Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201900302/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 augustus 2018 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900302/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 november 2018 in zaak nr. 18/3341 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij brief van 30 augustus 2018 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 29 november 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door D. Mulders en P. Rinsma, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] is eigenaar van het perceel [locatie] in Almere. Op dat perceel werd in het verleden een autobedrijf en later een kringloopwinkel geëxploiteerd. In 2015 is het bedrijfspand geheel verwoest door een brand. Sindsdien is op het perceel alleen nog de fundering en de betonvloer van het bedrijfspand aanwezig.

2.    Op 5 maart 2018 heeft [appellante] het college een brief gestuurd met als onderwerp "planologische medewerking [locatie] te Almere (kadastraal bekend Almere sectie N nummer 4793)". Deze brief luidt:

"Geacht College,

Sedert de brand van 15 februari 2015 resteert op het perceel aan de [locatie] te Almere betreffende het bouwwerk de fundering en de volledige begane betonvloer.

Voor het gebruik van het perceel geldt het vigerende bestemmingsplan Almere Poldervlak 2011 en is de bestemming Bedrijventerrein -2 met de functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 2 en detailhandel perifeer.

Het huidige toegestane gebruik conform het bestemmingsplan is niet toereikend om het bouwwerk economisch te exploiteren. De grote mate van leegstand in de directe omgeving is daar mede debet aan. Inmiddels heeft zich een derde partij gemeld echter voor het gebruik van het bouwwerk voor detailhandel.

Vandaar verzoeken wij u hierbij om planologisch medewerking te verlenen door een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan door toepassing van de kruimelgevallenregeling voor het bestaande bouwwerk op de [locatie] te Almere ten behoeve van maximaal 1.500 m2 VVO reguliere detailhandel. Een en ander zoals schetsmatig weergegeven op de bijgevoegde tekening (bijlage I).

Met vriendelijke groeten en in afwachting van uw besluit.

[appellante]

De heer [naam]"

De bij de brief gevoegde tekening is een globale schets van de ligging van het perceel. Op het perceel is een blauw vlak gearceerd dat met een rode stippellijn is omkaderd, waarbij de aanduidingen "bestaande bebouwing" en "VVO max 1500m2" staan vermeld. Het blauw gearceerde vlak komt overeen met de nog aanwezige betonvloer.

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 5 maart 2018 geen aanvraag om een omgevingsvergunning is en dat er daarom niet van rechtswege een omgevingsvergunning is ontstaan door het niet tijdig besluiten op een aanvraag.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de brief van 5 maart 2018 niet eenduidig en ondubbelzinnig kenbaar is gemaakt dat de brief een aanvraag om een omgevingsvergunning betreft.

Daartoe voert zij aan dat in de brief expliciet is verzocht om planologische medewerking te verlenen door een omgevingsvergunning te verlenen en dat alle daarvoor benodigde informatie in de brief is opgenomen, namelijk de concrete locatie, een tekening waarop is aangeduid om welk (gedeelte van het) bouwwerk het gaat en een duidelijke omschrijving van het voorgenomen gebruik, namelijk reguliere detailhandel. Daarbij wijst zij erop dat de bestemming "Detailhandel" één van de hoofdgroepen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) is. Ook wijst zij erop dat haar brief verschilt van de brief waarover de Afdeling in de uitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3541, heeft geoordeeld, omdat in haar brief de locatie duidelijker is omschreven doordat de kadastrale gegevens in de brief zijn vermeld, omdat duidelijk is gemaakt op hoeveel vierkante meters het verzoek betrekking heeft en omdat met de bijgevoegde tekening is verduidelijkt op welk (gedeelte van) het bouwwerk haar verzoek betrekking heeft. Ter zitting heeft zij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1355, waarin een vergelijkbare brief wel als aanvraag om een omgevingsvergunning is aangemerkt.

Verder voert [appellante] aan dat, indien zij haar verzoek had ingediend via het Omgevingsloket online, het college dezelfde informatie zou hebben gekregen als de informatie in de brief van 5 maart 2018.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:829, is de gebruikelijke weg om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen langs elektronische weg als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht via het Omgevingsloket online of met gebruikmaking van het formulier als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Een aanvraag kan ook worden gedaan op andere wijze.

Een verzoek om omgevingsvergunning dat op andere wijze is gedaan, is alleen dan een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, als voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is of kan zijn dat een aanvraag is gedaan. Het moet daarbij altijd gaan om een zelfstandig stuk. Daarbij is van belang geacht dat in de Algemene wet bestuursrecht een regeling is opgenomen dat bij het niet tijdig besluiten op een aanvraag van rechtswege een vergunning is gegeven. Die regeling betekent dat een omgevingsvergunning tot stand kan komen zonder een beoordeling of die vergunning, gelet op de wettelijke eisen en de betrokken belangen, wel behoort te worden verleend. Een omgevingsvergunning kan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zelfs van rechtswege worden gegeven voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning zal een definitieve verandering van de omgeving mogelijk maken. Gelet op de betrokken belangen en de door de wetgever met de regeling beoogde rechtszekerheid is het belangrijk dat voor het bestuursorgaan meteen duidelijk is wanneer de regeling van toepassing is en waarop een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning concreet betrekking heeft. Daarom moet duidelijk zijn wanneer een aanvraag wordt gedaan en voor welke concrete activiteiten omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Alleen dan kan dus een omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven.

4.2.    Hoewel [appellante] in haar brief van 5 maart 2018 expliciet heeft verzocht om verlening van een omgevingsvergunning en daarbij het concrete perceel en het voorgenomen gebruik duidelijk heeft vermeld, is de omschrijving van het plan onvoldoende concreet om de brief als aanvraag aan te merken. Daarvoor is van doorslaggevend belang dat op het perceel geen gebouw aanwezig is waarvan maximaal 1.500 m2 VVO voor reguliere detailhandel gebruikt kan worden. Dat was in de door [appellante] aangehaalde uitspraak van 24 april 2019 wel het geval. Anders dan [appellante] betoogt, blijkt in dit geval uit haar brief van 5 maart 2018 en de bijgevoegde tekening niet duidelijk op welk (gedeelte van het) bouwwerk en op hoeveel vierkante meters haar verzoek ziet. Uit de brief en de tekening volgt dat [appellante] maximaal 1.500 m2 VVO van het bestaande bouwwerk, waarmee de betonvloer is bedoeld, voor reguliere detailhandel wil gebruiken. Aangezien er op het perceel alleen een betonvloer en daarmee geen verkoopvloeroppervlak aanwezig is, is de concrete locatie en omvang van het gewenste gebruik niet duidelijk.

De omstandigheid dat [appellante], indien zij haar verzoek had ingediend via het Omgevingsloket online, dezelfde informatie zou hebben verschaft als in de brief van 5 maart 2018, betekent niet dat uit die informatie op zichzelf bezien meteen duidelijk is dat is bedoeld een aanvraag om een omgevingsvergunning te doen.

Gelet op het voorgaande kan de brief van 5 maart 2018 niet worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning, omdat daaruit niet duidelijk blijkt voor welke concrete activiteiten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Dit betekent dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan door het uitblijven van een besluit op die brief. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat het college de brief van 5 maart 2018 als een verzoek om vooroverleg heeft aangemerkt en ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] het college er niet op heeft gewezen dat de brief als een aanvraag om een omgevingsvergunning was bedoeld. Zij stelt het college in haar brief van 24 april 2018 erop te hebben gewezen dat haar bief van 5 maart 2018 niet als een verzoek om vooroverleg was bedoeld.

5.1.    Naar aanleiding van de brief van 5 maart 2018 heeft het college [appellante] uitgenodigd voor een vooroverleg dat op 23 maart 2018 heeft plaatsgevonden. Bij e-mailbericht van 13 maart 2018 heeft een medewerker van het college, naar aanleiding van dit vooroverleg en daarop volgend intern overleg, aan [appellante] meegedeeld dat het college geen planologische medewerking kan verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan voor de vestiging van een supermarkt op het perceel. In reactie hierop heeft [appellante] op 24 april 2018 een brief gestuurd waarin zij aangeeft dat zij de reactie van het college teleurstellend vindt en waarin zij beargumenteert waarom een supermarkt volgens haar wel mogelijk is. In deze brief staat de volgende volzin: "Gezien het verzoek van 5 maart en ons toelichtend gesprek van 23 maart vinden wij uw reactie onvoldoende als antwoord op ons verzoek en vragen u daarom tijdig te reageren."

Met deze volzin verzoekt [appellante] het college om tijdig te reageren, waarbij zij aangeeft de reeds gegeven reactie teleurstellend en onvoldoende te vinden. Uit dat verzoek blijkt niet dat zij een besluit van het college wenst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college uit deze brief niet hoefde af te leiden dat [appellante] met haar brief van 5 maart 2018 had bedoeld een aanvraag om een omgevingsvergunning te doen.

Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

687.