Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
201906071/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2019 heeft de raad van de gemeente Oegstgeest het bestemmingsplan "1e herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas" vastgesteld. [verzoekster] woont in het plangebied aan de [locatie] te Oegstgeest, op een afstand van ongeveer 200 m van het gedeelte van het gebied de Klinkenbergerplas, waar haar verzoek betrekking op heeft. Zij vreest voor geluidhinder en parkeeroverlast vanwege de horecavoorziening die het plan bij de Klinkenbergerplas mogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2019/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906071/2/R3.

Datum uitspraak: 2 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te Oegstgeest,

en

de raad van de gemeente Oegstgeest,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 september 2019, waar [verzoekster], en de raad, vertegenwoordigd door P.J. Vos, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Cervix B.V., vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoekster] woont in het plangebied aan de [locatie] te Oegstgeest, op een afstand van ongeveer 200 m van het gedeelte van het gebied de Klinkenbergerplas, waar haar verzoek betrekking op heeft. Zij vreest voor geluidhinder en parkeeroverlast vanwege de horecavoorziening die het plan bij de Klinkenbergerplas mogelijk maakt.

Spoedeisend belang

3.    Gebleken is dat door Cervix B.V. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een horecavoorziening is ingediend. Gelet hierop heeft [verzoekster] een spoedeisend belang bij haar verzoek.

Voorgeschiedenis

4.    Bij uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:273, heeft de Afdeling het besluit van de raad van Oegstgeest van 26 oktober 2017, waarbij het bestemmingsplan "Oudenhof en Klinkenbergerplas" is vastgesteld, gedeeltelijk vernietigd.

    Het plan "Oudenhof en Klinkenbergerplas" voorzag in een actueel juridisch-planologisch kader voor gronden in het noordoosten van de gemeente Oegstgeest. Binnen het plangebied ligt het gebied de Klinkenbergerplas, met in het noorden een kleine plas en ten zuiden een grote plas. Het bestemmingsplan maakte een horecabedrijf mogelijk bij de grote plas en een evenemententerrein waar drie keer per jaar een evenement kon worden gehouden.

    Aan gronden ten noordwesten van de grote plas kende het plan de bestemming "Recreatie", de aanduiding "specifieke vorm van recreatie- intensieve dagrecreatie" en een bouwvlak toe.

    In artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder b en d, van de planregels was bepaald dat de als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor intensieve dagrecreatie in de vorm van speelterreinen en stranden, met de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen, horeca, duiksport, en educatieve doeleinden gericht op de recreatieve functie evenals voor horeca categorie 2 overeenkomstig de Staat van horeca-activiteiten.

    De Staat van horeca-activiteiten luidde:

"[…] Categorie 2 "middelzware horeca"

Bedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken:

- bar;

- bierhuis;

- biljartcentrum;

- café;

- proeflokaal;

- shoarma/grillroom;

- zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen) […]."

    Aan gronden ten noordwesten van de plas kende het plan ook de aanduiding "evenemententerrein" toe. In artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder c, van de planregels was bepaald dat de voor Recreatie aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" tevens zijn bestemd voor evenementen.

5.    [verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarbij het plan "Oudenhof en Klinkenbergerplas" is vastgesteld onder meer omdat zij vreesde voor geluidhinder en parkeeroverlast van de horeca en het evenemententerrein bij de Klinkenbergerplas. Bij uitspraak van 30 januari 2019 heeft de Afdeling haar beroep gegrond verklaard en het plan vernietigd, voor zover dit betrekking had op de term "horeca" in artikel 10, lid 10.1, onder b, van de planregels, alsmede artikel 10, lid 10.1, onder d, van de planregels in samenhang met de Staat van horeca-activiteiten wat betreft het bepaalde over "horeca categorie 2", de aanduiding "evenemententerrein" en artikel 10, lid 10.1, onder c, in samenhang met artikel 10.4.1 van de planregels.

    De Afdeling heeft onder 5.4 van de uitspraak overwogen:

    "Ten aanzien van het toestaan van categorie 2 "middelzware horeca" onder de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" overweegt de Afdeling dat in het bestreden bestemmingsplan andere horecamogelijkheden zijn opgenomen onder categorie 2 dan in het voorgaande bestemmingsplan "De Morsebel en Klinkenbergerplas". Het merendeel van de toegestane horeca-activiteiten onder het voorgaande plan was gericht op gebruik overdag of in de avonduren, zoals lunchrooms, koffiecafés en ijssalons. In het bestreden plan zijn meer vormen van horeca mogelijk, die ook delen van de nacht open kunnen zijn, dan onder het voorgaande plan. De Afdeling is, gelet op het toestaan van meer vormen van deze horeca, van oordeel dat er sprake is van een verzwaring van de horeca-activiteiten ten opzichte van het voorgaande plan.

    In de Staat van horeca-activiteiten van het bestreden plan wordt verder vermeld dat, doordat bedrijven met horeca categorie 2 ook delen van de nacht geopend kunnen zijn, deze daardoor aanzienlijke hinder kunnen veroorzaken voor omwonenden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de ruimtelijke effecten van een bedrijf met horeca categorie 2 in de zin van het bestreden plan in termen van "aanzienlijke hinder" en de daarbij verwachte parkeer- en geluidoverlast zijn beoordeeld. De beperking dat regulier gebruik van zalen voor feesten en partijen niet is toegestaan sluit naar het oordeel van de Afdeling niet uit dat er in de horecagelegenheid, buiten de zalenverhuur om, feesten en partijen kunnen plaatsvinden. Daarbij betrekt de Afdeling dat akoestisch- en parkeer-onderzoek ontbreekt."

    De Afdeling heeft de raad in de uitspraak opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Wijzigingen naar aanleiding van de uitspraak

6.    Ter uitvoering van de uitspraak heeft de raad voor het gehele gebied waarop het plan "Oudenhof en Klinkenbergerplas" betrekking had het plan "1e herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas" vastgesteld. Aan de gronden bij de grote plas in het gebied de Klinkenbergerplas is de bestemming "Recreatie", de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" en een bouwvlak toegekend. De raad heeft in de planregels bepaald dat op gronden met de bestemming "Recreatie" en op die gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" horeca in de vorm van horecabedrijf 2 is toegestaan en voor het begrip "horecabedrijf 2" in artikel 1, lid 1.53, van de planregels een omschrijving opgenomen. Voorts is de aanduiding "evenemententerrein" ter plaatse van het gebied de Klinkenbergerplas geschrapt.

7.    Artikel 10, lid 10.1, van de planregels luidt:

"De voor Recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. extensieve dagrecreatie;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" intensieve dagrecreatie in de vorm van speelterreinen en stranden, met de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen, horeca overeenkomstig horecabedrijf 2, duiksport en educatieve doeleinden gericht op de recreatieve functie;

c. horeca overeenkomstig horecabedrijf 2;

d. groenvoorzieningen;

e. water;

f. parkeervoorzieningen;

g. wegen, fiets- en wandelpaden;

met de daarbij behorende andere bouwwerken en andere werken."

    Lid 10.2.2 luidt:

"Voor gebouwen de navolgende regels gelden:

a. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan;

c. de oppervlakte van een horecavoorziening inclusief terrassen ten hoogste 750 m2 bedraagt."

    Op de verbeelding is ter plaatse van het bouwvlak bij de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" het getal 10 aangegeven.

    In artikel 1, aanhef en lid 1.53, is bepaald dat onder horecabedrijf 2 wordt verstaan een bedrijf vallend onder de horecasector, dat uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren/maaltijden t.b.v. gebruik ter plaatse zoals cafés, bars, bodega’s, restaurants, broodjeszaken, conditoreien, pannenkoekenrestaurants, lunchrooms, koffiecafé’s, ijssalons of een mengvorm daarvan. Cafetaria’s, snackbars, fritures, discotheken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven waarvan het gezamenlijke oppervlakte meer dan 10 m2 is, vallen hierbuiten.   

Ontwerpplan

8.    [verzoekster] betoogt dat de raad ten onrechte geen ontwerpplan ter inzage heeft gelegd. Hierdoor is zij ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen. De zienswijze, die zij desondanks voorafgaand aan het raadsbesluit naar voren heeft gebracht, heeft de raad volgens haar ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan betrokken.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1215, onder 7.3.1) staat het het bevoegd gezag in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opnieuw te doorlopen. De raad mocht er daarom in beginsel van afzien om opnieuw een ontwerp van het plan vast te stellen en de gelegenheid te bieden tot het inbrengen van zienswijzen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

8.2.    De raad heeft met het nu bestreden besluit beoogd de gebreken in het oorspronkelijke plan te repareren. De raad is daarbij teruggevallen op het ontwerp van het oorspronkelijke plan. Het nu bestreden besluit ziet op hetzelfde plangebied als het ontwerpbesluit. Gelet op de wijzigingen in het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerpbesluit is in dit geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een wezenlijk ander plan of van wijzigingen die niet als van ondergeschikte aard kunnen worden aangemerkt.

Natura 2000-gebieden

9.    [verzoekster] betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan op Natura 2000-gebieden.

9.1.    De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

9.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van ongeveer 5 km van de woning van [verzoekster] en van het plangebied ligt. Gelet op deze afstand is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Natura 2000-gebieden geen deel uitmaken van de directe leefomgeving van [verzoekster]. De normen in de Wnb over de bescherming van Natura 2000-gebieden strekken daarom kennelijk niet ter bescherming van haar belangen. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste verzet zich daarom tegen vernietiging vanwege de beroepsgrond die zij heeft aangevoerd over de aantasting van Natura 2000-gebieden. Die beroepsgrond, waar [verzoekster] ter onderbouwing van haar verzoek om voorlopige voorziening naar heeft verwezen, kan daarom ook niet leiden tot schorsing van het besluit waarbij het plan is vastgesteld.

Het begrip "horecabedrijf 2"

10.    [verzoekster] stelt dat de omschrijving van het begrip "horecabedrijf 2" in artikel 1, lid 1.53, van de planregels onduidelijk is. Zij brengt naar voren dat niet duidelijk is onder welke categorie de in de begripsomschrijving genoemde cafetaria’s, snackbars, fritures, discotheken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven moeten worden gebracht. Zij voert daarnaast aan dat niet duidelijk is wat onder "gezamenlijke oppervlakte" moet worden verstaan. Zij heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij vreest dat een grotere horecavoorziening zal worden opgericht dan bij de vaststelling van het plan is voorzien.

10.1.    Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in de omschrijving van het begrip "horecabedrijf 2" voldoende duidelijk geregeld dat cafetaria’s, snackbars, fritures, discotheken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven ter plaatse niet zijn toegestaan indien de oppervlakte van een dergelijk bedrijf, of van een bedrijf dat een mengvorm van de hier bedoelde bedrijven inhoudt, de oppervlakte van 10 m2 te buiten gaat.

10.2.    In artikel 10, lid 10.2.2, onder a en c, van de planregels is bepaald dat gebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en dat de oppervlakte van een horecavoorziening inclusief terrassen ten hoogste 750 m2 bedraagt. De hoogte van de horecavoorziening mag ingevolge onderdeel b van deze bepaling, bezien in samenhang met de verbeelding, niet meer dan 10 m zijn. Deze planregels stellen dus beperkingen aan de omvang van de horecavoorziening.

    Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat hij heeft beoogd een horecavoorziening toe te staan ter plaatse van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. De raad heeft verder ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat onderdeel c van artikel 10, lid 10.1, van de planregels, waaruit volgt dat gronden met de bestemming "Recreatie" zijn bestemd voor "horeca overeenkomstig horecabedrijf 2", overbodig is, nu uit onderdeel b van die bepaling volgt dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" "horeca overeenkomstig horecabedrijf 2" is toegelaten.

    De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestemming "Recreatie" geldt voor de grote recreatieplas en een strook rondom deze recreatieplas. Voorts is aan een strook langs de grote recreatieplas de aanduiding "specifieke vorm van recreatie-intensieve dagrecreatie" toegekend. Op grond van artikel 10, lid 10.1, onder b en c, is het gebruik voor "horeca overeenkomstig horecabedrijf 2" op deze gronden, dus ook buiten het bouwvlak, toegestaan.

    Gelet op het voorgaande betwijfelt de voorzieningenrechter of de raad in de planregels heeft geregeld wat hij heeft beoogd te regelen.

Staat van horeca-activiteiten

11.    [verzoekster] betoogt dat sprake is van rechtsonzekerheid omdat een van de bijlagen de "Staat van horeca-activiteiten" is, terwijl omschrijvingen van verschillende horecacategorieën al in de planregels zijn opgenomen. Zij brengt naar voren dat als op de website ruimtelijkeplannen.nl op de link "Staat van horeca-activiteiten" in de bijlagen bij de planregels wordt geklikt, niet de "Staat van horeca-activiteiten" maar de "Staat van bedrijfsactiviteiten" verschijnt.

11.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat in de planregels niet wordt verwezen naar een "Staat van horeca-activiteiten" en dat geen "Staat van horeca-activiteiten" als bijlage bij de planregels is gevoegd. De "Staat van horeca-activiteiten" komt alleen voor in de opsomming van de bijlagen bij de planregels. Dit betreft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een kennelijke verschrijving en geeft daarom geen grond voor het oordeel dat het besluit waarbij het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid is genomen.

Geluidhinder en parkeeroverlast

12.    [verzoekster] vreest voor geluidhinder en parkeeroverlast vanwege de horecavoorziening. Zij stelt dat de raad daar ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht. Zij wijst erop dat de Afdeling in haar uitspraak van 30 januari 2019 daartoe een opdracht heeft gegeven. Ook brengt zij in dit verband naar voren dat het plan de mogelijkheid geeft voor een horecavoorziening met een hoogte van 10 m. Dat betekent volgens haar dat ‘s avonds en ’s nachts feesten en partijen kunnen worden gehouden. Zij stelt dat geluid ver draagt over water. Daarnaast brengt [verzoekster] naar voren dat niet duidelijk is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zij voert aan dat in de planregels ten onrechte niet naar parkeerbeleid wordt verwezen en dat geen dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid is opgenomen. Zij wijst erop dat zij in de bestaande situatie, waarin feitelijk nog geen horecagelegenheid aanwezig is, reeds parkeerhinder ondervindt.

12.1.    Anders dan [verzoekster] stelt heeft de Afdeling in haar uitspraak van 30 januari 2019 de raad niet opgedragen alsnog geluid- en parkeeronderzoek te verrichten.

12.2.    Het plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas", dat gold voordat het plan "Oudenhof en Klinkenbergerplas" werd vastgesteld, kende aan de bestreden gronden de bestemming "Recreatie" toe. In artikel 9, lid 9.1, onder a, van de planregels van het plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas" was bepaald dat de voor Recreatie aangewezen gronden bestemd waren voor intensieve dagrecreatie en horeca behorende tot horecacategorie 2. In artikel 1, lid 1.34, van dat plan was een omschrijving van het begrip "horeca in categorie 2" opgenomen.

    De voorzieningenrechter stelt vast dat die omschrijving dezelfde omschrijving is als de omschrijving die in het nu bestreden plan is opgenomen voor het begrip "horecabedrijf 2". Ook de bouwregels die in artikel 9, lid 9.2, van de planregels van het plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas" waren opgenomen voor gronden met de bestemming "Recreatie" komen overeen met die in het nu bestreden plan zijn opgenomen, waaronder de bouwhoogte van 10 m.

    Dat betekent dat het nu voorliggende plan, anders dan het plan "Oudenhof en Klinkenbergerplas", geen verzwaring inhoudt van de toegestane horeca-activiteiten ten opzichte van het plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas".

12.3.    De gronden die zijn bestemd voor "Recreatie" zijn ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder f, van de planregels ook bestemd voor parkeervoorzieningen.

    Artikel 25, lid 25.1, onder e, van de planregels luidt:

"bij het bouwen van gebouwen dient te worden voldaan aan de in de bijlagen bij de regels bijlage 3 genoemde parkeernormen, met dien verstande dat de parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel dienen te worden gerealiseerd."

    Bijlage 3 van de planregels, waar in artikel 25, lid 25.1, onder e, naar wordt verwezen, is de "Parkeernotitie Oegstgeest vastgesteld 22 april 2002; gewijzigd 28 oktober 2004".

    Artikel 30, lid 30.1, van de planregels luidt:

"a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;

b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;

c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie;

d. bepaalde in sub a is niet van toepassing ten behoeve van wonen binnen de bestemming Wonen."

12.4.    De voorzieningenrechter stelt vast dat, anders dan [verzoekster] stelt, in artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels een zogenoemde dynamische verwijzing naar beleidsregels is opgenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer onder overweging 3.5 in haar uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607, is een dergelijke regeling toegestaan, mits duidelijk is naar welke beleidsregels wordt verwezen.

12.5.    Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de in de bijlage 3 van de planregels opgenomen parkeernotitie gold ten tijde van de vaststelling van het plan en de beleidsregels bevatten waaraan op grond van artikel 30, lid 30.1, onder b, van de planregels moet worden getoetst. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat de in artikel 25, lid 25.1, onder e, opgenomen regeling bedoeld is voor het bouwen van woningen. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze bepaling daar niet toe is beperkt. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, waaronder het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de horecavoorziening, moet worden voldaan aan zowel artikel 30, lid 30.1, onder b, als aan artikel 25, lid 25.1, onder e, van de planregels. Deze bepalingen verschillen echter van elkaar. In artikel 25, lid 25.1, onder e, wordt verwezen naar beleidsregels die als bijlage bij de planregels zijn gevoegd en is aanvullend het vereiste opgenomen dat de parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel dienen te worden gerealiseerd. Artikel 30, lid 30.1, onder b, bevat een dynamische verwijzing naar beleidsregels. Ten tijde van de vaststelling van het plan betroffen die beleidsregels de beleidsregels die in bijlage 3 van de planregels zijn opgenomen. Omdat het een dynamische verwijzing is, kunnen deze beleidsregels echter veranderen. Bovendien is in artikel 30, lid 30.1, onder b, anders dan in artikel 25, lid 25.1, onder e, niet het aanvullende vereiste opgenomen dat de parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel dienen te worden gerealiseerd.

    Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verdraagt het besluit waarbij het plan is vastgesteld zich in zoverre niet met het beginsel van de rechtszekerheid.

12.6.    De raad stelt dat de parkeerbehoefte van de horecavoorziening die het plan mogelijk maakt kan worden afgeleid uit de "Parkeernotitie Oegstgeest vastgesteld 22 april 2002; gewijzigd 28 oktober 2004", wat op het moment van vaststelling van het plan het geldende beleid was. In deze parkeernotitie staat dat wordt voorgesteld de parkeerkencijfers van CROW voor woningbouw en andere specifieke functies te hanteren als uitgangspunt voor bestaande en nieuwe situaties. Daarnaast staat in deze notitie dat wordt voorgesteld om bij het verstrekken van bouwvergunningen zoveel als mogelijk de parkeerkencijfers van CROW te hanteren. Als bijlage bij deze parkeernotitie zijn parkeerkencijfers opgenomen voor woningen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit deze notitie niet duidelijk worden afgeleid welke parkeernorm voor de horecavoorziening moet worden gehanteerd en welke parkeerbehoefte daarbij hoort. De raad heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt wat de bij de horecavoorziening behorende parkeerbehoefte is en of daarin kan worden voorzien zonder dat dit tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving leidt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent de omstandigheid dat het voorheen geldende plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas" al een horecavoorziening mogelijk maakte niet dat de raad geen inzicht hoefde te geven in de daarbij behorende parkeerbehoefte. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de horecavoorziening die planologisch reeds mogelijk was gemaakt in het op 18 september 2006 vastgestelde plan "De Morsebel en Klinkenbergerplas" feitelijk niet is gerealiseerd en de parkeerbehoefte die het thans voorliggende plan genereert kan en naar verwachting ook zal afwijken van de behoefte waarvan in 2006 is uitgegaan.

    De voorzieningenrechter is er dan ook niet van overtuigd dat het besluit waarbij het plan is vastgesteld wat betreft het aspect parkeren toereikend is gemotiveerd.

12.7.    Wat betreft het aspect geluid overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het merendeel van de toegestane horeca-activiteiten is gericht op gebruik overdag of in de avonduren. Gelet daarop en op de aard van de toegestane activiteiten heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan geen onaanvaardbare geluidhinder is te verwachten en daarom in redelijkheid kunnen afzien van geluidonderzoek. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de woning van [verzoekster] zich bevindt op een afstand van ongeveer 200 m van het gebied de Klinkenbergerplas, waar een horecavoorziening is toegelaten, en dat daartussen geen water maar wel andere bebouwing evenals de provinciale weg N444 zijn gelegen.

Conclusie

13.    Gelet op hetgeen onder 10.2, 12.5 en 12.6 is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierbij wordt het besluit waarbij het plan is vastgesteld geschorst.

14.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

15.    Voor het bijwonen van de zitting heeft [verzoekster] verzocht om vergoeding van verletkosten. Nu zij het door haar opgegeven bedrag van € 110,00 niet met bewijsstukken heeft onderbouwd, gaat de voorzieningenrechter bij de bepaling van de vergoeding voor de verletkosten uit van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde laagste forfaitaire vergoeding van € 7,00 per uur.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Oegstgeest van 4 juli 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e herziening Oudenhof en Klinkenbergerplas";

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Oegstgeest tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 566,90 (zegge: vijfhonderdzesenzestig euro en negentig cent), waarvan € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Oegstgeest aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

w.g. Helder    w.g. Duursma

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019

378.