haar op grond van de door haar behaalde graad "Master of Arts in Counseling Psychology" toestemming is verleend de titel doctorandus te voeren. Verder heeft [appellante] de door haar beklede posities naar voren gebracht en verwezen naar een aanbevelingsbrief van Brian Eliott Feldman, Ph.D (hierna: Feldman). [appellante] heeft ook vermeld dat zij 3.000 uren onder supervisie heeft gewerkt en mondeling en schriftelijk examen heeft gedaan bij de BBS om de licentie in 1997 te behalen, waarna zij nog 306 uren opleiding heeft gevolgd op het gebied van de psychotherapie. Voorts heeft zij erop gewezen dat zij 17 jaren ervaring heeft opgedaan met het verlenen van psychotherapie in verschillende settings. De verklaring van vakbekwaamheid is dan ook ten onrechte afgewezen, aldus de zienswijze van [appellante].

6.    De CBGV heeft in reactie op de zienswijze van [appellante] bij nader advies van 18 november 2014 geconcludeerd dat zij met haar masterdiploma een opleidingstitel heeft die vergelijkbaar is met het diploma dat aan het einde van de universitaire opleiding in Nederland wordt afgegeven. [appellante] is volgens de CBGV niet in het bezit van een diploma dat vergelijkbaar is met dat wat aan het einde van de vierjarige postmasteropleiding tot psychotherapeut wordt afgegeven. Weliswaar heeft zij in 1997 de licentie behaald als "Marriage, Family and Child Counselor"  op grond van haar werkervaring, gevolgde cursussen en supervisie, maar dat is geen diploma dat aan het einde van een formele opleiding wordt gegeven.     De CBGV heeft een bijlage bij het advies gevoegd waarin is vermeld op welke onderdelen van de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut bij [appellante] tekortkomingen bestaan en of deze geheel, deels of niet zijn gecompenseerd door latere opleiding of door praktijk- of beroepservaring. Op basis hiervan heeft de CBGV geconcludeerd dat de vakbekwaamheid van [appellante] niet gelijkwaardig is en dat de afwijzing van de aanvraag moet worden gehandhaafd.

De CBGV heeft het advies echter bijgesteld, in die zin dat [appellante] in aanmerking kan komen voor een verklaring van vakbekwaamheid als zij een aanvullende opleiding van twee jaar volgt, die bestaat uit in totaal 24 maanden werk in een psychotherapiepraktijk (onder supervisie), bij voorkeur verbonden aan een opleidingsinstelling. Volgens de CBGV dient de scholing en supervisie, verspreid over de twee jaar opleiding, te omvatten:

- basis- en verdiepingscursus cognitieve gedragstherapie en 25 supervisiesessies op dit gebied;

- verdiepingscursus schematherapie en 25 supervisiesessies op dit gebied;

- inleiding psycho-analytische therapie en 25 supervisiesessies op dit gebied.

7.    De minister heeft onder verwijzing naar de adviezen van de CBGV van 10 december 2013 en 18 november 2014 de aanvraag van [appellante] afgewezen bij het besluit van 18 december 2014. Daarbij is vermeld dat [appellante] de verklaring van vakbekwaamheid ontvangt nadat zij het gestelde traject van 24 maanden met goed gevolg heeft afgerond.

Vorige procedure over de ontvankelijkheid van het bezwaar

8.    De minister heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard bij het besluit van 8 september 2015 omdat het te laat is ingediend. Nadat [appellante] tevergeefs beroep hiertegen heeft ingesteld, heeft de Afdeling het besluit vernietigd bij uitspraak van 7 oktober 2016 in zaak nr. 201603247/2/A2.

Nieuw besluit op bezwaar van 27 oktober 2017

9.    De minister heeft [appellante] na deze uitspraak van de Afdeling bij brief van 20 december 2016 bericht dat naar aanleiding van haar bezwaarschrift een volledige herbeoordeling zal plaatsvinden. [appellante] heeft, na hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, nadere bewijsstukken overgelegd en is in bezwaar gehoord. Om de gelijkwaardigheid aan te tonen heeft [appellante] gewezen op het Handboek van de BBS. Verder heeft zij onder meer naar voren gebracht dat zij zowel in Californië als aan de Universiteit van Tilburg colleges heeft gegeven, nu 25 jaren ervaring heeft in Californië als psychotherapeut, patiënten behandelt met diagnoses in de zin van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en voor het behoud van haar licentie elke twee jaar 36 uren nascholing volgt.

10.    De CBGV heeft nadere adviezen uitgebracht op 24 maart 2017, 6 juli 2017, en 19 september 2017. In het nadere advies van 6 juli 2017 is de CBGV ingegaan op het bezwaarschrift van [appellante]. De CBGV heeft het advies tot afwijzing van de aanvraag van 18 november 2014 gehandhaafd en dit advies voor het overige bijgesteld, in die zin dat de verdiepingscursus schematherapie en bijbehorende 25 supervisiesessies zijn komen te vervallen. De CBGV heeft op grond van de nieuwe informatie geconcludeerd dat de tekortkomingen voldoende kunnen worden gecompenseerd door de basis- en verdiepingscursus cognitieve gedragstherapie en daarbij behorende supervisiesessies. Verder kunnen de cursus inleiding psychoanalytische therapie en daarbij behorende 25 supervisiesessies worden vervangen door een cursus toepassing psychoanalytische therapie, bijvoorbeeld ‘mentalization based treatment of transferrence focused psychotherapy’, aldus het advies van 6 juli 2017.

11.    Bij het besluit van 27 oktober 2017 heeft de minister opnieuw besloten op het bezwaar van [appellante] en dit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de adviezen van de CBGV, in het bijzonder dat van 6 juli 2017. Daarbij heeft de minister vermeld dat [appellante] de verklaring van vakbekwaamheid ontvangt nadat zij het hierin gestelde traject van 24 maanden met goed gevolg heeft afgerond.

Hoger beroep

12.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de adviezen van de CBGV ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 27 oktober 2017. [appellante] merkt op dat uit de adviezen niet blijkt wie de deskundigen zijn en wat hun kwalificaties zijn. [appellante] voert verder aan dat de CBGV haar documenten onjuist heeft gewaardeerd. Naar [appellante] stelt, heeft de CBGV de documenten alleen maar tegen de meetlat van de Nederlandse opleidingseisen gelegd, zonder verdere inhoudelijke beoordeling. Onder verwijzing naar de door haar genoten opleidingen, haar ruime beroeps- en werkervaring, voert [appellante] aan dat haar kennis uitstijgt boven die van een psychotherapeut die zijn opleiding in Nederland net heeft afgerond. Voor het behalen van de licentie in 1997 heeft zij schriftelijk en mondeling examen gedaan bij de BBS. De eisen van de BBS, een overheidsorgaan, zijn volgens [appellante] vergelijkbaar met de Nederlandse eisen om een BIG-registratie te krijgen. Verder voert [appellante] aan dat zij niet slechts twee jaar supervisie heeft gehad, maar vijf jaar onder supervisie heeft gewerkt op verschillende locaties. Ter zitting heeft zij gesteld dat de supervisie plaatsvond onder autoriteit van het opleidingsinstituut en de overheid en inhield dat de behandeling van haar patiënten wekelijks vanuit verschillende oriëntaties met een klinisch psycholoog werd besproken. De door de CBGV geadviseerde aanvullende opleiding is, naar zij ter zitting heeft gesteld, heel basaal. Deze voegt niets toe aan haar kennis en ervaringsniveau, aldus [appellante].

Wettelijk kader

13.    De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling

Gereglementeerd beroep

13.1.    Het beroep van psychotherapeut is een gereglementeerd beroep. Daarvoor geldt, zoals volgt uit de geschiedenis van totstandkoming van deze wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31 059, nr. 3, blz. 2), dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan wettelijk is geregeld. Dat wil zeggen dat het beroep alleen mag worden uitgeoefend als men een in regelgeving vastgelegde nationale kwalificatie heeft behaald.

Opleidingseisen

13.2.    Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) wordt, om in het BIG-register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, het bezit van een getuigschrift vereist waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. Het Besluit psychotherapeut is deze algemene maatregel van bestuur. Als universitaire vooropleiding is op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit psychotherapeut vereist een afgeronde studie medicijnen, psychologie, pedagogiek of gezondheidswetenschappen met afstudeerrichting geestelijke gezondheidskunde. De postmasteropleiding tot psychotherapeut bestaat op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit psychotherapeut uit ten minste 3.680 uren, verdeeld over 1.280 uren theoretisch en praktisch onderwijs op het gebied van de psychotherapie en 2.400 uren werkervaring op het gebied van de psychotherapie.

Vermelding deskundige en kwalificatie

13.3.    [appellante] heeft een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG aangevraagd, omdat zij het getuigschrift van de door haar gevolgde opleiding in het buitenland heeft verkregen.

Op grond van artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid heeft de CBGV tot taak de minister over een dergelijke aanvraag te adviseren. Gelet op deze aanwijzing in die bepaling, is de CBGV dus een bij of krachtens wettelijk voorschrift met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluit belast college als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Op grond van artikel 3:8 van de Awb wordt in of bij het besluit de adviseur vermeld die advies heeft uitgebracht. Met de vermelding in het besluit dat de CBGV advies heeft uitgebracht heeft de minister aan deze verplichting voldaan.

13.4.    Voor zover het betoog van [appellante] over onduidelijkheid betreffende de leden van de CBGV en hun kwalificaties zo moet worden begrepen dat zij de deskundigheid van de CBGV in twijfel trekt, overweegt de Afdeling als volgt.

13.5.    De CBGV bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en uit minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per beroep van de in artikel 3, eerste lid, van de Wet BIG genoemde beroepen. De minister heeft in de schriftelijke uiteenzetting naar voren gebracht dat hij de leden van de CBGV benoemt. In de regel gebeurt dit op voordracht van een overkoepelende organisatie van beroepsbeoefenaren. Verder heeft de minister uiteengezet dat de commissie Psychotherapeut van de CBGV momenteel bestaat uit vier leden en vier plaatsvervangende leden, die ook worden betrokken bij de adviezen. De leden-deskundigen zijn volgens de minister deskundig ter zake van de opleiding tot het desbetreffende beroep of de uitoefening van dat beroep.

Met deze toelichting heeft de minister voldoende inzicht geboden in de wijze waarop de deskundigheid van de leden van de CBGV wordt geborgd. De Afdeling ziet geen grond tot een ander oordeel te komen dan in eerdere uitspraken, onder meer in de uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1269, is vervat, dat de CBGV is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van de waardering van de vakbekwaamheid van een buitenslands gediplomeerde.

Vergewisplicht minister

13.6.    Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3358) dient een bestuursorgaan zich ervan te hebben vergewist, indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is. Het laatste betekent dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar moet zijn.

Als het advies aan die eisen voldoet, mag het bestuursorgaan van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht (uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:420).

Werkwijze van de CBGV

13.7.     Gegeven het betoog van [appellante] dat de CBGV de documenten alleen tegen de meetlat van de Nederlandse opleidingseisen heeft gelegd, ligt ter beoordeling voor of de adviezen van de CBGV zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

13.8.    [appellante] is na vernietiging door de Afdeling van het eerdere besluit van 8 september 2015 in de gelegenheid gesteld nadere bewijsstukken over te leggen. De CBGV heeft de door [appellante] overgelegde bewijsstukken meegenomen in de advisering. [appellante] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de adviezen van de CBGV. Naar aanleiding van de reacties van [appellante] op de adviezen en haar bezwaarschrift heeft de CBGV het advies nader gemotiveerd. De CBGV heeft het advies ook meerdere malen, daar waar nodig, bijgesteld ten gunste van [appellante].

13.9.    De CBGV heeft in haar adviezen gesteld dat zij de door [appellante] gevolgde opleiding heeft vergeleken met de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut en, daar waar tekortkomingen zijn geconstateerd, aan de hand van de scholing, beroeps- en praktijkervaring van [appellante] heeft beoordeeld in welke mate deze tekortkomingen zijn gecompenseerd. Tevens heeft de CBGV gesteld dat zij zich een oordeel heeft gevormd over de eisen voor het verkrijgen van de bevoegdheid om het beroep uit te oefenen in Californië, waar [appellante] examen heeft afgelegd. Ter zitting heeft de CBGV verder naar voren gebracht dat als een aanvraag compleet is, deze op de vergadering, onder leiding van de voorzitter van de CBGV, wordt besproken. Het dossier van de aanvrager wordt naast de criteria van de opleiding gelegd en de niveaus worden vergeleken. Daarbij worden curricula van de opleidingen en de werkervaring betrokken. Zo nodig wordt de aanvrager gevraagd om bewijsstukken. Ook het advies van de Nuffic weegt mee. Het dossier van [appellante] is op deze wijze, naar de CBGV ter zitting heeft gesteld, vijf keer in een vergadering besproken.

13.10.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de adviezen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

Inhoud van de adviezen

13.11.    De CBGV heeft in haar adviezen van 10 december 2013 en 18 november 2014 naar voren gebracht dat de door [appellante] gevolgde opleiding "Master of Arts in Counseling Psychology" volgens de Nuffic een nominale studieduur van twee jaar heeft, terwijl de studieduur van de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut met inbegrip van de vereiste universitaire vooropleiding acht jaar bedraagt. Volgens de CBGV is de door [appellante] gevolgde opleiding van twee jaar, mede vanwege die duur, van een lager niveau dan de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut.

De CBGV heeft verder in haar advies van 18 november 2014 naar voren gebracht dat de door [appellante] uitgevoerde werkzaamheden op het gebied van counseling liggen, hetgeen primair advisering en begeleiding betreft. De psychotherapie die in Nederland wordt beoefend en tijdens de beroepsopleiding tot psychotherapeut wordt gedoceerd is volgens de CBGV aanzienlijk breder dan counseling en richt zich daarentegen in sterke mate op de diagnostiek en behandeling van psychopathologie. Daarbij zijn diagnostiek en indicatiestelling van belang, alsmede het werken met behandelplannen. [appellante] heeft volgens de CBGV op dit gebied relatief weinig vakbekwaamheid kunnen ontwikkelen.

Bij nader advies van 6 juli 2017 heeft de CBGV haar standpunt over het domein van de psychotherapie in Nederland herhaald. Daarbij heeft zij vermeld dat [appellante] in de Verenigde Staten een opleiding heeft gevolgd die is gericht op counseling. De opleiding verschilt qua inhoud sterk van de Nederlandse beroepsopleiding tot psychotherapeut. Tijdens de door haar gevolgde opleiding zijn enkele aspecten van de referentiekaders van de Nederlandse opleiding aan de orde gekomen, maar wel tegen de achtergrond van counseling. Wat voor de gevolgde opleiding geldt, geldt volgens de CBGV ook voor de beroepservaring en de door de BBS verstrekte licentie om het beroep te mogen uitoefenen. Het betreft counseling en er zijn grote verschillen met de beroepswerkzaamheden van psychotherapeuten in Nederland. Daarom zijn de tekortkomingen in de opleiding volgens de CBGV niet of slechts gedeeltelijk gecompenseerd.

In het advies van 6 juli 2017 is verder vermeld dat de door [appellante] gemaakte vergelijking van de door haar behaalde licentie van de BBS, waarmee zij bevoegd is om als "Marriage, Family and Child Counselor" te werken, met de BIG-registratie van een psychotherapeut in Nederland, niet opgaat. De BBS beoordeelt het beroep van psychotherapeut zoals dat wordt uitgeoefend in de Verenigde Staten en dat behelst, zoals de CBGV reeds naar voren heeft gebracht, een ander domein dan het beroep van psychotherapeut in Nederland.

Naar aanleiding van de door [appellante] gestelde 3.000 supervisie-uren heeft de CBGV in het advies van 6 juli 2017 naar voren gebracht dat dit geen supervisie-sessies zijn als bedoeld in het Besluit psychotherapeut. Daarin zijn deze gedefinieerd als contact tussen een aspirant-psychotherapeut en een door de opleidingsinstelling aangewezen psychotherapeut, strekkende tot het volgens een didactische methode analyseren en evalueren van de door de aspirant psychotherapeut verrichte onderzoeken en behandelingen. De didactische methode houdt volgens de CBGV in, dat op een systematische wijze de door de persoon in opleiding verrichte diagnostiek, indicatiestelling en behandeling wordt besproken. De supervisor moet een onafhankelijke psychotherapeut zijn. De door [appellante] genoten supervisie betreft volgens de CBGV een vorm van werkbegeleiding. De aard van de door [appellante] genoten supervisie is dus anders, aldus de CBGV in haar nadere advies van 19 september 2017.

Bij nader advies van 19 september 2017 heeft de CBGV vermeld dat het beroep psychotherapeut en de opleiding tot dit beroep in Nederland is gereglementeerd in het Besluit psychotherapeut. In andere landen zijn het beroep en de opleiding meestal niet van overheidswege gereglementeerd, maar ook in landen waar dit wel het geval is, is het beroep vaak anders gepositioneerd en is de beroepsinhoud anders dan in Nederland. In Nederland wordt psychotherapie toegepast bij complexe psychische problematiek en persoonlijkheidsstoornissen. Counseling is een laagdrempelige, pragmatische vorm van emotionele hulpverlening bij huwelijks- en gezinsproblemen die niet tot het domein van de psychotherapie behoort in Nederland. De vierjarige postmasteropleiding tot psychotherapeut in Nederland is voorbehouden aan hen die een universitaire opleiding tot arts, psycholoog, pedagoog of gezondheidswetenschapper hebben voltooid. [appellante] heeft een dergelijke vooropleiding niet. Ook haar beroepsopleiding is korter en heeft een andere inhoud dan de opleiding tot psychotherapeut in Nederland, aldus de CBGV. Met betrekking tot de door [appellante] gemaakte vergelijking tussen de door haar behaalde licentie van de BBS en de BIG-registratie is in het advies van 19 september 2017 verduidelijkt dat het er niet om gaat of de BBS een publieke of private instelling is. De BBS gaat uit van een andere definitie of betekenis van het domein (beroepsinhoud) van de psychotherapie dan in Nederland geldt, aldus de CBGV.

13.12.    De CBGV heeft naar het oordeel van de Afdeling hiermee duidelijk gemaakt waarom de vakbekwaamheid van [appellante] niet gelijkwaardig wordt geacht met de vakbekwaamheid van een in Nederland opgeleide psychotherapeut. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, bestaat geen grond voor het oordeel dat de CBGV de door [appellante] gevolgde opleiding en beroeps- en praktijkervaring onvoldoende heeft meegewogen. Dat [appellante] een andere waardering hieraan geeft, biedt geen grond voor het oordeel dat de minister de adviezen van de CBGV niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen.

Het betoog van [appellante] dat zij vijf jaar onder supervisie heeft gewerkt, biedt ook geen grond voor dit oordeel, gegeven hetgeen de CBGV naar voren heeft gebracht over de aard hiervan. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde 3.000 uren supervisie supervisiesessies waren in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit psychotherapeut.

Artikel 6e van de Regeling periodieke registratie Wet BIG vermeldt de kerncompetenties en kernvaardigheden die voor het beroep van psychotherapeut gelden. Dat [appellante] patiënten met een DSM-diagnose heeft behandeld, betekent nog niet dat haar vakbekwaamheid op het vlak van de diagnostiek en indicatiestelling en het werken met behandelplannen vergelijkbaar is met de vakbekwaamheid van een in Nederland opgeleide psychotherapeut die beschikt over genoemde kerncompetenties en kernvaardigheden. Ook uit de, op zichzelf lovende, aanbevelingsbrief van Feldman kan dit niet worden afgeleid.

13.13.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister het besluit van 27 oktober 2017 op de adviezen van de CBGV heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

Horen deskundigen in beroep

14.    [appellante] betoogt voorts dat de anonieme deskundigen niet aanwezig waren op de zitting, zodat de rechtbank hen niet heeft kunnen horen.

14.1.    De CBGV werd ter zitting vertegenwoordigd door haar voorzitter, zodat de rechtbank de CBGV ter zitting heeft kunnen horen. Voor zover het betoog van [appellante] zo moet worden begrepen dat de rechtbank de leden-deskundigen die bij het voorbereiden en opstellen van de adviezen betrokken waren ten onrechte niet heeft gehoord, slaagt dit niet. De rechtbank was hiertoe niet gehouden.

Het betoog treft geen doel.

Discriminatie

15.    Anders dan [appellante] betoogt, blijkt uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank niet dat de rechter en de voorzitter van de CBGV ter zitting discriminerende opmerkingen hebben gemaakt. Het betoog hierover faalt eveneens.

Conclusie

16.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019

615.

 

BIJLAGE

 

Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg

Artikel 3

1. Er worden registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als:

(…)

psychotherapeut,

(…)

Artikel 6

1. De inschrijving wordt geweigerd:

a. indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen.

(…)

Artikel 26

1. Om in het desbetreffende register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, wordt vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen.

Artikel 27

Tot het gebied van deskundigheid van de psychotherapeut wordt gerekend het onderzoeken en het volgens bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen methoden beïnvloeden van stemmingen, gedragingen en houdingen van een persoon met een psychische stoornis, afwijking of klacht, teneinde deze te doen verdwijnen of te verminderen.

Artikel 41

1. In afwijking van het in artikel 6, onder a, bepaalde wordt aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd:

(…)

b. indien Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan;

(…).

5. Onze Minister stelt voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel en ten aanzien van het verlenen van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. Bij algemene maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets en het daarvoor in rekening te brengen tarief.

Artikel 42

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld, waarbij wordt bepaald:

a. welke gegevens of bescheiden bij de aanvrage om een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, aan Onze Minister moeten worden verstrekt of overgelegd en op welke wijze haar indiening behoort te geschieden;

b. welke bewijsstukken omtrent de toepasselijkheid van artikel 41 aan Onze Minister moeten worden overgelegd bij de aanvrage om inschrijving in het register met toepassing van dat artikel.

Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

(…)

c. commissie: de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid;

(…)

Artikel 2

1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, alsmede uit minimaal twee en maximaal vier leden-deskundigen per in artikel 3 van de wet genoemd, onderscheidenlijk krachtens artikel 34 van de wet aangewezen, beroep. De leden-deskundigen zijn deskundig ter zake van de opleiding tot het desbetreffende beroep of ter zake van de uitoefening van dat beroep.

Artikel 3

1. De commissie heeft tot taak Onze Minister met betrekking tot een in het buitenland genoten opleiding tot een in artikel 3 van de wet genoemd beroep of een krachtens artikel 34 van de wet aangewezen beroep van advies te dienen over de vraag:

(…)

b. of aan een buitenslands gediplomeerde op aanvraag een verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onder b, van de wet behoort te worden afgegeven;

(…)

Artikel 6

1. De commissie regelt haar werkwijze met inachtneming van dit besluit.

2. De commissie kan externe deskundigen raadplegen.

3. De commissie beraadslaagt en brengt advies uit in de overeenkomstig artikel 2, eerste lid, voor het desbetreffende beroep bedoelde samenstelling.

Besluit psychotherapeut

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

(…)

b. opleidingsinstelling: een rechtspersoon die een opleiding tot psychotherapeut verzorgt;

(…)

e. supervisiesessie: contact tussen een aspirant-psychotherapeut en een door de opleidingsinstelling aangewezen psychotherapeut, strekkende tot het volgens een didactische methode analyseren en evalueren van de door de aspirant-psychotherapeut verrichte onderzoeken en behandelingen;

Artikel 3

1. De opleiding tot psychotherapeut bestaat uit ten minste 3680 uren, die als volgt zijn verdeeld:

a. 1280 uren theoretisch en praktisch onderwijs op het gebied van de psychotherapie;

b. 2400 uren werkervaring op het gebied van de psychotherapie.

2. Het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onder a, is gericht op het leren onderzoeken van psychische klachten en het met behulp van psychotherapie leren behandelen van de volgende categorieën van patiënten:

a. kinderen en jeugdigen;

b. volwassenen;

c. ouderen.

3. De werkervaring, bedoeld in het eerste lid, onder b, is gespreid over ten minste vier jaren en wordt in elk geval opgedaan met onderzoek en behandeling als bedoeld in het tweede lid, van volwassen patiënten en van patiënten, behorende tot één van de twee andere in het tweede lid bedoelde categorieën.

4. De opleiding tot psychotherapeut is voorts gericht op het onderzoeken en behandelen van patiënten in een individuele setting en in een groepssetting dan wel een gezins- en relatiesetting.

Artikel 4

1. Het onderwijs, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, omvat ten minste: a. 400 uren cursorisch onderwijs;

b. 50 uren leertherapiesessies;

c. 500 uren psychotherapiesessies;

d. 150 uren supervisiesessies waarvan er ten minste 50 betrekking hebben op de behandeling van individuele volwassen patiënten.

2. Het cursorische onderwijs omvat ten minste de volgende onderwerpen:

a. algemene aspecten van de psychotherapie;

b. gespreks- en interactietraining, gericht op de praktische toepassing daarvan in de psychotherapie;

c. intake en indicatiestelling;

d. psychopathologie;

e. specifieke problemen van de verschillende leeftijdsgroepen en maatschappelijke groeperingen, waaronder cultuurgebonden problematiek;

f. de psychotherapeutische referentiekaders, zijnde de psycho-analytische therapie, de gedragstherapie, de rogeriaanse therapie en de systeemtherapie die zijn gebaseerd op onderscheidelijk de psycho-analytische theorieën, de leer- en cognitieve theorieën, de experiëntiële theorieën en de systeemtheorieën;

g. inleiding in de toepassing van behandelingsmethoden vanuit de psychotherapeutische referentiekaders;

h. inleiding in de basisbegrippen en de kenmerken van groepsprocessen;

i. kenmerken van de ambulante, de dag- en de klinische behandelingssituatie; j. beroepsethiek;

k. recente ontwikkelingen van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de psychotherapie;

l. kwaliteit van de praktijkvoering en de beroepsuitoefening.

3. De opleiding, bedoeld in artikel 3, bestaat voorts uit ten minste één vervolgcursus over de toepassing van behandelingsmethoden in een door de aspirant-psychotherapeut te kiezen psychotherapeutisch referentiekader.

Regeling periodieke registratie Wet BIG

Artikel 6e

1. Voor het beroep van psychotherapeut gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:

a. het stellen van een psychodiagnose op basis van een psychodiagnostisch onderzoek;

b. het stellen van een indicatie voor psychotherapie;

c. het opstellen van een behandelplan voor psychotherapie;

d. het zelfstandig uitvoeren van een psychotherapeutische behandeling;

e. het evalueren van de psychotherapeutische behandeling.

2. Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om op basis van verzamelde gegevens over de zorgvraag en de wensen van de cliënt en door middel van anamnese en diagnostiek, de problematiek van de cliënt in kaart te brengen.

3. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de uitkomst van het diagnostisch onderzoek, de meest in aanmerking komende vorm van psychotherapeutische behandeling voor de cliënt te bepalen.

4. Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om, op basis van de diagnostiek en de indicatiestelling, in overleg met de cliënt, gezamenlijke doelstellingen van de behandeling te formuleren.

5. Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om psychotherapeutische methoden systematisch toe te passen en door middel van psychotherapeutische interventies, de stemming, cognities of gedragingen van de cliënt te beïnvloeden.

6. Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde aspect wordt zodanig ingericht dat de psychotherapeut in staat is om periodiek de effecten van de psychotherapeutische behandelingen op de psychische gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.