Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201903320/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903320/1/V2.

Datum uitspraak: 26 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 april 2019 in zaak nr. NL19.6703 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 18 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris een nadere reactie ingediend.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2019, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M.I. Eleveld, advocaat te Groningen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In de grieven, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt over het geloofwaardig geachte deel van het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende heeft gemotiveerd.

1.1.    De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd. In het besluit staat dat, gelet op de ongeloofwaardig geachte elementen, de vreemdeling op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten wegens zijn deelname aan een demonstratie in Den Haag die op de Turkse televisie is uitgezonden. Mede gelet op de inhoud van het overgelegde rapport van de United Kingdom Home Office van augustus 2018 over de situatie in Turkije en het overigens verhandelde ter zitting bij de Afdeling, heeft de staatssecretaris in het besluit niet deugdelijk gemotiveerd dat de activiteiten van de vreemdeling in Nederland te marginaal zijn om aannemelijk gemaakt te achten dat de Turkse autoriteiten hem aanmerken als een politiek actieve Koerd en dat hij om die reden in de negatieve belangstelling van die autoriteiten is gekomen. De staatssecretaris heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of geen reëel risico loopt op ernstige schade.

1.2.    De grieven slagen.

2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 21 maart 2019 wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 april 2019 in zaak nr. NL19.6703;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 21 maart 2019, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bosma

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2019

572-853.