Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201808119/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:8050, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen stankoverlast op het perceel [locatie 1] te Tegelen (hierna: het perceel) en tegen een rattenplaag die afkomstig is van het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808119/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Tegelen, gemeente Venlo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 augustus 2018 in zaak nr. 18/304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2017 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen stankoverlast op het perceel [locatie 1] te Tegelen (hierna: het perceel) en tegen een rattenplaag die afkomstig is van het perceel.

Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2019, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.A. J.E. Hamann, advocaat te Den Haag, het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.J.M. Michels, en [belanghebbende], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.H. Verburg, advocaat te Roermond, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is woonachtig op het perceel [locatie 2] te Tegelen. Het perceel is gelegen naast het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie] te Tegelen.

    [appellant] heeft het college op 5 april 2017 verzocht handhavend op te treden tegen de stankoverlast die volgens hem afkomstig is van de zeven honden van [belanghebbende] die op het perceel hun behoefte doen en tegen de rattenplaag die afkomstig is van het perceel.

    Begin april 2017 is de gemeentelijke ongediertebestrijdingsdienst actief bezig geweest met het bestrijden van rattenoverlast aan de Muntstraat. Tijdens deze actie is ook het perceel van [appellant] bezocht en zijn rattenvallen gezet en bestrijdingsmiddelen gebruikt. Tijdens deze periode zijn aan de Muntstraat ongeveer 50 ratten gevangen dan wel vergiftigd.

    Op 8 juni 2017 heeft namens het college een controle plaatsgevonden op het perceel van [belanghebbende]. Tijdens de controle zijn geen ratten aangetroffen maar wel rattenuitwerpselen. Verder zijn ter plaatse geen gebreken zoals een open of beschadigd riool geconstateerd en is geen rondzwervend (honden)voedsel aangetroffen.

    Gelet op de bevindingen tijdens de inspectie heeft het college bij besluit van 20 juni 2017 besloten om niet handhavend op te treden tegen de vermeende stankoverlast. Voorts heeft het college besloten niet handhavend op te treden tegen de vermeende rattenoverlast, omdat geen ratten meer zijn gevangen dan wel dood aangetroffen.

    Op 28 november 2017 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden op het perceel. Bij die controle is geen stankoverlast geconstateerd. Er zijn evenmin voedselresten of ratten aangetroffen. Op het perceel zijn wel rattenuitwerpselen en een mogelijke ingang van een rattennest aangetroffen.

    Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 20 juni 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    De rechtbank heeft het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van [appellant]

2.    [appellant] wijst er op dat uit de constateringsrapporten handhaving van 21 augustus 2014, 8 juni 2017 en 28 november 2017 blijkt dat het perceel vol staat met allerhande bouwwerken, materialen, rommel en afval. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat hiermee vaststaat dat het perceel niet in de staat verkeert die met artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) wordt beoogd. In de nota van toelichting bij dat artikel is immers vermeld dat een erf in dusdanige nette staat moet verkeren dat daardoor geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid en gezondheid ontstaat. Er heeft zich een rattenplaag voorgedaan in de Muntstraat. Tijdens de controles naar aanleiding van het verzoek om handhaving zijn weliswaar geen ratten waargenomen, maar op het perceel waren wel rattenkeutels, een looppad van ratten en een rattennest onder een afdekzeil aanwezig. Het is volgens [appellant] niet aannemelijk dat de rattenplaag zijn oorsprong vindt op een ander perceel dan dat van [belanghebbende]. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat de oorsprong van de rattenoverlast leidend is voor de mogelijkheid om handhavend op te treden. Vast staat dat het perceel een zeer aanlokkelijk leefklimaat voor ratten is. Een volgestouwd vies en rommelig perceel zal schadelijk of hinderlijk gedierte blijven aantrekken en rechtvaardigt handhavend optreden, hetgeen door de rechtbank niet is onderkend, aldus [appellant].

3.    Artikel 7.21 van het Bouwbesluit luidt: " Een bouwwerk, open erf en terrein bevindt zich in een zodanig zindelijke staat, dat dit geen hinder voor personen en geen gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen oplevert."

3.1.    In de nota van toelichting bij het Bouwbesluit (Stb. 2011, nrs. 416 en 676) is vermeld dat met artikel 7.21 van het Bouwbesluit is beoogd dat een open erf in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid en gezondheid ontstaat. Als voorbeeld van een geval waarin op grond van dit artikel kan worden opgetreden, wordt in de nota van toelichting gewezen op de situatie dat in een woning of op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid dat betaamt. Voorts is daarin vermeld dat een open erf geen gevaar behoort op te leveren voor de veiligheid of gezondheid van personen door onder meer begroeiing, waarbij het dient te gaan om ernstige gevallen.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat [belanghebbende] op het perceel (bouw)materialen stalt, composthopen heeft en honden houdt, op zichzelf genomen niet maakt dat sprake is van strijd met artikel 7.21 van het Bouwbesluit.

    Voorts heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat ten tijde van de controles op 8 juni 2017 en 28 november 2017 geen ratten meer op het perceel aanwezig waren. Dat op 28 november 2017 rattenuitwerpselen en een mogelijke ingang van een rattennest op het perceel zijn aangetroffen, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht niet tot de conclusie geleid dat sprake was van hinder voor personen als bedoeld in artikel 7.21 van het Bouwbesluit. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college hieruit niet heeft moeten concluderen dat de aanwezigheid van ratten op omliggende percelen zijn oorsprong vindt op het perceel van [belanghebbende]. In dat verband is van belang dat op meerdere percelen aan de Muntstaat overlast van ratten is ervaren. Voorts is komen vast te staan dat op meerdere percelen aan de Muntstraat schuilplaatsen voor ratten bestaan en dat op meerdere percelen kippen worden gehouden waarvan het voer voedselbron voor ratten kan zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de besluiten van 20 juni 2017 en 20 december 2017 sprake was van overmatige overlast van ratten afkomstig van het perceel van [belanghebbende].     

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geen grond gevonden voor de conclusie dat sprake was van een overtreding van artikel 7.21 van het Bouwbesluit die noopte tot handhavend optreden door het college.

    Overigens is van de zijde van het college opgemerkt dat wanneer opnieuw ratten worden aangetroffen contact kan worden opgenomen met het gemeentebestuur waarna de ongevallenbestrijdingsdienst ter plaatse zal gaan om de situatie op te nemen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. Het door [belanghebbende] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Pans    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

490.