Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
201900561/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het college [appellant] een tijdelijke vaste marktplaatsvergunning toegekend voor de marktplaats 6C op het Waterlooplein in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900561/1/A3.

Datum uitspraak: 25 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/3678 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum, thans het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna aangeduid als: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het college [appellant] een tijdelijke vaste marktplaatsvergunning toegekend voor de marktplaats 6C op het Waterlooplein in Amsterdam.

Bij besluit van 15 juni 2017  heeft het college [appellant] een tijdelijke vergunning ‘eigen materiaal’ verleend.

Bij besluit van 18 april 2018 heeft het college het door [appellant] tegen de besluiten van 15 juni 2017 gemaakte bezwaar deels gegrond, deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Kramer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] werkt als marktkoopman op het Waterlooplein in Amsterdam. Op 30 november 2016 is bekend gemaakt dat op het Waterlooplein de consumptiemarktplaats C6 is vrijgekomen. Voorheen werd deze plaats vergund aan [persoon]. [appellant], die reeds een marktkraam op het Waterlooplein exploiteerde, heeft in december 2016 gesolliciteerd naar de vrijgekomen plaats. In dit verband heeft hij de vaste verkoopinrichting van [persoon] overgenomen. De vaste verkoopinrichting houdt in dat de verkoopinrichting duurzaam is verbonden met de grond en dus niet verplaatsbaar is.

Besluitvorming college

2.    Het college heeft bij besluiten van 15 juni 2017 [appellant] twee vergunningen verleend. Het betreft een vergunning voor de vaste marktplaats en een vergunning eigen materiaal voor zijn verkoopinrichting, die hij van [persoon] heeft overgenomen. Bij de vergunningen is het voorschrift opgenomen dat deze zijn geldig van 1 maart 2017 tot de ingangsdatum van de heringedeelde markt bij voltooiing van de nieuw aangelegde Zwanenburgwal en Waterlooplein. In de begeleidende brief bij de besluiten is toegelicht dat het college met [appellant] is overeengekomen dat in verband met de herinrichting van de openbare ruimte bij Waterlooplein en de Zwanenburgwal hij conform de gebruikelijke voorwaarden de verkoopinrichting, die voorheen in gebruik was bij [persoon], kan gebruiken tot uiterlijk de datum van voltooiing van de nieuwe heringerichte markt. Nadat de herinrichting van de markt volledig is voltooid en de daarbij behorende herindeling is ingegaan, is het niet langer toegestaan om gebruik te maken van de voormalige verkoopinrichting van [persoon]. Een nieuwe eigen materiaalvergunning voor een andere verkoopinrichting kan voorafgaand aan de herindeling worden aangevraagd, aldus het college.

    In het besluit op bewaar heeft het college, onder verwijzing naar het advies van bezwaarschriftencommissie van 10 april 2018, het voorschrift 'de vergunning is geldig van 1 maart 2017 tot uiterlijk de ingangsdatum van de heringerichte markt bij voltooiing van de nieuw aangelegde Zwanenburgwal en Waterlooplein’ geschrapt; in zoverre is het bezwaar van [appellant] dus gegrond verklaard. In het besluit op bezwaar heeft het college toegelicht dat [appellant] na de herinrichting van het Waterlooplein recht heeft op een marktplaats. Daarnaast mag hij nog steeds gebruik maken van zijn eigen verkoopinrichting, maar de verkoopinrichting moet wel verplaatsbaar worden gemaakt en mag niet, zoals nu het geval is, duurzaam verbonden zijn met de grond. In verband met dat laatste is het bezwaar van [appellant] dus in zoverre ongegrond verklaard.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat het besluit op bezwaar van 18 april 2018 onzorgvuldig is voorbereid. [appellant] had aangevoerd dat het college hem eerder had moeten informeren over de omstandigheid dat hij na de herinrichting van het Waterlooplein de van [persoon] overgenomen verkoopinrichting niet meer kan gebruiken. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het college tussen december 2016 en maart 2017 over informatie beschikte die het aan [appellant] had moeten melden. Door ervoor te kiezen om de vrijgekomen plaats over te nemen, terwijl het bekend was dat een herinrichting van de markt op komst was, heeft [appellant] het risico genomen dat de situatie na de herinrichting kan veranderen, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken van strijdigheid met de rechtszekerheid en ook niet dat er toezeggingen door het college zijn gedaan. Voor zover [appellant] bezwaar heeft willen maken tegen de herindelingsplannen, valt de beoordeling daarvan buiten de omvang van deze procedure. [appellant] had deze bezwaren kunnen inbrengen in de inspraakprocedures bij de besluitvorming over de definitieve herinrichting van het Waterlooplein, aldus de rechtbank.

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.    Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting aangevoerd dat het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Volgens het college kan [appellant] niet meer bereiken dat hetgeen hij reeds in bezwaar heeft bereikt, namelijk de schrapping van de tijdelijkheid van de vergunningen. Volgens het college is [appellant] het niet eens met de herinrichting van het Waterlooplein, neergelegd in het Definitief Ontwerp herinrichting Waterlooplein, waarin is vastgelegd dat na herinrichting uitsluitend mobiele bakplaatsen op de Waterloopleinmarkt kunnen staan. Hetgeen [appellant] wenst te bereiken, plaats innemen op de (nieuwe) Waterloopleinmarkt met zijn vaste verkoopwagen die permanent op het Waterlooplein blijft staan, is gelet op het Definitief Ontwerp herinrichting Waterlooplein niet mogelijk. Evenmin kan [appellant] procesbelang ontlenen aan mogelijke schade, aangezien die schade mogelijkerwijs slechts het indirect gevolg kan zijn van het Definitief Ontwerp herinrichting Waterlooplein hetgeen buiten deze procedure valt, aldus het college.

4.1.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Hiertoe overweegt de Afdeling dat [appellant] in bezwaar heeft aangevoerd dat hij aanspraak maakt op een vergunning voor een vaste marktplaats en dat hij heeft verzocht om zijn vaste verkoopinrichting ook na de herinrichting van het Waterlooplein te blijven gebruiken, hetgeen volgens [appellant] ook aan hem is toegezegd. Dat het college van oordeel is dat de herinrichting van het Waterlooplein eraan in de weg staat dat hij die vaste verkoopinrichting na de herinrichting van het Waterlooplein kan blijven gebruiken, kan mogelijk een reden zijn om het verzoek van [appellant] af te wijzen, maar betekent niet dat hij geen belang meer heeft bij een oordeel van de Afdeling hierover. De Afdeling ziet zich hierbij overigens gesteund door het advies van de bezwaarschriftencommissie die ook inhoudelijk op de bezwaren van [appellant] is ingegaan. Het college heeft dat advies aan zijn besluit ten grondslag gelegd en het bezwaar om die reden deels ongegrond verklaard. De Afdeling ziet daarom niet in waarom [appellant] geen belang (meer) zou hebben bij een oordeel van de bestuursrechter of dat in rechte stand kan houden. Daarbij is ter zitting van de kant van het college bovendien desgevraagd bevestigd dat tegen het Definitief Ontwerp Waterlooplein geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstonden of openstaan. Het hoger beroep van [appellant] is derhalve ontvankelijk.

Inhoud hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan hem verleende vergunningen onrechtmatig zijn. Hij voert aan dat hij door deze vergunningen zijn huidige verkoopinrichting na de herinrichting van het Waterlooplein moet verwijderen en moet inruilen voor een ander exemplaar. Hij voert aan dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn stelling dat het besluit op bezwaar van 18 april 2018 onzorgvuldig is voorbereid. Hij wijst erop dat in februari 2017 het college hem slechts heeft medegedeeld dat de vergunning zag op de vrijgekomen plaats waarvoor hij had gesolliciteerd, dat een herinrichting van de markt op de agenda stond en dat de verkoopinrichting van zijn voorganger door hem mocht worden gebruikt. Op basis van deze kennis heeft hij investeringen gedaan en onder andere de verkoopinrichting van zijn voorganger gekocht. Het college was dus tijdig op de hoogte van de nieuwe situatie en had dit hem dan ook tijdig moeten mededelen, aldus [appellant].

5.1.    De Afdeling stelt vast dat het college in zijn besluitvorming zich op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] ervan op de hoogte kon en behoorde te zijn dat het Waterlooplein opnieuw zou worden ingericht en dat dit zou betekenen dat hij zijn vaste verkoopinrichting na de herinrichting niet langer kon gebruiken. Het college heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de informatiebijeenkomsten over het herinrichtingsproject Waterlooplein die op 14 december 2016 en 17 januari 2017 hebben plaatsgevonden. Volgens het college had [appellant] dan ook onderzoek kunnen en moeten doen naar de gevolgen van het overnemen van de vaste verkoopinrichting met de herinrichting van het Waterlooplein in zicht.

    Ter zitting van de Afdeling heeft de gemachtigde van het college desgevraagd medegedeeld dat tijdens deze bijeenkomsten niet is gesproken over de vraag of vaste verkoopinrichtingen na de herinrichting nog mogelijk zouden zijn. Tijdens deze bijeenkomst is in algemene bewoordingen gesproken over een rigoureuze herinrichting van het Waterlooplein, maar de precieze veranderingen waren volgens de gemachtigde van het college nog niet duidelijk.

    Nu gelet op het vorenstaande het voor het college op dat moment niet duidelijk was wat de herinrichting van het Waterlooplein precies inhield, heeft het college [appellant] ten onrechte tegengeworpen dat hij op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de gevolgen die deze herinrichting met zich zou brengen. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, dan ook van oordeel dat het besluit op bezwaar van 18 april 2018 in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 18 april 2018 vernietigen, behoudens voor zover daarbij de bezwaren gericht tegen de tijdelijkheid van de vergunningen gegrond zijn verklaard.

7.    Het college moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar nemen. Het voorgaande betekent evenwel nog niet dat het college zonder meer gehouden is alsnog toe te staan dat [appellant] met zijn vaste verkoopinrichting plaatsneemt op het Waterlooplein. Het college komt daarbij immers beleidsvrijheid toe. Het zal in het nieuw te nemen besluit moeten beoordelen of [appellant] alsnog vergund kan worden wat hij wenst dan wel of het jegens [appellant] wenst vast te houden aan het nieuwe beleid, vastgelegd in de herinrichtingsplannen, waarbij het gemotiveerd moet ingaan op de vraag of en in hoeverre de omstandigheid dat [appellant] niet op de hoogte was van de precieze gevolgen van de herinrichting tot het ondernemersrisico behoort. De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de Afdeling medegedeeld dat het college voornemens is binnenkort een brief te sturen aan de ondernemers op het Waterlooplein waarbij verschillende compensatiemogelijkheden worden aangekondigd, doch heeft daaraan toegevoegd dat het niet in het voornemen ligt terzake op rechtsgevolg gerichte besluiten te nemen. Deze uitspraak betekent evenwel dat het college, mocht het in het nieuw te nemen besluit  [appellant] niet alsnog toestaan met zijn vaste verkoopinrichting plaats te nemen op de markt, in dat besluit ook moet beslissen of en zo ja, in hoeverre [appellant] aanspraak maakt op compensatie. Voor zover het college daarbij gegevens nodig heeft van [appellant], zal het hem daarom kunnen verzoeken en ligt het op de weg van [appellant] daarop adequaat te reageren.

8.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2019 in zaak nr. 18/3678;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 18 april 2018, kenmerk 17006929, behoudens voor zover daarbij de bezwaren gericht tegen de tijdelijkheid van de vergunningen gegrond zijn verklaard;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Polak    w.g. Soffner

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019

818.