Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3211

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201807556/1/R2, 201807557/1/R2, en 201807558/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout het besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting betreffende industrielawaai vanwege industrieterrein Weststad-Statendam vastgesteld (hierna: besluit hogere waarden industrielawaai) ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/415 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807556/1/R2, 201807557/1/R2, en 201807558/1/R2.
Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Oosterhout,

en

1. de raad van de gemeente Oosterhout,

2. het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout het besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting betreffende industrielawaai vanwege industrieterrein Weststad-Statendam vastgesteld (hierna: besluit hogere waarden industrielawaai) ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017".

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout het besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting betreffende verkeerslawaai vanwege de wegen Wilhelminakanaal-Oost en de Wilhelminalaan (hierna: besluit hogere waarden verkeerslawaai) ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" vastgesteld.

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen, Topvorm Vastgoed B.V en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gezamenlijk ter zitting behandeld op 19 maart 2019, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en [appellant A], en de raad en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. F.W.L. Versteegh en P.H. Otten, bijgestaan door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting Grondexploitatiemaatschappij Eiland Zwaaikom C.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. W.J. Bosma, advocaat te Den Haag, Topvorm Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden B], bijgestaan door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, en Watersportvereniging Sluis, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 360 woningen op het kanaaleiland in het noordelijke deel van het plangebied, de bouw van maximaal 140 woningen op de zogenoemde 'Twickel locatie' in het zuidoostelijke deel van het plangebied en de uitbreiding van de vijfde aanlegsteiger van een bestaande jachthaven in het zuidelijke deel van het plangebied. Ook is een bestaande betonfabriek in het noordoostelijke deel van het plangebied als zodanig bestemd. Het plangebied ligt aan de westzijde van het centrum van Oosterhout.

[appellant] en anderen wonen op het kanaaleiland nabij de voorziene woningbouw aldaar en op een afstand van ongeveer 150 m tot de Twickel locatie. Het beroep van [appellant] en anderen is gericht op de nieuwbouwmogelijkheden waarin het plan voorziet. Zij betogen dat het plan zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat, vooral vanwege de voorziene hoogbouw op een naastgelegen perceel ten oosten van hun woningen.

2. De voor de zaak relevante planregels zijn opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.

Bestemmingsplan

Ontvankelijkheid

3. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn bij de Twickel locatie in het zuidoostelijke deel van plangebied, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] en anderen wonen op een afstand van ongeveer 150 m van de Twickel locatie. Niet is gebleken dat [appellant] en anderen vanuit hun woningen zicht op deze locatie hebben. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen de woningen van [appellant] en anderen een zijtak van het Wilhelminakanaal ligt. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellant] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de ontsluiting van de Twickel locatie niet via het kanaaleiland zal verlopen, zodat ook voor zover het gaat om de door [appellant] en anderen gestelde verkeershinder niet aannemelijk gemaakt is dat zij in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben.

De conclusie is dat [appellant] en anderen bij de Twickel locatie geen belanghebbende zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep, ten aanzien van de Twickel locatie, is niet-ontvankelijk.

4. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat de betogen van [appellant] en anderen over de ladder voor duurzame verstedelijking, de verslechtering van de luchtkwaliteit, de windhinder, de brugverbinding, verkeers- en industrielawaai niet berusten op een ingebrachte zienswijze overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat echter geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

De door de raad genoemde betogen zijn gericht tegen plandelen waartegen [appellant] en anderen ook een zienswijze naar voren hebben gebracht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het beroep wat betreft genoemde aspecten steunt op een ter zake naar voren gebrachte zienswijze en het beroep is in zoverre dan ook ontvankelijk.

Intrekking beroepsgronden

5. [ appellant] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat het plan niet meer dan 500 woningen mogelijk maakt en daardoor onder de uitzondering van voorschrift 3B.2 van Bijlage 3B van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (hierna: de regeling) valt, ingetrokken, nu vast staat dat het plan de bouw van maximaal 500 woningen mogelijk maakt.

6. Ook hebben [appellant] en anderen ter zitting hun beroepsgrond dat de geluidzone niet aansluit op de bestaande geluidzone buiten het plangebied en dat de bestemmingsplannen, waarin de bestaande geluidzones buiten het plangebied zijn vastgesteld, niet "ten minste tegelijkertijd" met het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" zijn vastgesteld, ingetrokken.

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Voorgeschiedenis

8. Het vorige bestemmingsplan "De Zwaaikom", zoals vastgesteld op 20 september 2005, voorzag in de bouw van ongeveer 1000 woningen in het plangebied. De maximaal toegestane bouwhoogte voor woningbouw ten oosten van de woningen van [appellant] en anderen bedroeg 32 m.

Ingevolge artikel 3, lid 3.8.3, van de voorschriften van genoemd plan kon deze woonfunctie alleen worden uitgeoefend als de milieuvergunning van het [betonbedrijf] was ingetrokken.

Vanwege gewijzigde marktomstandigheden bleek genoemd plan niet realiseerbaar en bleek ook de transformatie van de locatie van de aanwezige betonfabriek naar woondoeleinden niet langer haalbaar. Gelet daarop is het voorliggende bestemmingsplan vastgesteld.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro)

9. [ appellant] en anderen betogen dat de uitbreiding van de jachthaven, gelet op de oppervlakte van de uitbreiding en de toename van het aantal bezoekers, ten onrechte niet is aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorziene woningbouwontwikkeling een herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied betreft, omdat op het eiland geen sprake is van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Verder is volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet gemotiveerd waarom in bestaand stedelijk gebied niet kan worden voorzien in de behoefte van de in het plan voorziene ontwikkeling.

9.1.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro luidt:

"h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro luidt:

"i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

9.2.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de uitbreiding van de jachthaven, gelet op de oppervlakte van de uitbreiding en de toename van het aantal bezoekers, ten onrechte niet is aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 het volgende.

Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan.

Uit de plantoelichting blijkt dat bij een eerder wijzigingsplan gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid uit het vorige bestemmingsplan om te voorzien in de bouw van een vijfde steiger in de bestaande jachthaven. De uitbreiding van de jachthaven met een vijfde steiger is in dat wijzigingsplan mogelijk gemaakt door de bestemming "Recreatie-jachthaven" toe te kennen. Ingevolge artikel 3.2 van de regels bij dat wijzigingsplan mag het aantal ligplaatsen aan de steiger niet meer bedragen dan 16. In het onderhavige plan is de jachthaven ter plaatse van de uitbreiding van de vijfde steiger in zuidoostelijke richting uitgebreid op gronden die in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Waterstaatkundige doeleinden Ws" en "Grondwaterbeschermingsgebied" hadden. De gronden hebben in het onderhavige plan de bestemming "Recreatie" met de functieaanduiding "jachthaven" en de gebiedsaanduiding "milieuzone-grondwaterbeschermingsgebied", waarmee is beoogd extra ligplaatsen aan de vijfde steiger mogelijk te maken.

Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5721 voorzag het vorige bestemmingsplan "De Zwaaikom" voor de gronden van het plangebied reeds in de bouw van ongeveer 1000 woningen. Het onderhavige plan voorziet in de bouw van in totaal 500 woningen. De gronden die in het onderhavige plan een woonbestemming hadden, hadden dat voor het overgrote deel ook in het vorige bestemmingsplan. Weliswaar was in het vorige plan woningbouw ook voorzien op de locatie van [betonbedrijf] waaraan in het voorliggende plan een bedrijfsbestemming is toegekend, maar dit bedrijf was reeds aanwezig en er vindt in zoverre geen nieuw beslag op de ruimte plaats.

Gezien het vorenstaande overweegt de Afdeling dat de bouwmogelijkheden en de functiewijziging waarin het plan voorziet niet zodanig zijn dat zij moeten leiden tot het oordeel dat het voorliggende plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing, zodat aan de vraag of sprake is van bestaand stedelijk gebied niet wordt toegekomen.

Het betoog faalt.

Natuurnetwerk Brabant - Ecologische Verbindingszone

10. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de aantasting van de ecologische verbindingszone, ten gevolge van de realisatie van de voorziene brug, de aanleg van de vijfde steiger en het uitbaggeren van de dode tak van het Wilhelminakanaal.

10.1.

De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onderzoek naar de aantasting van de ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant nodig was ten gevolge van de realisatie van de voorziene brug en de aanleg van de vijfde steiger. De raad heeft er in dat kader terecht op gewezen dat de uitbreiding van de vijfde steiger slechts een beperkte omvang heeft en de brug grotendeels over het water zal gaan, zodat de ontwikkeling naar verwachting geen negatieve gevolgen zal hebben voor de ecologische verbindingszone en de natuurwaarden. Verder heeft de raad er ter zitting onbetwist op gewezen dat de scheepvaart reeds jaren van de genoemde verbinding gebruik maakt.

Ten aanzien van het betoog dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de aantasting van de ecologische verbindingszone ten gevolge van het uitbaggeren van de dode tak van het Wilhelminakanaal, overweegt de Afdeling dat het uitbaggeren van het Wilhelminakanaal regulier onderhoud betreft. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitbaggeren tijdelijke werkzaamheden behelzen die geen structurele aantasting tot gevolg hebben.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisatie van de voorziene brug, de aanleg van de vijfde steiger en het uitbaggeren van de dode tak van het Wilhelminakanaal niet zal leiden tot een aantasting van de ecologische verbindingszone.

Het betoog faalt.

Natuurnetwerk Brabant (hierna: NNB)

11. [appellant] en anderen betogen dat de in het plan voorziene woningbouw in strijd is met de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening ruimte), omdat delen van het plangebied als NNB zijn aangemerkt en hiermee niet voldoende rekening is gehouden. Volgens hen past de raad de Verordening ruimte onjuist toe. [appellant] en anderen voeren aan dat de compensatie van het NNB onjuist is berekend en niet voldoet aan het in de Verordening ruimte genoemde "nee-tenzij" principe. Uit het rapport "Herbegrenzing NNB Zwaaikom" (hierna: rapport Herbegrenzing NNB), van 5 februari 2018, opgesteld door Regelink Ecologie en Landschap, blijkt volgens [appellant] en anderen dat de voorgestelde herbegrenzing geen kwalitatieve of kwantitatieve verbetering inhoudt. Hierdoor wordt volgens hen niet voldaan aan het compensatievereiste.

De stelling van de raad dat een deel van het NNB onder het vorige bestemmingsplan reeds een woonbestemming had is volgens [appellant] en anderen niet relevant, nu in de Verordening ruimte de gronden zijn aangemerkt als NNB. Bovendien is de stelling volgens hen onjuist, nu de gronden op grond van het bestemmingsplan "Zwaaikom" niet voor woningbouw konden worden benut zolang de milieuvergunning van de nabijgelegen betonfabriek niet was ingetrokken.

Verder is er volgens [appellant] en anderen alleen sprake van een groot openbaar belang met betrekking tot de brug. Zij voeren tevens aan dat de stelling van de raad dat op 25 juni 2018 het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant positief heeft beslist op het ingediende verzoek tot herbegrenzing niet correct is en chronologisch niet mogelijk is. Zij stellen dat de raad suggestieve informatie verstrekt.

Voorts heeft de raad volgens [appellant] en anderen ten onrechte de aantasting van de ecologische verbindingszone ten gevolge van de realisatie van de voorziene brug, de aanleg van de vijfde steiger ter uitbreiding van de jachthaven en het uitbaggeren van de dode tak van het Wilhelminakanaal niet meegenomen in het herbegrenzingsbesluit.

11.1.

De woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" die het plan mogelijk maakt, wordt deels aangelegd op gronden die volgens de Verordening ruimte tot het NNB behoorden. Op verzoek van de gemeente Oosterhout heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant daarom bij besluit van 25 juni 2018 de begrenzing van het NNB met toepassing van de zogenoemde "saldobenadering" in artikel 5.4 van de Verordening ruimte gewijzigd, waardoor de in het plan voorziene woningbouw niet meer in het NNB ligt. Met dit besluit heeft het college van gedeputeerde staten beoogd de vaststelling van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" mogelijk te maken.

11.2.

In de Verordening ruimte zijn algemeen verbindende voorschriften opgenomen over bestemmingsplannen voor gronden in het NNB. Met het besluit van het college van gedeputeerde staten van 25 juni 2018 is de Verordening ruimte gewijzigd wat betreft de begrenzing van het NNB.

De Afdeling heeft onder 22 van haar uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1060, overwogen dat indien in een verordening een gebied is aangewezen waar een bepaald verbod of gebod geldt, die aanwijzing een algemeen verbindend voorschrift is. Dit geldt ook indien de verordening aan het orgaan dat de verordening heeft vastgesteld de bevoegdheid toekent de gebiedsaanwijzing die bij de verordening heeft plaatsgevonden te wijzigen. Indien aan een ander orgaan dan het orgaan dat de verordening heeft vastgesteld de bevoegdheid is toegekend de gebiedsaanwijzing te wijzigen, is de wijziging door dat orgaan eveneens een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit van het college van gedeputeerde staten tot wijziging van de begrenzing van het NNB is dan ook een algemeen verbindend voorschrift.

11.3.

De Afdeling zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van [appellant] en anderen beoordelen of het besluit van 25 juni 2018 tot wijziging van de begrenzing van het NNB in strijd is met de voorschriften uit de Verordening.

11.4.

De Afdeling overweegt dat het besluit van de raad tot vaststelling van het plan als zodanig niet aan artikel 5.4 van de Verordening ruimte kan worden getoetst. Die bepaling heeft namelijk betrekking op besluiten van gedeputeerde staten tot herbegrenzing van het NNB en is daarom niet rechtstreeks van toepassing op een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Datzelfde geldt voor de artikelen 5.6 en 5.7 van de Verordening, waarin de compensatieverplichting uit artikel 5.4 van de Verordening ruimte nader is uitgewerkt. Indien de Afdeling echter naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant] en anderen tot het oordeel komt dat het besluit van 25 juni 2018 tot wijziging van de begrenzing van het NNB in strijd is met de voorschriften uit de Verordening ruimte, betekent dit dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van het besluit van 25 juni 2018 had mogen uitgaan en dat het plan daardoor in strijd is met artikel 5.1 van de Verordening ruimte, welk artikel wel rechtstreeks verplichtingen met betrekking tot het NNB oplegt aan de planwetgever.

11.5.

De wijziging van het NNB is tweeledig: enerzijds vindt voor een deel van de gronden een correctie plaats van de NNB, voor een ander deel van de gronden vindt aanpassing van de NNB plaats vanwege de in het bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen. Voor de correctie vindt geen compensatie plaats. De gronden met de bestemming "Woongebied - 2" die niet eerder een woonbestemming hebben gekregen in het vorige bestemmingsplan en onder het NNB vallen dienen wel te worden gecompenseerd. Voor de compensatie van deze gronden is de zogenoemde "saldobenadering" van artikel 5.4 van de Verordening ruimte toegepast.

Correctie NNB

11.6.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat aan een deel van de gronden in het vorige bestemmingsplan al een woonbestemming was toegekend en dat daardoor het NNB op die gronden niet gecompenseerd hoeft te worden, overweegt de Afdeling het volgende.

11.7.

Artikel 38, lid 38.4 van de Verordening ruimte luidt:

"38.4 Algemene wijzigingsbevoegdheid

1. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de regels van deze verordening wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van een kennelijke onvolkomenheid of onduidelijkheid in de tekst, mits dit geen beleidsinhoudelijke wijziging ten gevolge heeft;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel.

2. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden (structuren) en aanduidingen wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel;

c. de begrenzing van een gebied of aanduiding niet (langer) in overeenstemming is met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de wet is bekendgemaakt;

d. dit nodig is vanwege een verzoek tot wijziging van een bepaald gebied of aanduiding op grond van deze verordening. "

11.8.

Uit paragraaf 2.2 van het herbegrenzingsbesluit blijkt dat de provincie bij de herbegrenzing van het NNB voor een deel gebruik heeft gemaakt van de correctiemogelijkheid, zoals opgenomen in artikel 38, lid 38.4, sub 2, van de Verordening ruimte. Op grond van dit artikel kan de begrenzing van het NNB worden aangepast. De gronden die met toepassing van artikel 38, lid 38.4, sub 2, van de Verordening niet langer deel uitmaken van het NNB betreffen gronden die in het vorige bestemmingsplan "Zwaaikom" reeds een woonbestemming hadden. Deze correctie behoeft geen compensatie.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten geen gebruik heeft kunnen maken van genoemde bevoegdheid.

11.9.

Ten aanzien van het betoog over de herbegrenzing en compensatie van de NNB als gevolg van de realisatie van de voorziene brug en de uitbreiding van de vijfde steiger verwijst de Afdeling naar het overwogene onder 10.1, zodat niet vanwege genoemde ontwikkelingen tot herbegrenzing en compensatie diende te worden overgegaan.

Compensatie NNB

11.10.

Bij een verzoek om herbegrenzing van het NNB is de raad vrij om een keuze te maken tussen het zogenoemde "nee-tenzij" principe uit artikel 5.3 van de Verordening ruimte en de zogenoemde "saldobenadering" uit artikel 5.4 van de Verordening ruimte. Bij het verzoek om herbegrenzing van het NNB naar aanleiding van dit plan heeft de raad zijn verzoek, anders dan [appellant] en anderen betogen, met toepassing van de zogenoemde "saldobenadering" uit artikel 5.4 van de Verordening ruimte gedaan.

11.11.

Niet in geschil is dat de realisatie van de woningbouw leidt tot een aantasting van het NNB waarvoor op grond van de Verordening ruimte compensatie nodig is. Bij het plan is het rapport Herbegrenzing NNB gevoegd, waarin in hoofdstuk 6 een compensatieplan is opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt eerst ingegaan op de herbegrenzing. In paragraaf 5.1 wordt ingegaan op het areaalverlies ten gevolge van de herbegrenzing van het NNB. Op het eiland zullen kleine stukjes natuur overblijven. Om de gevolgen hiervan te mitigeren heeft de raad in het plan extra ruimte gereserveerd voor de bestemming "Natuur". Deze liggen vooral aan de randen van het plangebied, langs het water en voor een deel in het Noorden van het Eiland, waar wel al bos ligt, maar dat niet is meegenomen in de NNB. Om te zorgen dat die stukjes natuur weer één geheel kunnen gaan vormen, is gebruik gemaakt van de zogenoemde "saldobenadering" in artikel 5.4 van de Verordening ruimte. Hiermee kan het verlies aan bos en natuur gecompenseerd worden. De compensatie wordt volgens de regels van artikel 5.6 van de Verordening ruimte uitgevoerd.

Binnen het plangebied liggen 2 bospercelen waarvan in de huidige situatie 2,05 hectare onderdeel uitmaakt van het NNB. Door de herbegrenzing verdwijnt een deel van het NNB en blijft 0,86 hectare van de 2,05 hectare over. Er zal dus 1,19 hectare bos verdwijnen. In paragraaf 5.1.3 staat dat dit bos een leeftijd heeft die hoger is dan 25 jaar, waardoor er op grond van artikel 5.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening ruimte een toeslag geldt van twee-derde deel van de oppervlakte die er aan bos verdwijnt. Daarom wordt bij de te compenseren 1,19 hectare, een toeslag van 0,79 hectare opgeteld die bij de toepassing van de saldobenadering moet worden meegenomen. Daarmee is de te compenseren oppervlakte minimaal 1,98 hectare.

De stelling van [appellant] en anderen dat de voorgenomen compensatiemaatregelen onvoldoende zijn omdat er geen bos terugkeert, deelt de Afdeling niet. Artikel 5.4 en artikel 5.6, in samenhang gelezen met artikel 5.7 van de Verordening ruimte vereisen niet dat het natuurtype dat deels verloren gaat in dezelfde vorm moet terugkeren. In paragraaf 5.1.3 wordt aangegeven dat het binnen het plangebied niet mogelijk is om de gehele te compenseren oppervlakte opnieuw met bos te beplanten. Daar waar nieuw bos aangeplant zou kunnen worden, blijkt uit het veldbezoek dat daar reeds bos aanwezig is. Het is zelfs zo dat de op de gehele kop van het Eiland, daar waar bos mogelijk is, er al bos staat. Deze stukken bos zijn echter niet aangemerkt als NNB. Er zal van aanplant dan ook geen sprake zijn, alleen een aanpassing van de begrenzing en het aanmerken van deze bossen als NNB, aldus de plantoelichting.

De mogelijkheden om de natuur binnen het plangebied te ontwikkelen zijn volgens het rapport Herbegrenzing NNB Zwaaikom groter dan de mogelijkheden om nieuw bos aan te leggen. Een aanzienlijk gedeelte van de bestemming "Natuur" ligt aan de rand van het gebied langs het water. Ter plaatse geldt ook voor een groot deel een dubbele bestemming, aangezien er ook rekening gehouden moet worden met de verkeersveiligheid op het water. Bij bochten in het water moeten deze voor het scheepvaartverkeer overzichtelijk zijn en mag er dus geen zichtbelemmerende begroeiing staan. Dit houdt in dat er langs de waterkant geen bos ontwikkeld kan worden. Alternatieve natuur, in de vorm van kruiden- en faunarijke graslanden, is volgens het rapport Herbegrenzing NNB de oplossing voor dit gedeelte.

Nu het overgebleven gedeelte van de NNB 0,86 hectare is en het te compenseren gedeelte 1,98 hectare bedraagt, dient het nieuw te begrenzen deel van het NNB volgens het rapport Herbegrenzing NNB ten minste 2,84 hectare te bedragen. Met de door [appellant] en anderen genoemde "oude" NNB in de zin van overgebleven NNB is derhalve rekening gehouden, zodat in zoverre geen sprake is van een dubbeltelling. Uit het rapport Herbegrenzing NNB blijkt dat op het eiland voldoende ruimte is om deze compensatie toe te kunnen passen. In paragraaf 6.1 van het rapport Herbegrenzing NNB Zwaaikom wordt een voorstel gedaan voor de nieuwe begrenzing. Met dit voorstel wordt de minimumvereiste van 2,84 hectare voor het areaal natuur ruimschoots gehaald nu het voorstel een nieuwe begrenzing van 3,16 hectare betreft. Dit voorstel is overgenomen in het besluit van 25 juni 2018 tot wijziging van de begrenzing van het NNB.

Het college van gedeputeerde staten heeft zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van de in het plan voorziene woningbouw op het eiland in combinatie met de in het plan voorziene natuur leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het NNB als geheel.

11.12.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het herbegrenzingsbesluit in zoverre in strijd met de artikelen 5.4, 5.6 en 5.7 van de Verordening ruimte is genomen. De raad mocht dat besluit daarom ten grondslag leggen aan zijn besluit tot vaststelling van het plan.

Het betoog faalt.

Verslechtering luchtkwaliteit

12. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de luchtkwaliteit. In dat verband voeren zij aan dat de effecten op de luchtkwaliteit van het [betonbedrijf] onvoldoende zijn onderzocht.

12.1.

Vaststaat dat het [betonbedrijf] ten tijde van de vaststelling van dit plan al een bestaand bedrijf was dat in dit plan opnieuw wordt bestemd. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting wordt gesteld dat uit de jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit in Oosterhout blijkt dat de wettelijke plafonds voor de luchtkwaliteit nergens worden overschreden. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het [betonbedrijf] een milieuvergunning heeft waarbij ook de emissie uitstoot is betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit. Het betoog faalt.

12.2.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen over de depositie van stikstof en het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS), overweegt de Afdeling dat de - voor Natura 2000-gebieden relevante - depositie van stikstof niet ziet op luchtkwaliteit en daarom ook niet behoefde te worden betrokken bij de beoordeling van de luchtkwaliteit. De Afdeling verwijst voor bespreking van dit onderwerp naar rechtsoverweging 13 en volgende.

Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebied

13. [appellant] en anderen betogen dat niet valt uit te sluiten dat de voorziene ontwikkeling significante gevolgen zal hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Volgens [appellant] en anderen is onduidelijk of de raad [betonbedrijf] betrokken heeft bij berekeningen betreffende stikstofdepositie. Nu aannemelijk is dat het PAS geen stand kan houden heeft de raad ten onrechte gebruik gemaakt van de Aerius-berekening en het PAS gehanteerd. Nu voorts niet is uitgesloten dat het plan significante gevolgen zal hebben, diende een passende beoordeling te worden gemaakt.

13.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

13.2.

De bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) hebben met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

13.3.

De woningen van [appellant] en anderen bevinden zich op ongeveer zeven kilometer van het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied. De Afdeling is van oordeel dat het Natura 2000-gebied geen deel uitmaakt van de directe leefomgeving van [appellant] en anderen. Gelet hierop bestaat geen duidelijke verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Artikel 8:69a van de Awb staat er dan ook aan in de weg dat het bestreden besluit als gevolg van dit betoog van [appellant] en anderen wordt vernietigd. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] en anderen over de omliggende Natura 2000-gebieden hebben aangevoerd.

Flora en Fauna

14. [appellant] en anders betogen dat de raad ten onrechte het standpunt inneemt dat vervolgonderzoeken betreffende flora en fauna in een later stadium kunnen worden uitgevoerd. De raad diende volgens hen voor het vaststellen van het bestemmingsplan te onderzoeken of er voldoende maatregelen zijn getroffen ter bescherming van de flora en fauna op het kanaaleiland.

14.1.

De raad stelt dat er gedegen onderzoek is gedaan naar de mogelijke effecten van het plan op beschermde soorten in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Ecologische quickscan Zwaaikom Oosterhout" (hierna: de quickscan), uitgevoerd in opdracht van de gemeente Oosterhout door Regelink Ecologie en Landschap, van 29 januari 2018. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat uit de quickscan blijkt dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

14.2.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied, waarvan de resultaten te vinden zijn in de quickscan. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het zo nodig, niet mogelijk is om maatregelen te nemen om te voorkomen dat de (vaste) rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten in het plangebied worden beschadigd of vernield, noch dat een vrijstelling of ontheffing van de Wnb niet mogelijk is.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Verkeer

15. [appellant] en anderen betogen dat het bij de plantoelichting als bijlage gevoegde rapport "Mobiliteitstoets Oosterhout Zwaaikom" (hierna: mobiliteitstoets) van 22 december 2017, wat betreft de verkeersintensiteit onjuistheden bevat. In de mobiliteitstoets worden volgens hen conclusies getrokken ten aanzien van het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg onder verwijzing naar een onderzoek van Antea/Vialis "Verkeersonderzoek omgeving Wilhelminahaven" van 2 februari 2017, zonder dat in de mobiliteitstoets zelf onderzoek wordt gedaan naar genoemd kruispunt. [appellant] en anderen wijzen er in dat kader op dat het onderzoek van Antea/Vialis een ander doel had en dat de conclusie die in de Mobiliteitstoets wordt getrokken als zodanig niet in het rapport van Antea/Vialis wordt genoemd. Volgens [appellant] en anderen zal de toename van verkeer op de Wilhelminalaan de beperkte doorstroming op het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg verergeren.

In de mobiliteitstoets wordt ook ten onrechte niet ingegaan op de situatie van de Wilhelminabrug bij een geopende brug en op de verplaatsing van de kruising dichter naar de druk bereden Wilhelminabrug. Dit zal door de toename van verkeer ten gevolge van het plan volgens hen leiden tot grotere verkeersopstoppingen.

15.1.

Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun betoog dat de mobiliteitstoets wat betreft de verkeersintensiteit onjuistheden bevat in die zin toegelicht dat zij stellen dat de mobiliteitstoets niet deugt omdat het niet overeenkomt met hun ervaring ten aanzien van de verkeersintensiteiten. De Afdeling overweegt dat de mobiliteitstoets gebaseerd is op onderzoek. In de mobiliteitstoets staat dat aan de hand van de verdeling naar woningtype de verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkelingen is bepaald. [appellant] en anderen hebben hun betoog dat de mobiliteitstoets niet deugt niet met gegevens onderbouwd. De enkele stelling dat de conclusie van het onderzoek niet overeenkomt met hun ervaring, maakt niet dat de raad zich niet in redelijkheid op de in de mobiliteitstoets opgenomen verkeersintensiteiten heeft kunnen baseren. Het betoog faalt.

15.2.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de verkeersontwikkeling op het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat vooral is gekeken naar de kruispunten om te kunnen bepalen of het omliggende wegennet de toename van het verkeer kan verwerken, omdat dit de zwakste schakels zijn wat betreft de doorstroming. Om te bekijken of het wegennet de toename van het verkeer als gevolg van de woningbouw kan verwerken, is voor onder andere het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg een kruispuntberekening uitgevoerd. In maart 2017 heeft de gemeente Oosterhout kruispunttellingen laten uitvoeren voor acht kruispunten in de omgeving van de Zwaaikom. Deze kruispunttellingen vormen de basis voor de uitgevoerde kruispuntberekeningen. Uit de kruispuntberekening blijkt, dat voor het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg reeds sprake is van een beperkte doorstroming in de spits.

In de mobiliteitstoets wordt verder verwezen naar een "onderzoek van Antea/Vialis". Daarmee wordt het in het kader van het bestemmingsplan "Wilhelminahaven" uitgevoerde onderzoek van Vialis genaamd "Second opinion verkeersonderzoek omgeving Wilhelminahaven" (hierna: onderzoek van Vialis), van 3 april 2017, bedoeld. In het onderzoek van Vialis staat dat dit onderzoek een second opinion betreft over de aanpak van het Verkeersonderzoek omgeving Wilhelminahaven van Antea Group van 2 februari 2017. De second opinion gaat in op de aanpassing van de verkeerslichtenregelingen om er zeker van te zijn dat de voorgestelde optimalisatie een voldoende oplossend vermogen heeft. Uit het onderzoek van Vialis blijkt dat de gemiddelde wachttijd op het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg van de Bredaseweg Noord naar de Wilhelminalaan 92 seconden is, de gemiddelde wachttijd van de Bredaseweg Zuid naar de Wilhelminalaan 7 seconden is, de gemiddelde wachttijd van de Wilhelminalaan naar de Bredaseweg Zuid 115 seconden is en de gemiddelde wachttijd van de Wilhelminalaan naar de Bredaseweg Noord 115 seconden is. De raad heeft aangegeven dat deze gemiddelde wachttijden binnen de richtlijn van de wenselijke wachttijd van 120 seconden vallen. Uit het onderzoek van Vialis blijkt voorts dat er mogelijkheden zijn om de regeling van de verkeerslichten op het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg te optimaliseren, zodat de doorstroming in de toekomstige situatie niet zal leiden tot een stagnatie van de doorstroming van het verkeer. De raad heeft nader toegelicht dat inmiddels opdracht is gegeven voor het uitvoeren van de aanpassing van de software, waarbij deze qua planning in ieder geval voor het eind van dit jaar moet zijn geïmplementeerd.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verkeersontwikkeling van het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg. Nu het onderzoek van Vialis ook ziet op de verkeersafwikkeling van het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg, heeft de raad in redelijkheid gebruik kunnen maken van dat onderzoek. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van verkeer op de Wilhelminalaan de doorstroming op het kruispunt Wilhelminalaan/Bredaseweg zal verergeren. Overigens is in de mobiliteitstoets uitgegaan van de toevoeging van 550 woningen door het onderhavige bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zijn maximaal 500 woningen voorzien. Derhalve zal de extra druk op het wegennet minder groot zijn dan waar mee gerekend is.

Het betoog faalt.

15.3.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat in de mobiliteitstoets ten onrechte niet wordt ingegaan op de situatie van de Wilhelminabrug bij een geopende brug en op de verplaatsing van de kruising dichter bij de druk bereden Wilhelminabrug, overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de mobiliteitstoets (p.13) worden in de toekomstige situatie op het kruispunt "Wilhelminalaan/Korenbocht geen verkeersafwikkelingsproblemen verwacht. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat op de nieuwe ontsluitingsweg van het kanaaleiland geen verkeerslichtinstallatie zal worden geplaatst maar een voorrangsregeling zal worden toegepast. De nieuwe ontsluitingsweg wordt in plaats van een T-splitsing een vierarmige kruising. Uit de mobiliteitstoets blijkt dat de verwachte wachttijd is berekend voor het planjaar 2030. Uit die berekening blijkt dat zowel in de ochtend- als de avondspits er bijna geen wachttijd ontstaat. Bij de berekeningen is volgens de raad rekening gehouden met de afstand tot de brug en de benodigde opstelruimte. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van verkeer ten gevolge van het plan ter plaatse zal leiden tot grotere verkeersopstoppingen. Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

16. [appellant] en anderen vrezen voor verkeersonveiligheid door toename van verkeer door de voorziene ontwikkelingen. In dat verband wijzen zij op het ontbreken van een scheiding van het fiets- en autoverkeer aan de Korenbocht langs het Wilhelminakanaal. Het ontbreken van een scheiding van het fiets- en autoverkeer aan de Korenbocht is nu al gevaarlijk voor schoolgaande kinderen en zal met de vaststelling van het plan volgens hen erger worden. Ook stellen zij dat een knip ter plaatse van de Korenbocht dicht bij hun woningen moet worden aangebracht ter voorkoming van toekomstig sluipverkeer. De raad is hier bij de vaststelling van het plan ten onrechte aan voorbij gegaan en neemt ten onrechte het standpunt in dat het aan de ontwikkelaar is om de inrichting van de wegen te bepalen.

Voorts hebben [appellant] en anderen aangevoerd dat ten gevolge van het bouwproject op het eiland samen met de werkzaamheden voor de benodigde ophogingen het bewonersverkeer gescheiden dient te worden van bouwverkeer om de veiligheid van verkeersdeelnemers te kunnen waarborgen. Volgens hen dient de verbindingsbrug tussen de Korenbocht en de Koningsdijk als eerste gerealiseerd te worden.

16.1.

De Afdeling stelt vast dat deze betogen geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Geluid

17. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte woningbouw binnen een geluidcontour van 50 dB(A) is toegestaan, nu dit ingaat tegen de uitgangspunten van het vorige bestemmingsplan en tegen de in de plantoelichting van het vorige plan beschreven afstemming met de provincie. Voorts stellen [appellant] en anderen dat de geluidzone in het bestemmingsplan te beperkt van omvang is. In dat verband voeren zij aan dat niet duidelijk is of de ligging van de geluidzone juist is. [appellant] en anderen betogen ook dat ter plaatse van de bestemming "Woongebied-2" de geluidbelasting ten onrechte boven de 55 dB(A) uitkomt. Hierdoor kunnen de hogere waarden besluiten volgens hen geen stand houden.

17.1.

Voor zover [appellant] en anderen stellen dat niet duidelijk is of de ligging van de "geluidzone - industrie" juist is, overweegt de Afdeling als volgt. In het "Geluidonderzoek Bestemmingsplan Zwaaikom 2017 (Industrielawaai)" (hierna: geluidonderzoek), van 2 februari 2018, opgesteld in opdracht van de gemeente Oosterhout, zijn in bijlage 7.9 "Inputgegevens geluidmodel" tabellen met inputgegevens opgenomen. Vanaf pagina 10 van bijlage 7.9 worden de lijsten met rekenpunten weergegeven, waarbij is uitgegaan van het Zonemodel en Zonebeheer Weststad-Statendam. Daarbij zijn als rekenpunten de straten grenzend aan het plangebied en binnen het plangebied meegenomen. Ook op meerdere punten op de Koningsdijk, waaraan het betonbedrijf van [betonbedrijf] is gelegen, zijn rekenpunten geplaatst. Gelet op de wijziging van de milieusituatie, waaronder aanpassing van de bedrijfseconomische processen, is de geluidcontour in dit plan kleiner dan in het vorige plan.

[appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van het onderzoek wat betreft de inputgegevens en het zonemodel gebreken dan wel leemten in kennis vertoont. De Afdeling ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat de raad in zoverre niet van het geluidonderzoek mocht uitgaan.

Het betoog faalt.

17.2.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte woningbouw binnen de geluidcontour van 50 dB(A) is toegestaan en dat de geluidbelasting ter plaatse van gronden met de bestemming "Woongebied-2" ten onrechte boven de 55 dB(A) uitkomt, stelt de Afdeling vast dat deze betogen op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen betreft een belang van de toekomstige eigenaren en bewoners van de nieuwe woningen en niet het belang van [appellant] en anderen. Nu de door hen ingeroepen norm kennelijk niet strekt ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun eigen woning, kan het betoogde op grond van art. 8:69a Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Milieuzonering

18. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Voor [betonbedrijf], die onder een categorie 5.2 inrichting valt, dient volgens hen een afstand van 700 m te worden aangehouden. Het bestemmingsplan voorziet volgens hen in de bouw van woningen op minder dan 100 m afstand, waarbij de afstand nog minder is wanneer vanaf de kade voor het laden en lossen wordt gerekend. Nu een kortere afstand wordt aangehouden dan geadviseerd wordt in de VNG-brochure en uit diverse onderzoeken blijkt dat de geluidbelastingen op de voorziene woningen te hoog is, is volgens [appellant] en anderen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse niet geborgd.

18.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

18.2.

Het betoog van [appellant] en anderen ziet op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen. Dit betreft een belang van de toekomstige eigenaren en bewoners van de nieuwe woningen en niet het belang van [appellant] en anderen. Nu de door hen ingeroepen norm kennelijk niet strekt ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun eigen woningen leidt het voorgaande ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Bodemverontreiniging

19. [appellant] en anderen betogen dat de raad zich ten onrechte op onderzoeken over bodemkwaliteit van meer dan 12 jaar geleden baseert. De raad dient volgens hen, mede gelet op artikel 3.1.1, aanhef en onder a, van het Bro, opnieuw onderzoek te doen naar de grondwaterverontreiniging op het voormalige PDM-terrein aan de Bredaseweg en de voormalige stortplaats op het noordelijke deel van de locatie "Het Eiland". De raad verschuift volgens hen het onderzoeksmoment ten onrechte naar het moment van vergunningverlening.

19.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

19.2. [

appellant] en anderen beroepen zich in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan op de normen die zijn neergelegd in de Wet bodembescherming (hierna: Wbb). In dat verband overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75, dat de toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb met zich brengt dat ten aanzien van in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan aangevoerde beroepsgronden wordt bezien of de in zoverre ingeroepen norm strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De normen uit de Wbb strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem.

[appellant] en anderen gaat het in deze procedure om het belang gevrijwaard te blijven van de realisatie van een nieuwe woonwijk in de nabijheid van hun woningen en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. De normen uit de Wbb strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor [appellant] en anderen in deze procedure bescherming zoeken. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg dat de beroepsgrond van [appellant] en anderen met betrekking tot de bodemkwaliteit kunnen leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze grond.

Flexibiliteit

20. [appellant] en anderen betogen dat het plan rechtsonzeker is omdat niet duidelijk is hoeveel woningen op het kanaaleiland zullen worden gerealiseerd. Zij wijzen op een persbericht waaruit blijkt dat op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" 330 woningen zullen worden gerealiseerd terwijl het plan 360 woningen mogelijk maakt.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat de geboden flexibiliteit in de bouwregels voor de voorziene woningen tot rechtsongelijkheid leidt nu de bouwmogelijkheden voor hun percelen zeer beperkt zijn.

20.1.

Aan het kanaaleiland is grotendeels de bestemming "Woongebied -2" toegekend.

Artikel 14, lid 14.2.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "14.2.1 Algemeen

Voor het bouwen in het algemeen gelden de volgende bepalingen:

a. het aantal woningen mag binnen de bestemming 'Woongebied - 2' niet meer bedragen dan 360;".

Het plan maakt daarmee op gronden met de bestemming "Woongebied-2" maximaal 360 woningen mogelijk. Het plan is in zoverre dan ook rechtszeker. Dat er wellicht feitelijk minder woningen zullen worden gerealiseerd, maakt het plan in zoverre niet rechtsonzeker.

20.2.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het plan tot rechtsongelijkheid leidt omdat de bouwregels meer flexibiliteit bieden voor de voorziene woningen dan voor hun eigen gronden, overweegt de Afdeling het volgende. Het opnemen van een gedetailleerde regeling voor bouwvlakken van de voorziene woningen is volgens de raad niet mogelijk en ongewenst, nu de voor het bestemmingsplan gebruikte stedenbouwkundige verkaveling nog globaal is. Dat is volgens de raad anders voor bestaande woningen, waaronder de woningen van [appellant] en anderen, waarvan de situering reeds vast ligt. De raad stelt dat een flexibele regeling voor bestaande woningen daarom niet nodig is. Voor de regeling van de woningen van [appellant] en anderen is aansluiting gezocht bij regelingen in andere bestemmingsplannen in Oosterhout voor bestaande woningen, waarbij ook enige mate van flexibiliteit wordt geboden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande en nieuwe woningen geen gelijke gevallen betreffen en heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen in de planregels minder flexibiliteit toe te kennen aan gronden met daarop bestaande woningen. Het plan leidt in zoverre niet tot rechtsongelijkheid. Het betoog faalt.

Ophoging eiland

21. [appellant] en anderen vrezen voor de nadelige effecten van het ophogen van het eiland. Zij betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de effecten van het ophogen ter plaatse van hun woningen en stellen dat de raad ten onrechte de onderzoeksverplichting voor zich uit schuift. Dit leidt volgens hen tot rechtsonzekerheid.

21.1.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ophoging van de gronden aan de noordzijde van het kanaaleiland geen onevenredig nadelige effecten zal hebben op de bestaande woningen. Daarbij heeft de raad kunnen betrekken dat weliswaar ophoging van delen van het eiland tot een hoogte van 4,20 m boven NAP nodig is, omdat het eiland een zogenoemd buitendijks gebied betreft, maar dat de weg de Korenbocht reeds op de juiste hoogte ligt.

Overigens zijn de woningen Korenbocht 8 en 8a volgens het verweerschrift gesitueerd op de in het bestemmingsplan opgenomen minimale peilhoogte.

Het betoog faalt.

Bomen

22. [appellant] en anderen vrezen dat de bomen ten oosten van hun woningen ten gevolge van het plan niet gehandhaafd zullen worden. Zij vinden deze bomen mooi om te zien en betogen dat de raad ten onrechte de handhaving van de bomen niet heeft betrokken bij de besluitvorming.

22.1.

De Afdeling is van oordeel dat de raad het belang van handhaving van de bomen voldoende in de afweging heeft betrokken. Uit de plantoelichting blijkt dat ter plaatse van de locatie "Het Eiland" in de groene randen de huidige bomen zoveel als mogelijk gehandhaafd zullen worden en dat op de locatie, waar nodig, nieuwe bomen zullen worden gepland. De raad heeft hieraan toegevoegd dat de door [appellant] en anderen bedoelde bomen geen monumentale bomen zijn, waardoor zij niet planologisch beschermd hoeven worden. Of deze bomen gehandhaafd kunnen blijven, hangt volgens de raad in belangrijke mate af van de concrete invulling van dit gebied. De raad geeft ook aan dat, waar mogelijk, zal worden ingezet op handhaving van daar aanwezige eiken en op inpassing van de op het eiland aanwezige groenelementen. Het betoog faalt.

Aantasting woon- en leefklimaat

23. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij vrezen voor een inbreuk op hun privacy doordat op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" ten oosten van hun woningen op minder dan 11 m van hun percelen een appartementencomplex van 25 m hoog en aan de overzijde van hun straat woningen van 12 m hoog zijn voorzien. Vanuit de voorziene woningbouw kan volgens hen direct in hun woningen en tuinen worden gekeken.

Voorts vrezen [appellant] en anderen voor schaduw- en windhinder. Een appartementencomplex van 25 m hoog beperkt volgens hen de zonlichttoetreding en zorgt onder omstandigheden voor een matig windklimaat. De raad heeft volgens hen ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het windklimaat als gevolg van de voorziene hoogbouw ter plaatse van hun woningen. Voorts betreft de notitie "Theoretische beoordeling windklimaat" (hierna: notitie windklimaat) van 31 januari 2018, opgesteld door Peutz in opdracht van de gemeente Oosterhout, slechts een eerste inschatting van het windklimaat. Een uitvoerig onderzoek ontbreekt volgens [appellant] en anderen. Tevens worden volgens hen de adviezen uit de notitie beoordeling windklimaat ten onrechte niet geborgd in het bestemmingsplan.

Ten aanzien van schaduwhinder wijzen [appellant] en anderen er ook op dat hun woningen voor elektriciteit en warm water afhankelijk zijn van zonnepanelen en zonneboilers op het dak. De schaduw gecreëerd door een 25 m hoog appartementencomplex vermindert volgens hen de opbrengst van deze installaties en levert grote financiële en technische schade op. Hiernaar is volgens hen onvoldoende onderzoek gedaan.

Voorts stellen [appellant] en anderen dat onduidelijk is wat de toename van verkeerslawaai betekent voor de belasting van hun gevels en voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Zij wijzen erop dat de grenswaarde voor verkeerslawaai op een groot deel van het plangebied wordt overschreden. Daar wordt volgens hen ten onrechte in de plantoelichting niet op ingegaan. De raad dient volgens [appellant] en anderen een nieuwe beoordeling te maken van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen.

Privacy

23.1.

Voor zover [appellant] en anderen vrezen voor inbreuk op hun privacy door de voorziene woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2", overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat de afstand van de voorziene hoogbouw ten oosten van hun woningen met de bestemming "Woongebied-2" en onder meer de aanduidingen "gestapeld" en "gemengd" tot de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen ongeveer 20 m bedraagt. Ter plaatse van deze hoogbouw geldt een maximum bouwhoogte van 25 m. Omdat het meest dichtbij gelegen perceel van [appellant] en anderen aan de oostelijke zijde schuin uitloopt bedraagt de kortste afstand tussen dat perceel en het bouwvlak van de hoogbouw ongeveer 11 m. Gelet op deze afstanden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy van [appellant] en anderen ten gevolge van de in het plan voorziene hoogbouw ten oosten van hun woningen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen de bestaande woningen van [appellant] en anderen en de voorziene hoogbouw ten oosten van hun woningen een strook met de bestemming "Groen" en een strook met de bestemming "Verkeer" is opgenomen.

Voor de gronden met de bestemming "Woongebied-2" ten noorden van de percelen van [appellant] en anderen geldt een maximale bouwhoogte van 12 m. De woningbouw is voorzien op een afstand van ongeveer 11 m tot de dichtstbijzijnde tuin van [appellant] en anderen en op ongeveer 20 m afstand tot het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen. Gelet op deze afstand alsmede de tussengelegen weg heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook in zoverre geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy.

Schaduwhinder

23.2.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen over schaduwhinder ten gevolge van de voorziene woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2", overweegt de Afdeling het volgende. Gelet op de onder 23.1 genoemde afstanden en de ligging van de voorziene woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" ten opzichte van hun woningen is weliswaar niet uit te sluiten dat de voorziene woningbouw tot enige schaduwhinder zal leiden, maar deze hinder is niet dusdanig dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de voorziene woningbouw in zoverre ruimtelijk aanvaardbaar is.

Verder hebben [appellant] en anderen niet geconcretiseerd welke nadelige gevolgen de voorziene woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" zullen hebben op het functioneren van hun zonnepanelen en zonneboilers. Ter zitting hebben [appellant] en anderen geen informatie kunnen verstrekken over de hoeveelheid zonlicht die nodig is voor het goed functioneren van hun zonnepanelen en zonneboilers. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene woningbouw op de gronden met de bestemming "Woongebied - 2" tot onaanvaardbare schaduwhinder zal leiden.

Windhinder

23.3.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen over de windhinder overweegt de Afdeling als volgt. In opdracht van de gemeente Oosterhout is een theoretische beoordeling gemaakt van het te verwachten windklimaat rondom de geplande hoogbouwdelen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de notitie windklimaat. Daarin staat vermeld dat er bij de beoordeling van de in de nabijheid van [appellant] en anderen voorziene hoogbouw er vanuit is gegaan dat het gehele bouwvlak bebouwd is, omdat er nog geen concrete invulling aan de plannen is gegeven. In de praktijk zal dit niet het geval zijn en kan volgens de notitie windklimaat door een goede invulling van de bouwhoogteverdeling binnen het vlak het windklimaat aanzienlijk gunstiger zijn. In de notitie windklimaat wordt gesteld dat bij volledige bebouwing van de voorziene hoogbouw ten oosten van de woningen van [appellant] en anderen met name bij de noordwesthoek van het bouwvlak van de voorziene hoogbouw een mogelijk matig windklimaat te verwachten is door geleiding van de westen- en zuidwestenwind. Dit gebied is op de afbeelding onder het kopje "Aandachtsgebied III" met een "A" aangegeven.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat in de notitie windklimaat is gekeken naar de gevolgen voor het windklimaat ten gevolge van de in het plan voorziene hoogbouw en dat gebied "A" op de afbeelding het enige aandachtsgebied is. Ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen is derhalve geen sprake van een aandachtsgebied. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op de notitie windklimaat kunnen baseren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre zal leiden tot onaanvaarbare windhinder ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen.

Ten aanzien van het betoog over het borgen van de adviezen uit de notitie in het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat deze adviezen algemene adviezen zijn die zien op alle voorziene hoogbouw in het plangebied. Omdat ten tijde van het onderzoek nog geen concrete geometrie van de mogelijke bebouwing bekend was, is alleen in algemene zin advies gegeven over de risico’s op windhinder rond de mogelijke bebouwing, zo blijkt uit de notitie. De raad heeft daarom in redelijkheid er voor kunnen kiezen deze adviezen niet in het plan op te nemen.

Verkeerslawaai

23.4.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen over verkeerslawaai ter plaatse van hun woningen als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt vast dat in het rapport "Geluidonderzoek Bestemmingsplan Zwaaikom 2017 (Verkeerslawaai)" (hierna: geluidrapport) van 2 juli 2018 van de gemeente Oosterhout, onderzoek is gedaan naar het gehele plangebied, waaronder de woningen van [appellant] en anderen. In tabel 9.7.2 van bijlage 7 van het geluidrapport wordt de geluidbelasting in de toekomstige en huidige situatie voor de woningen van [appellant] en anderen weergegeven. In het geluidrapport wordt in hoofdstuk 7 "Kwaliteit woon- en leefomgeving" aangegeven dat de grootste toenames in geluidbelasting aan de Korenbocht te verwachten zijn tot ongeveer 6,7 dB. In dat geval is de geluidbelasting volgens het geluidrapport ongeveer 49 tot 51 dB. Deze mate van geluidbelasting wordt in het geluidrapport aangemerkt als redelijk tot goed. In hetgeen [appellant] en anderen hebben gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van het geluidrapport te twijfelen. Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen wat betreft het ondervinden van verkeerslawaai niet onaanvaardbaar zal worden aangetast. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het woon- en leefklimaat met betrekking tot verkeerslawaai ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen opnieuw dient te beoordelen.

Conclusie

23.5.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. Het betoog faalt.

Herhalen en inlassen zienswijzen

24. Voor zover [appellant] en anderen voor het overige verzoeken de inhoud van de zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de bij de bestreden besluiten behorende zienswijzennota is ingegaan op de zienswijzen. [appellant] en anderen hebben in hun beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in de bestreden besluiten onjuist zou zijn.

Conclusie

25. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestemmingsplan, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Besluit hogere waarden industrielawaai

26. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn ten aanzien van het besluit hogere waarden industrielawaai, overweegt de Afdeling het volgende.

26.1.

Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is een noodzakelijke voorwaarde om de bouw van een aantal in het plan voorziene woningen mogelijk te maken. Volgens jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4973, en 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1102, www.raadvanstate.nl) zijn bij een dergelijk besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Nu [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van een aantal voorziene woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld worden zij rechtstreeks in hun belangen geraakt door de realisering van de woningen en derhalve eveneens door de vaststelling van hogere waarden voor deze woningen. [appellant] en anderen zijn derhalve belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij het besluit tot vaststelling van hogere waarden industrielawaai.

26.2.

Voor zover [appellant] en anderen zich niet kunnen verenigen met het Besluit hogere waarden industrielawaai met name vanwege de onjuiste ligging van de geluidzone overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 8:69a van de Awb de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

26.3.

Hoofdstuk V van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone rond een industrieterrein ter zake van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein voor woningen gelegen binnen die zone de waarde in acht moet worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

De regeling in de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege het industrieterrein maximaal mag optreden.

[appellant] en anderen zijn geen eigenaar van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van die voorziene woningen. Onder de omstandigheden die zich hier voordoen strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9570, en de uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2771. Gelet hierop kan hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren over het besluit hogere waarden industrielawaai niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] en anderen hierover hebben aangevoerd.

Besluit hogere waarden verkeerslawaai

27. De Afdeling stelt vast dat het besluit hogere waarden verkeerslawaai ziet op de Twickel locatie. Nu onder 3 is overwogen dat [appellant] en anderen geen belanghebbende zijn bij de Twickel locatie, is de conclusie dat [appellant] en anderen ook geen belanghebbende zijn bij het besluit hogere waarden verkeerslawaai als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. -verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2018, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout hogere waarden heeft vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting betreffende verkeerslawaai vanwege de wegen Wilhelminakanaal-Oost en de Wilhelminalaan ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" niet-ontvankelijk;

-verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017", voor zover dit ziet op de Twickel locatie niet-ontvankelijk;

II. -verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2018, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout hogere waarden heeft vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting betreffende industrielawaai vanwege industrieterrein Weststad-Statendam ten behoeve van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" ongegrond;

-verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zwaaikom 2017" voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Tuit
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

425-875.

BIJLAGE

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1, eerste lid, onder h

In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[….]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Artikel 3.1.6, tweede lid

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Verordening ruimte

Artikel 5 Natuur Netwerk Brabant

Artikel 5.1 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

2. Als ecologische waarden en kenmerken als bedoeld in het eerste lid gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

3. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

4. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan, mits:

a. het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door bestaand stedelijk gebied loopt als bedoeld in artikel 4, en

b. de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant of als de nieuwvestiging wel een aantasting van waarden geeft er voldaan wordt aan de vereisten uit artikel 5.3, artikel 5.4 of artikel 5.5.

5. Artikel 3.3, tweede lid (nieuwvestiging), is niet van toepassing.

6. In afwijking van het eerste lid, onder c, stelt de gemeenteraad binnen negen maanden een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen als de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd op grond van een verplichting van Gedeputeerde Staten of van een waterschapsbestuur.

7. Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant en leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels).

Artikel 5.4 Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering

1. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant op verzoek van de gemeente wijzigen in geval van een ruimtelijke ontwikkeling door toepassing van de saldobenadering.

2. Onder de saldobenadering bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel.

3. Een verzoek om wijziging van de begrenzing, als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke visie is opgenomen op een gebied waarvan een wezenlijk deel behoort tot het Natuur Netwerk Brabant en waarbij ruimtelijke ontwikkelingen in samenhang worden bezien om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder de natuur, te bereiken.

4. Een ruimtelijke visie op een gebied als bedoeld in het derde lid beschrijft in ieder geval:

a. de omvang van het gebied waarop de ruimtelijke visie betrekking heeft;

b. de doelen van de ruimtelijke visie, in het bijzonder wat betreft de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat;

c. op welke wijze wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels);

d. op welke wijze de uitvoering van de ruimtelijke visie is verzekerd.

[…].

Artikel 5.6 Compensatie

1. De op grond van de verordening verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door:

a. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 5.7;

b. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 5.8.

2. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling:

a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;

b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak;

c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak;

d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk;

e. bij verstoring van natuur: maatwerk.

Artikel 5.7 Aanvullende regels voor fysieke compensatie

1. De fysieke compensatie vindt plaats in:

a. de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant;

b. de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones.

2. In afwijking van het eerste lid kan fysieke compensatie ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied indien een wijziging van de begrenzing plaatsvindt met toepassing van de saldobenadering als bedoeld in artikel 5.4.

3. Een bestemmingsplan als bedoeld in de artikel 5.1, zesde lid, artikel 5.3, tweede lid, artikel 5.4, tweede lid en artikel 5.5, tweede lid, borgt de uitvoering van de compensatie;

4. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over:

a. de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt;

b. de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd;

c. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie;

d. de termijn van uitvoering;

e. de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen;

f. het reguliere- en ontwikkelingsbeheer.

5. De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid afgerond.

6. In aanvulling op het vijfde lid, wordt indien sprake is van een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start.

7. In afwijking van het vijfde lid, kan indien er sprake is van een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie een termijn van maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Artikel 11 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

Artikel 11.1 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:

a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling;

b. ten minste 25 m in alle overige gebieden.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, stelt regels voor zover dat nodig is om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, waarbij in ieder geval:

a. beperkingen worden gesteld aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;

b. regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk.

3. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 5.1 (bescherming NNB) van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 Bevoegdheden van Gedeputeerde Staten

38.4

Algemene wijzigingsbevoegdheid

1. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de regels van deze verordening wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van een kennelijke onvolkomenheid of onduidelijkheid in de tekst, mits dit geen beleidsinhoudelijke wijziging ten gevolge heeft;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel.

2. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden (structuren) en aanduidingen wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel;

c. de begrenzing van een gebied of aanduiding niet (langer) in overeenstemming is met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de wet is bekendgemaakt;

d. dit nodig is vanwege een verzoek tot wijziging van een bepaald gebied of aanduiding op grond van deze verordening.

Planregels bestemmingsplan "Zwaaikom 2017"

Artikel 7 Natuur

7.3

Specifieke gebruiksregels

7.3.1

Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen:

a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;

b. voor lawaaisporten;

c. voor verblijfsrecreatie;

d. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen;

e. het omzetten van grasland in bouwland / het scheuren van grasland;

f. het aanleggen van drainage;

g. het verlagen van de (grond)waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties;

h. het plaatsen van een mestzak.

7.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden

7.4.1

Omgevingsvergunning

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in deze gronden de volgende werken, geen gebouwen zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij maaiveldniveaus (steilranden) worden gewijzigd;

b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 m onder maaiveld;

c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem;

d. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;

e. het verlagen van de grondwaterstand;

f. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;

g. het verwijderen van natuur- en landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;

h. het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen;

i. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².

7.4.3

Toelaatbaarheid

De in lid 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden.

Planregels bestemmingsplan "Zwaaikom"

Artikel 3 Algemene bepalingen

Wet geluidhinder (industrie)

8.2.

Binnen de gronden gelegen tussen de zonegrens ex artikel 53

van de Wet geluidhinder en de lijn --- zoals op de

plankaart A is aangegeven, mag geen nieuwe woonfunctie

worden uitgeoefend.

8.3.

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van

het bepaalde in dit lid onder 8.2 indien de milieuvergunning van

het bedrijf ([betonbedrijf] ) dat deze zone bepaalt is opgeheven.

Planregels wijzigingsplan "Bestemmingsplan Zwaaikom wijzigingsplan jachthaven (2017)

Artikel 3 Recreatie -Jachthaven

3.2

Bouwregels

Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 meter bedragen;

b. de hoogte van steigers mag ten hoogte 2 meter bedragen;

c. constructies welke voor het takelen van de schepen geëigend zijn, mogen ten hoogste 7 meter bedragen;

d. voor lichtmasten geldt een hoogte van maximaal 5 meter;

e. het aantal ligplaatsen niet meer bedraagt dan 16;

f.de steiger via de zuidzijde met de oever verbonden wordt.