Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3277

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201903718/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903718/1/V2.

Datum uitspraak: 25 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2019 in zaak nr. NL19.1804 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2019 heeft de staatssecretaris, voor zover nu van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 6 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Linde, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de situatie van moslims, niet zijnde Rohingya, niet zodanig is dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor aanwijzing als risicogroep dan wel als kwetsbare minderheidsgroep. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat de rechtbank niet zijn volledige motivering heeft getoetst, nu hij in beroep een pleitnota heeft ingebracht waarin hij onder andere motiveert waarom hij geen reden ziet om moslims, niet zijnde Rohingya, aan te wijzen als een groep die systematisch wordt vervolgd of een reëel risico loopt op ernstige schade, dan wel deze groep aan te merken als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank deze motivering niet kenbaar heeft betrokken in haar oordeel.

1.1.    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 mei 2019 in zaak nr. NL19.1804;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J. Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019

802-936.