Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201906145/2/A1, 201906438/2/A1 en 201906157/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 25 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe zijn beslissing op schrift gesteld om op 23 maart 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door alle werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van een slakkenlaag of andere werkzaamheden ten behoeve van het creëren van een golfbaan op de percelen kadastraal bekend gemeente Lingewaal, sectie O, nummers 527, 112, 498, 556, 499, 557, 692, 577, 500, 501, 579, 502, 695, 338, 515 en 517 aan de Haarweg te Vuren stil te leggen, en Sent One en The Dutch onder oplegging van een dwangsom gelast de werkzaamheden op deze percelen te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/109
JBO 2019/422 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906145/2/A1, 201906438/2/A1 en 201906157/1/A1.

Datum uitspraak: 25 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    Sent One B.V., gevestigd te Asperen, gemeente Lingewaal,

2.    The Dutch Business Sport and Recreation development II B.V. en Made in Scotland B.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: The Dutch), gevestigd te Spijk, gemeente Delfzijl,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe,

verweerder.

Procesverloop

Besluiten van 30 juli 2019

Bij besluiten van 25 maart 2019 heeft het college zijn beslissing op schrift gesteld om op 23 maart 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door alle werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van een slakkenlaag of andere werkzaamheden ten behoeve van het creëren van een golfbaan op de percelen kadastraal bekend gemeente Lingewaal, sectie O, nummers 527, 112, 498, 556, 499, 557, 692, 577, 500, 501, 579, 502, 695, 338, 515 en 517 aan de Haarweg te Vuren (hierna: de percelen) stil te leggen, en Sent One en The Dutch onder oplegging van een dwangsom gelast de werkzaamheden op deze percelen te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden.

Bij besluiten van 8 april 2019 heeft het college de verzoeken van Sent One en The Dutch tot intrekking van de opgelegde last afgewezen.

Bij besluiten van 30 juli 2019 heeft het college de door Sent One en The Dutch tegen de besluiten van 25 maart 2019 en 8 april 2019 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben Sent One en The Dutch afzonderlijk beroep ingesteld. Sent One en The Dutch hebben de voorzieningenrechter afzonderlijk verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Besluit van 9 augustus 2019

Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het college Sent One onder oplegging van een dwangsom gelast om alle oppervlaktewater, hemelwater en spanningswater dat aanwezig is of zal komen op de percelen waar staalslakken zijn aangebracht, op te slaan en opgeslagen te houden in de daarvoor op de percelen aanwezige opslagvoorzieningen.

Tegen dit besluit heeft Sent One bezwaar gemaakt. Sent One heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Behandeling verzoeken

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 september 2019, waar Sent One, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], [gemachtigde C], [gemachtigde D] en [gemachtigde E], bijgestaan door mr. W.B. Kroon, advocaat te Breda, The Dutch, vertegenwoordigd door mr. B. van Nieuwaal, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door N. Aarts, I. van der Burgh, mr. C.P.A. Bots, C.J.M. Breij en ir. T.A. Jansen, bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland, vertegenwoordigd door A.J. Smits, drs. R. Gylstra, mr. J.J.W. van Ingen, A. Saka en H.J. Smits, bijgestaan door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Sent One beschikt over een op 4 mei 2018 verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een golfbaan met geluidswal met bijbehorende werken op de percelen. Sent One voert de aanlegwerkzaamheden uit in opdracht van The Dutch, die de percelen in eigendom heeft.

Voor de aanleg van de geluidswal maakt Sent One gebruik van staalslakken. Op 21 maart 2019 heeft het college van het waterschap Rivierenland analyseresultaten ontvangen van het percolaat- en oppervlaktewater dat vrijkomt uit de aangebrachte slakkenlaag. Ook heeft het van het waterschap twee luchtfoto's ontvangen waarop onnatuurlijke verkleuringen op waterplassen en watergangen te zien zijn. Het college heeft aan deze gegevens ontleend dat het water lokaal onder andere - volgens het college - zeer hoge concentraties aluminium, barium, strontium en enkele zware metalen heeft en lokaal een zuurgraad (pH-waarde) van 12 heeft. Volgens het college leverde dit een overtreding van de in artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) neergelegde zorgplicht op. Dit vormde voor het college aanleiding om op 23 maart 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door de werkzaamheden op de percelen stil te leggen. Het college heeft dit besluit op 25 maart 2019 op schrift gesteld. Daarbij heeft het tevens zowel Sent One als The Dutch een last onder dwangsom opgelegd om alle werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van een slakkenlaag of andere werkzaamheden ten behoeve van het creëren van een golfbaan (waarvan de geluidswal onderdeel is) op de percelen te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden. Het college heeft vermeld dat Sent One en The Dutch dienen te onderzoeken welke maatregelen noodzakelijk zijn om de verontreiniging te voorkomen, dan wel de gevolgen zo veel mogelijk ongedaan te maken. Daartoe dienen zij zo snel mogelijk onderzoek te (laten) verrichten naar de omvang van de verontreiniging en een plan van aanpak op te stellen voor het nemen van de benodigde maatregelen. De werkzaamheden mogen pas weer worden hervat nadat het college schriftelijk heeft meegedeeld dat het instemt met de resultaten van het onderzoek en het plan van aanpak.

Bij e-mailbericht van 31 maart 2019 hebben Sent One en The Dutch het college verzocht om de aan hen opgelegde last in te trekken, omdat zij, zoals zij stelden, grote inspanningen leverden en bereid waren nog te leveren om in goed overleg tot oplossingen te komen. Door intrekking van de last stelden zij zich te kunnen richten op de acties zoals beschreven in het actieplan van dezelfde datum. Bij besluit van 8 april 2019 heeft het college dit verzoek tot intrekking van de opgelegde last afgewezen. Het heeft erop gewezen dat de last zich niet uitstrekt tot werkzaamheden die in overleg met de toezichthouder worden uitgevoerd ter beperking van milieuschade. Voortzetting van het aanbrengen van staalslakken of andere werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de golfbaan acht het college ongewenst voordat duidelijk is dat deze werkzaamheden geen milieuschade meer veroorzaken.

Bij besluiten van 30 juli 2019 heeft het college de tegen de besluiten van 21 maart 2019 en 8 april 2019 door Sent One en The Dutch gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de bedoelde besluiten in stand gelaten. Sent One en The Dutch hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het college Sent One een tweede last onder dwangsom opgelegd, omdat het heeft geconstateerd dat op de staalslakkenlaag op de percelen nog hemelwater aanwezig is. Als dit in contact komt met de staalslakken kan dat volgens het college leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en oppervlaktewater. Volgens het college heeft Sent One, door geen adequate maatregelen te treffen om dit hemelwater op te vangen, gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, c, d, o en p, en artikel 2.9, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), artikel 2.4 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling) en artikel 13 van de Wbb. Het college heeft Sent One onder oplegging van een dwangsom gelast om alle oppervlaktewater, hemelwater en spanningswater dat aanwezig is of zal komen op de percelen waar staalslakken zijn aangebracht, op te slaan en opgeslagen te houden in de daarvoor op de percelen aanwezige opslagvoorzieningen.

Deelname door het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland aan het geding

3.    De voorzieningenrechter laat thans in het midden of het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Rivierenland in deze procedure als derde-belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb aan het geding kan deelnemen. In de zaken nrs. 201906145/2/A1 en 201906438/2/A1 is het aan de Afdeling om hierover in de bodemprocedure te oordelen. In zaak nr. 201906157/1/A1 is het in eerste instantie aan het college om hierover in de bezwaarprocedure een standpunt in te nemen.

en nrs. 201906145/2/A1 en 201906438/2/A1; stillegging van de werkzaamheden

4.    Sent One en The Dutch voeren in beroep tegen de besluiten van 30 juli 2019 aan dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat zij artikel 13 van de Wbb hebben overtreden. Zij bestrijden dat uit de analyses van het waterschap blijkt van een verhoogde pH-waarde of afwijkende gehalten aan metalen. De verhoogde pH-waarde is volgens hen gemeten op het oppervlak in geïsoleerde plassen hemelwater op de staalslakken. Die verhoogde pH-waarde is volgens hen het gebruikelijke gevolg van de toepassing van een gecertificeerde bouwstof. Zij voeren aan dat hieruit niet volgt dat het oppervlaktewater of de bodem als gevolg van de staalslakken is verontreinigd of dreigt te worden verontreinigd. Sent One heeft volgens hen voldoende maatregelen getroffen om contact van dat water met de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen door het door de leverancier van de staalslakken aan hen aangeleverde productinformatieblad met toepassingsvoorwaarden (versie 2013) te volgen. Subsidiair voert The Dutch aan dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt, nu de werkzaamheden door Sent One werden uitgevoerd. Verder voeren Sent One en The Dutch aan dat het college in strijd met artikel 5:6 van de Awb voor dezelfde gestelde overtreding zowel bestuursdwang heeft toegepast als een last onder dwangsom heeft opgelegd. Tot slot achten zij de last te ruim en onvoldoende specifiek geformuleerd en acht The Dutch de aan de last verbonden dwangsom onredelijk hoog.

Sent One en The Dutch voeren verder aan dat aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de golfbaan en de geluidswal op de percelen mag worden voortgezet in afwachting van de behandeling van de beroepen in de bodemprocedure. Zij wijzen op de afspraak die tijdens een zitting van de voorzieningenrechter op 16 mei 2019 tussen hen en het college is gemaakt, die inhoudt dat als er na onderzoek geen bodemverontreiniging (meer) zou worden aangetroffen, de werkzaamheden zouden mogen worden hervat. Volgens Sent One en The Dutch hebben zij aanzienlijke inspanningen geleverd om alle door het college vervolgens gevraagde informatie te verstrekken, waaronder het rapport "Verkennend bodemonderzoek Haarweg te Spijk deellocatie 1b en 1c" van BK Ingenieurs van 12 juli 2019 en het rapport "Verkennend bodemonderzoek Haarweg te Spijk deellocatie 1a" van BK Ingenieurs van 22 augustus 2019 (hierna: de bodemonderzoeken). Het college stelt zich volgens hen onredelijk op en komt de gemaakte afspraak niet na door niettemin nadere informatie te verlangen, vast te houden aan de last en hervatting van de werkzaamheden - eventueel zonder nieuwe aanvoer van staalslakken en eventueel beperkt tot zekere deelgebieden die schoon zijn - niet toe te staan. Zij stellen hierdoor aanzienlijk financiële schade te lijden.

4.1.    De voorzieningenrechter stelt voorop dat de zaak zich, gelet op de complexiteit en de omvangrijke stukken die partijen ook nog kort voor zitting hebben ingebracht en informatie die zij ter zitting naar voren hebben gebracht, niet leent voor een integrale beoordeling in de voorzieningenprocedure. Die beoordeling dient plaats te vinden in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken niet op alle gronden ingaan, maar mede aan de hand van een belangenafweging op de verzoeken beslissen.

4.2.    Artikel 13 van de Wbb luidt:

"Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen."

4.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2224), is voor een overtreding van artikel 13 van de Wbb niet vereist dat zich daadwerkelijk verontreiniging van de bodem heeft voorgedaan. De in dit artikel vervatte zorgplicht is mede gericht op het voorkomen van verontreiniging of aantasting van de bodem. Die verontreiniging of aantasting kan mede worden veroorzaakt door het op of in de bodem uitstromen van verontreinigd water.

De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de analyseresultaten en de luchtfoto's waarover het college op 22 maart 2019 beschikte, duidden op een verontreiniging van het water die bij uitstroming in de bodem tot bodemverontreiniging kon leiden. Het college mocht ervan uitgaan dat deze verontreiniging in elk geval mede verband hield met de toepassing van staalslakken, nu tussen partijen niet in geschil is dat de risico's op verontreinigingen door de staalslakken die Sent One op de percelen toepaste, algemeen bekend zijn. Deze risico's blijken ook uit de "Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in aanvullingen en ophogingen" (Stc. 2005, nr. 128), waarin staat dat bij de toepassing van staalslak in aanvullingen of ophogingen een verhoging van de zuurgraad van oppervlaktewater en van grondwater kan optreden als gevolg van de uitspoeling van vrije kalk.

Mede met het oog op het voorkomen van het uitstromen van water met een verhoogde zuurgraad in de bodem, is door Pelt & Hooykaas, die de staalslakken heeft geleverd, een productinformatieblad opgesteld waarin is uiteengezet hoe de staalslakken op verantwoorde wijze als zandvervanging kunnen worden toegepast. Het meest recente productinformatieblad over de staalslakken is dat van 1 maart 2017. Daarin staat onder meer dat er bij grootschalig gebruik van de geleverde staalslak voor zandvervanging in ophogingen en aanvullingen rekening mee dient te worden gehouden dat de staalslakken niet in direct contact met grondwater mogen worden toegepast, dat voldoende afstand tot het grondwater moet worden aangehouden en dat een capillair onderbrekende laag aan de onderzijde van de constructie moet worden aangebracht door onder de staalslak een laag doorlatend zand aan te brengen met zand voor zandbed, met een dikte van ten minste 0,5 m. De voorzieningenrechter volgt Sent One en The Dutch vooralsnog niet in hun standpunt dat het college niet van hen kan vergen dat zij dit productinformatieblad volgen, omdat Pelt & Hooykaas aan hen een eerdere versie uit 2013 heeft verstrekt, waarin onder "Toepassingswenken" slechts was opgenomen dat de bedoelde capillair onderbrekende laag bijvoorbeeld uit een zandbed kon bestaan. De omstandigheid dat Sent One en The Dutch deze oudere versie is verstrekt, ontsloeg hen niet van de verplichting om de staalslakken op een zorgvuldige wijze toe te passen. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat, zoals het college heeft toegelicht, Sent One en The Dutch geacht moeten worden op de hoogte te zijn van het productinformatieblad uit 2017. Verder acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat, zoals het college heeft toegelicht, de capillair onderbrekende laag een zekere mate van doorlatendheid dient te hebben om afstroming te voorkomen, reden waarom in het productinformatieblad is opgenomen dat deze laag uit doorlatend zand met zand voor zandbed moet bestaan. Sent One en The Dutch hebben zich op het standpunt gesteld dat onder de staalslakken op de percelen deels een kleilaag aanwezig is die het aanbrengen van een capillair onderbrekende laag ter voorkoming van uitstroming van verontreinigd water naar de bodem overbodig maakt. Deze kleilaag is volgens het college echter onvoldoende doorlatend, zodat deze niet ter vervanging van een capillair onderbrekende laag kan dienen. Mede nu de ter zitting aanwezige medewerker van Pelt & Hooykaas dit heeft bevestigd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de juistheid van het standpunt van het college te twijfelen. Dat betekent dat de staalslakken op de percelen niet met inachtneming van het productinformatieblad zijn toegepast. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de geconstateerde verontreinigingen in het water op het perceel daardoor tot het risico op bodemverontreining leiden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat op 22 maart 2019 is gebleken van een overtreding van artikel 13 van de Wbb.

4.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4752), richt de in artikel 13 van de Wbb vervatte zorgplicht zich niet alleen tot de directe veroorzaker van de verontreiniging, maar ook tot degene die het in zijn macht heeft de gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college The Dutch als eigenaar van de grond niet mede als overtreder mocht aanmerken.

4.5.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college, gelet op het risico van bodemverontreiniging, aanleiding vinden om de werkzaamheden met toepassing van spoedeisende bestuursdwang stil te leggen. Die stillegging dient een redelijk doel ter voorkoming van vergroting van dat risico door verdere toepassing van staalslakken.

De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college artikel 5:6 van de Awb heeft geschonden door Sent One en The Dutch tevens een last onder dwangsom op te leggen tot het staken en gestaakt houden van de werkzaamheden. De stillegging van de werkzaamheden met toepassing van spoedeisende bestuursdwang diende als onmiddellijke maatregel, terwijl de last onder dwangsom tot doel heeft om hervatting van de werkzaamheden, en daarmee voortzetting van de overtreding in de toekomst, te voorkomen.

4.6.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanleiding voor gerede twijfel of het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang en de oplegging van een last onder dwangsom in de bodemprocedure stand zal houden.

4.7.    Vervolgens dient beoordeeld te worden of het college het verzoek van Sent One en The Dutch om de last onder dwangsom in te trekken mocht afwijzen, en voorts of thans, ook gelet op de feiten en omstandigheden van na het bestreden besluit, aanleiding bestaat om een voorziening te treffen die het Sent One en The Dutch mogelijk maakt om de werkzaamheden te hervatten.

4.8.    Sent One en The Dutch hebben zich op het standpunt gesteld dat zij overeenkomstig de op de op 16 mei 2019 gemaakte afspraak de benodigde onderzoeken hebben overgelegd waaruit blijkt dat zich geen verontreiniging voordoet. Sent One en The Dutch beroepen zich daarbij op de bodemonderzoeken van 12 juli 2019 en 22 augustus 2019 en op een plan van aanpak van 17 juli 2019.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bodemonderzoek van 22 augustus 2019, dat ziet op deelgebied 1a, ten tijde van het bestreden besluit nog niet was overgelegd. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het college op basis van de hem ter beschikking staande gegevens ten tijde van het bestreden besluit had moeten concluderen dat op de percelen geen verontreiniging als gevolg van de staalslakken in de bodem of het grondwater aanwezig was en daarom tot intrekking van de last onder dwangsom had moeten overgaan. Dat geldt te meer nu, zoals kan worden afgeleid uit het bodemonderzoek van 12 juli 2019 dat ziet op de deelgebieden 1b en 1c, juist deellocatie 1a het deelgebied is waar de geluidswal wordt aangelegd met toepassing van staalslakken.

Wat betreft de na het bestreden besluit ingezonden stukken, waaronder het bodemrapport voor deellocatie 1a, is het in eerste instantie aan het college om deze te beoordelen. Ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat de aangeleverde analyseresultaten nog altijd duiden op een matige verontreiniging waarbij toetsingswaarden uit de Circulaire bodemsanering worden overschreden. Dit betekent volgens hem dat nader onderzoek is vereist. Mede gelet op hetgeen hiervoor over het ontbreken van een capillaire onderlaag onder de staalslakken is overwogen, ziet de voorzieningenrechter thans geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de bodemonderzoeken, anders dan het college naar voren heeft gebracht, erop duiden dat bij hervatting van de werkzaamheden geen risico op bodemverontreiniging meer bestaat. Daarbij komt dat de voorzieningenrechter niet kan uitsluiten dat uiteindelijk de verwijdering van de aanwezige staalslakken zal zijn vereist. De voorzieningenrechter gaat er daarom niet vanuit dat voortzetting van de werkzaamheden zonder de aanvoer van nieuwe staalslakken, zoals door Sent One en The Dutch voorgesteld, het doel waarmee de last is opgelegd niet zal kunnen doorkruisen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het Sent One en The Dutch bij wijze van voorlopige voorziening moet worden toegestaan om de werkzaamheden te hervatten.

5.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening in verband met de besluiten van 30 juli 2019 af te wijzen.

Zaak nr. 201906157/1/A1; opvang oppervlaktewater, hemelwater en spanningswater

6.    Sent One heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2019 en heeft de voorzieningenrechter verzocht om dat besluit te schorsen. Zij voert aan dat zij het hemelwater reeds adequaat op het terrein zelf opvangt en dat dit water, door de aangelegde kleiwallen om het terrein, niet tot risico op bodemverontreiniging leidt. Zij stelt daarmee te voldoen aan haar zorgplicht en betwist dat zij de bepalingen die het college aan de last ten grondslag heeft gelegd overtreedt. De opgelegde last acht zij te ruim geformuleerd, nu deze ook op oppervlaktewater en spanningswater ziet. Verder acht Sent One de last niet uitvoerbaar, nu het technisch niet mogelijk is om al het hemelwater op te zuigen en na een regenbui altijd hemelwater op het terrein aanwezig zal zijn. Het gedwongen afvoeren van dit water acht zij economisch niet verantwoord. In plaats daarvan wil zij het water - al dan niet na behandeling daarvan - versproeien over de staalslakken. Dit is volgens haar een gebruikelijke en voor het milieu verantwoorde methode om stofvorming tegen te gaan, die haar eerder door het college ook nog werd toegestaan. Het risico op bodemverontreiniging wordt hiermee eveneens adequaat voorkomen. Verder heeft Sent One ter zitting naar voren gebracht dat ook het afdekken van de staalslakken een adequate oplossing biedt.

6.1.    De voorzieningenrechter zal ook bij de beoordeling van dit verzoek niet op alle gronden ingaan, maar mede aan de hand van een belangenafweging op het verzoek beslissen.

6.2.    De bepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling die het college mede ten grondslag heeft gelegd aan de last onder dwangsom bevatten, kort weergegeven, een zorgplicht om bodem-, grondwater- en oppervlaktewaterverontreiniging te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, en nadere uitwerkingen van die zorgplicht.

6.3.    Het college heeft aan de opgelegde last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat een controle op 7 augustus 2019 heeft uitgewezen dat nog hemelwater op de percelen aanwezig is. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het risico bestaat dat hemelwater dat in contact komt met de staalslakken verontreinigd raakt en afstroomt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sent One niet aannemelijk gemaakt dat zij haar zorgplicht naleeft door het hemelwater adequaat op te vangen. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aanleiding tot het stilleggen van de werkzaamheden op de percelen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de door Sent One bedoelde kleiwallen het bedoelde risico op verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater in voldoende mate wegnemen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college er terecht van uitgegaan dat de aanwezigheid van hemelwater op de percelen duidt op een schending van de zorgplicht waartegen het handhavend kan optreden.

6.4.    Het college heeft ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat de opgelegde last er niet toe strekt dat het hemelwater op de percelen steeds voor 100% en onmiddellijk moet worden opgeslagen. Met de opgelegde last tracht het te bereiken dat Sent One de inspanningen verricht die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd om het water op het perceel zoveel mogelijk op te vangen. Dit om te voorkomen dat het in contact komt met de staalslakken en daarna tot verontreiniging van de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater leidt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de last ook zo worden begrepen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college aanleiding vinden om deze last op te leggen, om het afstromen van verontreinigd water te voorkomen. De voorzieningenrechter ziet daarbij niet in dat dit risico zich niet tevens kan voordoen bij oppervlaktewater en spanningswater dat op de percelen aanwezig is. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de last zich tot het oppervlaktewater en spanningswater mag uitstrekken.

Voor zover Sent One heeft aangevoerd dat het risico van het afstromen van verontreinigd water ook op andere wijze dan door de gelaste opslag kan worden voorkomen of beperkt, rechtvaardigt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een schorsing van het besluit. De vraag op welke wijze Sent One de overtreding op de voor haar minst bezwarende wijze ongedaan kan maken, leent zich bij uitstek voor een beoordeling in de bezwarenprocedure. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat de last alleen strekt tot het opslaan van het water. Weliswaar heeft het college in het besluit tot het opleggen van de last aangegeven niet te kunnen instemmen met de door Sent One voorgestelde versproeiing, en afvoer naar een erkend verwerker te verlangen, maar dit maakt geen onderdeel uit van de last.

7.    Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in verband met het besluit van 9 augustus 2019 af te wijzen.

Proceskostenveroordeling

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9.    De voorzieningenrechter merkt nog op dat Sent One ter zitting formulieren proceskosten heeft overgelegd, waarachter een grote hoeveelheid facturen is gevoegd als bijlagen bij opgevoerde kosten voor door een deskundige uitgebracht deskundigenrapport. Deze facturen houden echter kennelijk mede verband met de naleving van de beide aan haar opgelegde lasten. De daarvoor gemaakte kosten kunnen niet als proceskosten worden aangemerkt. Voor zover Sent One wenst dat wordt ingegaan op de vraag of en in hoeverre aanleiding bestaat voor vergoeding van deze kosten, is het aan haar om dat - toegelicht - naar voren te brengen en de facturen in te brengen in de betreffende bezwaarprocedure en in de betreffende bodemprocedure van het beroep.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Witsen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2019

727.