Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
25-09-2019
Zaaknummer
201903249/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:1622, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert aan een verblijfsobject de nummeraanduiding [locatie 1] toegekend overeenkomstig de bijbehorende situatietekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903249/1/A3.

Datum uitspraak: 25 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Langenboom, gemeente Mill en Sint Hubert,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2019 in zaak nr. 18/3082 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college aan een verblijfsobject de nummeraanduiding [locatie 1] toegekend overeenkomstig de bijbehorende situatietekening.

Bij besluit van 1 november 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.A. Lucas-Jasperse, zijn verschenen. Tevens is toen [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], gehoord. [belanghebbende] is ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het adres [locatie 2] te Langenboom. Het pand van zijn buren staat op de hoek van de Hogeweg en de Zandvoortsestraat. Aan het gedeelte op de Zandvoortsestraat heeft het college in verband met de daarin gevestigde yogastudio het nieuwe huisnummer [locatie 1] gegeven. [appellant] heeft daartegen bezwaar. Het college vindt echter dat [appellant] geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit om een nieuw huisnummer toe te kennen. Het heeft daarom zijn bezwaren niet inhoudelijk behandeld.

    De rechtbank is het eens met het college. In hoger beroep ligt dus alleen de vraag voor of [appellant] belanghebbende is.

Boordeling

2.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. De wetgever heeft deze eis gesteld om te voorkomen dat iedereen, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen.

    Het besluit van 10 januari 2018 heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van een nummeraanduiding. Het ziet niet op het gebruik dat van het betrokken verblijfsobject mag worden gemaakt. Aan de gevolgen die [appellant] stelt te ondervinden van dat gebruik, kan hij daarom in deze procedure geen belang ontlenen.

    Bepalend voor het antwoord op de vraag of [appellant] als belanghebbende kan worden aangemerkt, is of zijn belang rechtstreeks betrokken is bij de toekenning van de nummeraanduiding. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is [appellant] geen rechthebbende op het betrokken pand en ook niet op een verblijfsobject met hetzelfde huisnummer als het nummer dat is toegekend. Evenmin heeft de toekenning van het huisnummer invloed op de identificeerbaarheid van het pand van [appellant] of is gebleken dat het besluit op andere wijze gevolgen voor hem kan hebben. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat hij niet als belanghebbende als bedoeld in de Awb kan worden aangemerkt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019

290.