Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201803834/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:2071, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 6 april 2017 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 juni 2016, waarbij het college omgevingsvergunning heeft verleend aan [tuindersbedrijf] voor de duur van twee jaar voor het plaatsen van woonunits op het adres [locatie] te Aarle-Rixtel en het daarin alsmede in een bedrijfsgebouw in strijd met het bestemmingsplan huisvesten van arbeidsmigranten, gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803834/1/A1.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 april 2018 in

zaak nr. 17/2958 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

Procesverloop

Bij uitspraak van 6 april 2017 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 juni 2016, waarbij het college omgevingsvergunning heeft verleend aan [tuindersbedrijf] voor de duur van twee jaar voor het plaatsen van woonunits op het adres [locatie] te Aarle-Rixtel en het daarin alsmede in een bedrijfsgebouw in strijd met het bestemmingsplan huisvesten van arbeidsmigranten, gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

[appellant] heeft het college op 13 oktober 2017 in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een nieuw besluit. Op 31 oktober 2017 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.

Bij uitspraak van 12 januari 2018 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, vastgesteld dat het college een dwangsom heeft verbeurd van € 1.260,00 en het college gelast om binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen, bij gebreke waarvan het college een aan [appellant] te betalen dwangsom verbeurt.

Tegen deze uitspraak heeft het college verzet gedaan. Bij uitspraak van 30 april 2018 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant], voor zover het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is verklaard, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.M.A. Paauw en mr. D. Bussers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [tuindersbedrijf] heeft op 19 oktober 2015 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning in verband met de huisvesting van arbeidsmigranten in een bestaande loods en in nog te plaatsen kantoor-/woonunits. De huisvesting in de woonunits is seizoensgebonden, de huisvesting in de bestaande loods is continu.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van [tuindersbedrijf] om een omgevingsvergunning niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij geen belanghebbende is bij dat besluit.

    [appellant] betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2098, dat hij, omdat hij belanghebbende is bij het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning, eveneens belanghebbende is bij het te nemen nieuwe besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning. [appellant] wijst erop dat het college weigerachtig is om handhavend op te treden tegen het niet toegestane gebruik van de illegaal tot verblijfsruimte voor personen omgebouwde veestal direct achter het perceel van [appellant]. Aangezien hij al jaren wordt geconfronteerd met het in strijd met de doeleindenomschrijving van de ter plaatse geldende agrarische bestemming huisvesten van arbeidsmigranten in de omgebouwde veestal, heeft hij er belang bij dat een besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning wordt genomen, aldus

[appellant].

2.1.    Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting van 4 juni 2018 kenbaar gemaakt dat [tuindersbedrijf] de aanvraag om omgevingsvergunning van 19 oktober 2015 bij e-mail van 6 februari 2018 heeft ingetrokken.

    In de betreffende e-mail heeft J. Arts van Arts Advies namens [tuindersbedrijf] meegedeeld aan J. Paauw, werkzaam bij de gemeente Laarbeek, dat de ingediende aanvraag omgevingsvergunning van 19 oktober 2015 voor [locatie] te Aarle-Rixtel ingetrokken kan worden. Als onderwerp van de e-mail is "intrekking aanvraag 2020713 Wolfsputten 11 Aarle-Rixtel" vermeld.

    Bij brief van 19 juni 2018 heeft de Afdeling [appellant] verzocht schriftelijk mee te delen of hij hierin aanleiding ziet het hoger beroep in te trekken.

    Bij brief van 2 juli 2018 heeft [appellant] uiteengezet dat hij het hoger beroep wenst te handhaven, omdat hij betwijfelt of sprake is van een intrekking van de aanvraag. In dit verband heeft [appellant] onder meer de vraag opgeworpen of de heer J. Arts bevoegd is om tot intrekking van de aanvraag over te gaan.

2.2.    De Afdeling stelt vast dat het college ter zitting heeft bevestigd dat de aanvraag van 19 oktober 2015 van [tuindersbedrijf] is ingetrokken. Hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor twijfel omtrent de vraag of de aanvraag daadwerkelijk is ingetrokken. Hierbij betrekt de Afdeling dat het college ter zitting heeft aangegeven dat J. Arts de vaste vertegenwoordiger is van [tuindersbedrijf] in de contacten met de gemeente Laarbeek.  

2.3.    Ten aanzien van de vraag waarom hij gelet op de intrekking van de aanvraag van 19 oktober 2015 nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, heeft [appellant] ter zitting aangegeven dat hij wil voorkomen dat de rechtbank de in de uitspraak van 12 januari 2018 weergegeven, volgens [appellant] onjuiste, rechtsopvatting mogelijk in eventuele toekomstige procedures van [appellant] zal herhalen.

    De Afdeling is echter slechts gehouden tot inhoudelijke beoordeling van een hoger beroep, indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de Afdeling niet gehouden uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis daarvan.

    [appellant] beoogt met zijn hoger beroep te bereiken dat alsnog inhoudelijk wordt beslist op zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag van [tuindersbedrijf], terwijl de desbetreffende aanvraag op 6 februari 2018 is ingetrokken, zodat het college niet langer bevoegd is om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. [appellant] heeft niet gesteld schade te hebben geleden. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling geen actueel en reëel belang bij een uitspraak op zijn hoger beroep.

3.       Gelet op het vorenstaande wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de door [appellant] aangevoerde hoger beroepsgronden. Het hoger beroep van [appellant] is vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Helder    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

490.