Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
201906661/1/V3 en 201906661/2/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906661/1/V3 en 201906661/2/V3.

Datum uitspraak: 24 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 augustus 2019 in zaak nr. NL18.18745 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 27 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door meer dan 24 uur voor het verstrijken van de uiterste termijn voor het indienen van een zienswijze over het nadere standpunt van de staatssecretaris al uitspraak te doen.

2.    Uit de brief van 14 augustus 2019 volgt dat de rechtbank de vreemdeling in de gelegenheid heeft gesteld om uiterlijk op 28 augustus 2019 haar zienswijze over het nadere standpunt van de staatssecretaris in te dienen en om aan te geven of zij de rechtbank toestemming geeft zonder nadere zitting uitspraak te doen. Door voor afloop van deze reactietermijn zonder een reactie van de vreemdeling al op 27 augustus 2019 uitspraak te doen, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor, zoals de vreemdeling terecht in de eerste grief betoogt.

    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken, vanwege het volgende. De voorzieningenrechter wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de voorzieningenrechter in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 augustus 2019 in zaak nr. NL18.18745;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    wijst het verzoek af;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Verburg    w.g. Annen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2019

765-907.