Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201801415/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:1090, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801415/1/V1.

Datum uitspraak: 25 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 2018 in zaak nr. 16/23891 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2016 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De staatssecretaris heeft het besluit aangevuld bij brieven van 7 juli 2017 en 26 september 2017.

Bij uitspraak van 23 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling betoogt in zijn schriftelijke uiteenzetting dat wat de staatssecretaris in hoger beroep aanvoert een herhaling is van eerder aangevoerde gronden die in beroep uitgebreid aan de orde zijn gekomen, zodat geen sprake is van grieven in de zin van artikel 85 van de Vw 2000.

Van een grief in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000 is geen sprake, als wat in het hogerberoepschrift is aangevoerd, uitsluitend een herhaling is van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist.

Hetgeen de staatssecretaris aanvoert is niet uitsluitend een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Het betoog van de vreemdeling treft daarom geen doel.

Inleiding

2.    De vreemdeling is geboren op 31 juli 1995, heeft de Congolese nationaliteit en heeft tot zijn negende jaar in Congo gewoond. Hij heeft vervolgens vier jaar in Congo-Brazzaville verbleven. Hij heeft op 18 september 2008 een eerste asielaanvraag ingediend, die op 26 maart 2009 is afgewezen omdat de staatssecretaris geen geloof heeft gehecht aan de door de vreemdeling afgelegde verklaringen over zijn identiteit. Deze afwijzing is op 13 augustus 2010 in rechte vast komen te staan. De vreemdeling heeft vanaf augustus 2012 zonder succes een aantal reguliere procedures doorlopen.

Op 2 januari 2014 heeft hij de huidige aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat de vreemdeling niet voldoet aan het in paragraaf B9/6.1, onder b, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) gestelde vereiste dat hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.

In hoger beroep is alleen het privéleven van de vreemdeling als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan de orde.

Uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1285, overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de zeer sterke banden van de vreemdeling met Nederland en het ontbreken van, dan wel zijn zeer beperkte banden met het land van herkomst, onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het kader van beschermenswaardig privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdeling uitvalt. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de staatssecretaris geen verwijderingsmaatregelen tegen de vreemdeling heeft getroffen.

Grief

4.    De grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 3 weergegeven overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris voert aan dat het uitgangspunt is dat, omdat de vreemdeling nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, verblijf op grond van privéleven slechts in bijzondere omstandigheden wordt toegestaan. Deze bijzondere omstandigheden doen zich volgens de staatssecretaris niet voor. Hij voert verder aan dat hij ook geen bijzondere binding van de vreemdeling met Nederland heeft aangenomen. Indien wel moet worden uitgegaan van zeer sterke banden van de vreemdeling met Nederland, stelt de staatssecretaris subsidiair dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de belangenafweging niet ten onrechte toch in het nadeel van de vreemdeling heeft laten uitvallen. Het niet nemen van verwijderingsmaatregelen doet er niet aan af dat een juiste afweging is gemaakt, temeer daar de vreemdeling lange periodes in procedure was, aldus de staatssecretaris.

Beoordeling grief

4.1.    De staatssecretaris betoogt terecht dat hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken en dat hij daarbij niet ten onrechte aan de belangen van de vreemdeling geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Daarbij heeft de staatssecretaris de volgende feiten en omstandigheden betrokken.

De vreemdeling heeft nooit een verblijfsvergunning gehad. Hij heeft gedurende acht jaar, in afwachting van de uitkomst van verblijfsrechtelijke procedures, in Nederland verbleven. Hij was 13 jaar oud toen hij in Nederland kwam. De vreemdeling heeft aldus een deel van zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht. Hij heeft in Nederland banden opgebouwd met vrienden, in de sport en door zijn opleiding. Daar staat tegenover dat hij de talen van Congo, Frans en Lingala, spreekt zodat hij geacht kan worden zich in dat land staande te houden. Verder is de vreemdeling in 2016 door de politierechter veroordeeld voor het plegen van een geweldsmisdrijf. De staatssecretaris meent dat de afweging van deze belangen er niet toe leidt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning moet worden verstrekt.

De staatssecretaris heeft daarbij niet ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat de opleiding die de vreemdeling in Nederland heeft gevolgd hem ook in Congo voordeel zal bieden. Ten slotte heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling gewogen dat hij op 17 augustus 2016 veroordeeld is voor een misdrijf. Dat de staatssecretaris ter zitting van de rechtbank heeft gezegd dat aan dit feit geen doorslaggevend gewicht is toegekend betekent niet dat er in het geheel geen gewicht aan is toegekend en dat het niet mocht worden meegewogen. De staatssecretaris betoogt verder terecht dat het feit dat geen gedwongen uitzettingshandelingen hebben plaatsgevonden niet tot een andere uitkomst leidt, nu dit gedurende een groot deel van de tijd niet mogelijk was omdat een verblijfsprocedure liep.

Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het Nederlands algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling.

De grief slaagt reeds hierom.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Beroep

6.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen hem en zijn pleegmoeder als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris het beleid voor het aannemen van familie- en gezinsleven bij jong meerderjarige kinderen heeft versoepeld bij Besluit van 4 september 2016, nummer WBV 2016/11, houdende wijziging van de Vc 2000 (hierna: WBV 2016/11) en dat dit een voor hem relevante wijziging van het recht is. Volgens de vreemdeling houdt de versoepeling in dat niet langer een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is vereist tussen jong meerderjarige kinderen en hun pleegouders voor het aannemen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

6.1.    Niet in geschil is dat de vreemdeling zelfstandig woont. Volgens WBV 2016/11 is dit een omstandigheid die aanleiding kan geven voor de conclusie dat een kind feitelijk niet meer behoort tot het gezin van de ouders. Alleen al daarom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat tussen de vreemdeling en zijn pleegmoeder geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Aan de vraag of met de inwerkingtreding van WBV 2016/11 ook voor jong meerderjarige pleegkinderen geldt dat geen sprake meer hoeft te zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, wordt daarom niet toegekomen.

Conclusie beroep

7.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 2018 in zaak nr. 16/23891;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019

488-850.