Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201809734/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:6236, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de minister de aanvraag van Avera B.V. om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809734/1/A3.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Avera B.V., gevestigd te Breda,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2018 in zaak nr. 18/2745 in het geding tussen:

Avera B.V.

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2017 heeft de minister de aanvraag van Avera B.V. om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm), afgewezen.

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de minister het door Avera B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 oktober 2018 heeft de rechtbank het door Avera B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Avera B.V. hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Avera B.V. heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2019, waar Avera B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M. de Wit, advocaat te Amsterdam, en mr. S.G. Ten Hertog, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Ibrahim, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De relevante regelgeving is vermeld in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    Avera B.V. verkoopt elektronische componenten en apparatuur en wenst daarnaast traangas, pepperspray en stroomstootwapens te importeren vanuit de Verenigde Staten van Amerika om deze vervolgens, na tijdelijk verblijf binnen Nederland, te exporteren aan afnemers binnen de Europese Unie, maar buiten Nederland. De producten vallen onder categorie II wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wwm en daarvoor geldt een verbod. Voor het verhandelen van deze producten is een erkenning vereist van de korpschef op grond van artikel 9 van de Wwm. Eén van de voorwaarden om voor deze erkenning in aanmerking te komen is dat Avera B.V. voldoet aan de vakbekwaamheidseis. Deze eis is geconcretiseerd in artikel 9 van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm). Op grond van artikel 9, derde lid, van de Rwm kan de minister ontheffing verlenen van de vakbekwaamheidseisen.

Avera B.V. heeft de minister verzocht haar ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Rwm. Bij verlening van die ontheffing zou Avera B.V. in het bezit kunnen komen van een erkenning op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wwm. Met die erkenning is zij dan bevoegd om de wapens op te slaan en te verhandelen.

Besluitvorming

3.    De minister heeft de aanvraag voor een ontheffing afgewezen. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat Avera B.V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij over de vereiste wapentechnische kennis én wapenwettelijk kennis beschikt, die gelijk kan worden gesteld aan de opleidingen bij de Politieacademie, om voor verlening van de gevraagde ontheffing in aanmerking te komen. In bezwaar heeft de minister de afwijzing gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de voorgenomen activiteiten van Avera B.V. onder de reikwijdte van artikel 9, eerste lid, van de Wwm vallen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in redelijkheid de ontheffing voor de vakbekwaamheidseis heeft kunnen afwijzen. Niet gesteld of gebleken is dat het voor Avera B.V. onmogelijk of bezwaarlijk is om te voldoen aan de vakbekwaamheidseis. De stelling van Avera B.V. dat de voorgenomen activiteiten geen enkel risico met zich brengen voor de Nederlandse samenleving, volgt de rechtbank niet. Volgens de rechtbank brengen de voorgenomen activiteiten van Avera B.V. een risico met zich voor de Nederlandse samenleving, nu de wapens op Nederlands grondgebied komen. Tot slot volgt de rechtbank de stelling van Avera B.V. dat er sprake is van strijd met artikel 34 en 35 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) dan wel Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt (hierna: de Dienstenrichtlijn), evenmin. Zoals door Avera B.V. zelf toegelicht gelden deze regels niet voor beperkingen met betrekking tot de veiligheid van de openbare orde, aldus de rechtbank. Bovendien, zo overweegt de rechtbank verder, betreft het een verbod op kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen, terwijl het in het onderhavige geval gaat om een kwalitatieve eis. De Dienstenrichtlijn is erop gericht dat ondernemers zich gemakkelijk kunnen vestigen in andere lidstaten en heeft aldus geen betrekking op de regels die worden gesteld voor het veilig verhandelen van wapens en munitie.

Hoger beroep

Artikel 9, eerste lid, van de Wwm

5.    Avera B.V. betoogt dat de voorgenomen activiteiten niet onder de reikwijdte van artikel 9, eerste lid, van de Wwm vallen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Van verhandelen, oftewel verkopen, in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Wwm is volgens Avera B.V. geen sprake. De wapens komen Nederland binnen en worden opgeslagen om daarna weer te worden uitgevoerd met de bedoeling deze aan derden te leveren. De wapens worden niet verhandeld, oftewel verkocht, in Nederland, aldus Avera B.V.

5.1.    Artikel 9, eerste lid, van de Wwm bepaalt:

"Het is verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen."

5.2.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat voor de beoordeling of de voorgenomen activiteiten van Avera B.V. vallen onder de reikwijdte van artikel 9, eerste lid, van de Wwm niet relevant is of de wapens op de Nederlandse afzetmarkt terecht komen, maar relevant is of de wapens op Nederlands grondgebied komen en of er sprake is van verhandelen in de uitoefening van een bedrijf. Dat de wapens op Nederlands grondgebied komen, staat vast. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat Avera B.V. met de voorgenomen activiteiten de wapens tot voorwerp van handel maakt. Dat de wapens niet bestemd zijn om te verhandelen op de Nederlandse afzetmarkt is daarbij, zoals hiervoor overwogen, niet relevant. Gelet op het voorgaande vallen de voorgenomen activiteiten van Avera B.V. onder de reikwijdte van artikel 9, eerste lid, van de Wwm.

5.3.    Het betoog faalt.

Artikel 9, derde lid, Rwm

6.    Avera B.V. betoogt dat de minister een ontheffing voor het vakbekwaamheidsvereiste had moeten verlenen. Volgens Avera B.V. heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het voor haar niet onmogelijk of bezwaarlijk is om te voldoen aan de vakbekwaamheidseis. Werknemers van Avera B.V. hebben immers geen ervaring met vuurwapens, waardoor het uiterst moeilijk wordt om de verplichte opleidingen af te ronden. Verder acht Avera B.V. de opleidingen voor haar activiteiten niet relevant. De rechtbank heeft volgens haar om die reden ten onrechte vastgesteld dat de vakbekwaamheidseis de risico’s voor de Nederlandse samenleving als gevolg van handel in traangas, pepperspray en stroomstootwapens vermindert. Voorts heeft de minister een onjuist toetsingskader gehanteerd. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst Avera B.V. naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9, derde lid, van de Rwm

(Stcrt. 1996, nr. 245 / pag. 20). Hieruit volgt dat de minister de mogelijkheid heeft de ontheffing betrekking te laten hebben op het wapentechnische gedeelte van de vakbekwaamheidseis, het juridisch deel of een combinatie daarvan. Een groot gedeelte van de kennis die wordt opgedaan tijdens de opleidingen is niet noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van Avera B.V., aangezien zij geen vuurwapens maar relatief ongevaarlijke producten verhandelt en niet aan eindgebruikers levert, aldus Avera B.V. Zij heeft bovendien al de noodzakelijke wapentechnische kennis opgedaan over pepperspray, traangas en stroomstootwapens. Werknemers van Mace, de producent van traangas, pepperspray en stroomstootwapens, gevestigd in de Verenigde Staten, die aan Avera B.V. levert, hebben de werknemers van Avera onderwezen in de opslag en het gebruik van deze producten. Zij meent daarom dat de minister haar voor het wapentechnische en het juridische gedeelte een ontheffing had moeten verlenen.

6.1.    Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwm bepaalt:

"Een erkenning wordt geweigerd indien de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder, niet voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid."

Artikel 9 van de Rwm bepaalt:

"1. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet dient met gunstig gevolg een examen te hebben afgelegd waarvan de exameneisen en het examenreglement door de minister zijn goedgekeurd.

2. Goedkeuring als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verleend aan

a. het vakexamen voor de handel in wapens en munitie van de Leidsche Onderwijs Instellingen;

b. het Examen inzake vakbekwaamheid voor de detailhandel in vuurwapens en munitie van de Nederlandse Vereniging voor de Wapenhandel, voor zover dat examen voor 1 januari 1989 is afgelegd;

c. het vakexamen voor de handel in wapens en munitie van de Politieacademie.

3. De minister kan, al dan niet tijdelijk, gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden."

6.2.    Niet gebleken is dat het voor Avera B.V. onmogelijk of onredelijk bezwaarlijk is om te voldoen aan de vakbekwaamheidseis. Dat haar werknemers geen ervaring hebben met vuurwapens, doet hieraan niet af. De rechtbank heeft eventuele ontheffing terecht afgezet tegen het belang van een restrictief beleid en een uniforme opleidingseis, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende activiteiten. De omstandigheid dat Avera B.V. zich uitsluitend bezig houdt met de invoer en tijdelijke opslag voor uitvoer van de wapens heeft niet tot gevolg dat de betreffende wettelijke bepaling uit de Wwm en de Rwm niet op haar van toepassing zijn. Zoals volgt uit de toelichting van de wetgever op artikel 9, derde lid, van de Rwm die door Avera B.V. is aangehaald, wordt zelfs daar waar ruimte zou zijn voor een (gedeeltelijke) ontheffing van het wapentechnische gedeelte van de vakbekwaamheidseis, juridische kennis onontbeerlijk geacht. Nu niet is gebleken dat Avera B.V. over deze kennis beschikt, is een ontheffing op dit punt op goede gronden afgewezen. Voor ontheffing van het wapentechnische gedeelte heeft de minister evenmin aanleiding hoeven zien nu deze ook slechts bij hoge uitzondering wordt verleend, en alleen in die gevallen waarin binnen de onderneming de technische kennis aanwezig is. Dit is bij Avera B.V. niet aan de orde nu haar activiteiten primair zien op elektronische componenten en apparatuur. Niet in geschil is dat zij niet over een gelijkwaardige opleiding zoals bedoeld in artikel 9 tweede lid, van de Rwm beschikt. Ook is niet gebleken dat zij anderszins op gelijkwaardig niveau over de benodigde kennis en vaardigheden beschikt die geboden worden geacht voor het verhandelen van wapens. Dat werknemers van Mace, de werknemers van Avera B.V. hebben onderwezen in de opslag en het gebruik van deze producten, kan hiermee niet worden gelijkgesteld.

6.3.    Het betoog faalt.

Dienstenrichtlijn

7.    Avera B.V. betoogt in dit kader allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op de door haar gevraagde ontheffing. Volgens Avera B.V. is de Dienstenrichtlijn ook van toepassing op zuiver interne situaties, zoals bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018, gevoegde zaken C-360/15 en C-31/16, X, ECLI:EU:C:2018:44. Zij stelt zich verder op het standpunt dat de door haar voorgenomen activiteit, het verhandelen van traangas, pepperspray en stroomstootwapens, onder de Dienstenrichtlijn valt omdat deze activiteit is te kwalificeren als een economische activiteit, anders dan in loondienst. De noodzakelijke erkenning als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwm is een beperking van de toegang tot het leveren van de producten en niet een eis aan de goederen zelf, aldus Avera B.V. Artikel 9, eerste lid, van de Wwm, in samenhang met artikel 10, eerste lid, vormt volgens Avera B.V. daarom een belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Dit wordt volgens Avera B.V. bevestigd door overweging 33 in de considerans van de Dienstenrichtlijn, waarin staat dat de diensten waarop de richtlijn betrekking heeft, zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten zijn, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend. Tot slot voert Avera B.V. aan dat het Hof in voormeld arrest heeft geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op de handel in goederen.

7.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Dienstenrichtlijn in dit geval niet van toepassing is. Daartoe overweegt zij als volgt.

7.1.1.    Op basis van artikel 4, aanhef en onder 1, van de Dienstenrichtlijn wordt voor de toepassing van de richtlijn onder "dienst" verstaan: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 van het VWEU. Werkzaamheden van commerciële aard worden uitdrukkelijk vermeld op de niet-uitputtende lijst van verrichtingen die artikel 57 van het VWEU als diensten definieert. In overweging 33 van de Dienstenrichtlijn is vermeld dat de diensten waarop de richtlijn betrekking heeft, zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten zijn, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals distributiehandel. Volgens overweging 76 van de Dienstenrichtlijn heeft de richtlijn geen betrekking op de toepassing van de artikelen 34-36 van het VWEU over het vrij verkeer van goederen.

7.1.2.    In het arrest van het Hof van 30 januari 2018, gevoegde zaken C-360/15 en C-31/16, X, ECLI:EU:C:2018:44 heeft het Hof geoordeeld dat detailhandel in goederen als schoenen en kleding een "dienst" vormt als bedoeld in artikel 4 van de Dienstenrichtlijn (punt 97). Daarbij heeft het Hof onder meer van belang geacht dat detailhandel in deze goederen als dienstverlening kan worden gezien wegens de andere activiteiten die daarmee samenhangen, zoals de consument advies geven alsook klantenservice aan te bieden. Het vorenstaande betekent dat de bepalingen van de Dienstenrichtlijn van toepassing zijn op de uitoefening van detailhandelsactiviteiten. De essentie van het arrest is dat het begrip "dienst" als bedoeld in de Dienstenrichtlijn zich ook uitstrekt tot de verkoop van goederen in de vorm van detailhandel. De Dienstenrichtlijn is dan ook van toepassing op eisen en vergunningstelsels die de verkoop van goederen reguleren.

7.1.3.    De in de onderhavige zaak voorgenomen activiteiten van Avera B.V. zien alleen op het importeren van traangas, pepperspray en stroomstootwapens vanuit de Verenigde Staten van Amerika om deze vervolgens, na tijdelijk verblijf binnen Nederland, te exporteren naar andere lidstaten. Het louter importeren en exporteren van goederen vergt geen serviceverlening en is daarom, anders dan in het arrest van het Hof van 26 september 2018, C-137/17, ECLI:EU:C:2018/771, niet gelijk te stellen met detailhandel in goederen, zoals hiervoor bedoeld. Anders dan Avera B.V. stelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op elke vorm van handel in goederen. Artikel 57 van het VWEU, waar de Dienstenrichtlijn voor de uitleg van het begrip "dienst" in artikel 4, aanhef en onder 1, naar verwijst, bepaalt namelijk dat in de zin van de verdragen als diensten worden beschouwd, de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding, geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, (…) op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn (punten 87 en 97 van het arrest C-360/15 en C-31/16, X, ECLI:EU:C:2018:44). Niet is gebleken dat het vakbekwaamheidsvereiste de toegang tot een dienstenactiviteit belemmert.

7.1.4.    Het betoog faalt.

Vrij verkeer van goederen

8.    Nu de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is, wordt toegekomen aan de vraag of de regels van het vrij verkeer van goederen van toepassing zijn.

9.    Avera B.V. betoogt dat het vakbekwaamheidsvereiste in strijd is met artikel 34 en 35 van het VWEU. Het vereiste dient om die reden onverbindend te worden verklaard, dan wel in dit geval buiten toepassing te worden gelaten. De rechtbank heeft volgens Avera B.V. ten onrechte overwogen dat artikel 34 en 35 van het VWEU niet gelden voor beperkingen met betrekking tot de veiligheid van de openbare orde. Deze artikelen gelden wél voor deze beperkingen, maar kunnen op grond van artikel 36 van het VWEU, mits gemotiveerd, onder omstandigheden zelfstandig worden gerechtvaardigd op grond van de openbare orde dan wel openbare veiligheid. Volgens Avera B.V. wordt in dit geval de markttoegang belemmerd, aangezien marktpartijen, voordat zij toegang krijgen tot de markt, moeten voldoen aan het vakbekwaamheidsvereiste. Daarmee staat een schending van de artikelen 34 en 35 van het VWEU vast. Volgens Avera B.V. kan artikel 36 van het VWEU in dit geval geen rechtvaardiging bieden voor de schending omdat zowel het vergunningenstelsel als het vakbekwaamheidsvereiste onevenredig is.

9.1.    Artikel 34 van het VWEU bepaalt:

"Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden."

Artikel 35 bepaalt:

"Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden."

Artikel 36 luidt:

"De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen."

9.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van de veiligheid van de openbare orde een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 36 van het VWEU biedt voor de vakbekwaamheidseis. Voor het in artikel 9, eerste lid, van de Rwm neergelegde vakbekwaamheidsvereiste waarvan Avera B.V. op grond van artikel 9, derde lid, van de Rwm ontheffing heeft verzocht, geldt dat dit een voorwaarde is voor het verkrijgen van erkenning in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Wwm. De vraag is of het in artikel 9, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod waarvan Avera B.V. uiteindelijk een ontheffing in de vorm van erkenning wenst te verkrijgen in dit geval een beperking oplevert van het in artikel 34 en 35 van het VWEU gewaarborgde vrije verkeer van goederen. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Aan een beoordeling in de zin van artikel 36 wordt daarom niet toegekomen. Zij overweegt daartoe als volgt.

-    Artikel 34 VWEU

9.2.1.    Avera B.V. heeft een aanvraag gedaan die ertoe strekt traangas, pepperspray en stroomstootwapens te importeren vanuit de Verenigde Staten van Amerika om deze vervolgens, na tijdelijk verblijf binnen Nederland, te exporteren naar andere lidstaten. Er is derhalve geen sprake van invoer van producten uit een andere lidstaat. De vrij verkeer bepalingen betreffen alleen de handel binnen de EU en niet van en naar derde landen. Artikel 34 van het VWEU is in dit geval dan ook niet van toepassing.

-    Artikel 35 VWEU

9.2.2.    Omdat Avera B.V. de wapens via Nederland wil exporteren naar andere lidstaten geldt het verbod op kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking als bedoeld in artikel 35 van het VWEU wel. De vraag is of sprake is van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking. De Afdeling is van oordeel dat het in artikel 9, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod om wapens te verhandelen geen maatregel van gelijke werking is als hiervoor bedoeld. Als een nationale maatregel geen onderscheid maakt tussen de producten die bestemd zijn voor de verkoop op de nationale markt en de producten die bestemd zijn voor verkoop op de markt van andere lidstaten, dan verzet artikel 35 van het VWEU zich alleen tegen een nationale maatregel die de facto nadeliger is voor de uitvoer van producten van de markt van de uitvoerende lidstaat dan voor de handel in producten op de nationale markt van die lidstaat (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 14 juni 2018, C-169/17, ECLI:EU:C:2018:440, punt 29). Het in artikel 9, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod om wapens te verhandelen geldt voor alle wapens van categorie II, ongeacht of die nu bestemd zijn voor Nederland of voor uitvoer naar landen binnen de EU. Artikel 35 van het VWEU verzet zich bijgevolg niet tegen het verbod. Dat zou anders kunnen zijn als de minister vaker ontheffing verleent van dit verbod aan handelaren die de categorie II wapens in Nederland willen verhandelen, dan aan de handelaren die willen exporteren. Daarvan is niet gebleken.

9.2.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij berust.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

597.

 

BIJLAGE

 

Wwm

Artikel 9

1. Het is verboden zonder erkenning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen.

Artikel 10

1. Een erkenning wordt geweigerd indien:

a. de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder, niet voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid;

(…).

Rwm

Artikel 9

1. De aanvrager of de beheerder, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet dient met gunstig gevolg een examen te hebben afgelegd waarvan de exameneisen en het examenreglement door de minister zijn goedgekeurd.

2. Goedkeuring als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verleend aan

a. het vakexamen voor de handel in wapens en munitie van de Leidsche Onderwijs Instellingen;

b. het Examen inzake vakbekwaamheid voor de detailhandel in vuurwapens en munitie van de Nederlandse Vereniging voor de Wapenhandel, voor zover dat examen voor 1 januari 1989 is afgelegd;

c. het vakexamen voor de handel in wapens en munitie van de Politieacademie.

3. De minister kan, al dan niet tijdelijk, gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden.

VWEU

Artikel 34

Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel 35

Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel 57

In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

De diensten omvatten met name werkzaamheden:

•    a. van industriële aard,

•    b. van commerciële aard,

•    c. van het ambacht,

•    d. van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die lidstaat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Dienstenrichtlijn

Artikel 4

Voor toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1) „Dienst": elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag;

(…)