Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201806340/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Adelstraat 9, Made" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806340/1/R2.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Dussen, gemeente Werkendam, en anderen,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Adelstraat 9, Made" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en Zwaluwe Projectontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2019, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf en mr. E.C.J. Wouters, beiden advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Keij, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Zwaluwe Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Bergen op Zoom, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in de mogelijkheid om maximaal 16 woningen te realiseren op het perceel aan de Adelstraat 9, waar op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan een kantoor was gevestigd. In het plan is aan een deel van de gronden van het plangebied nog de functieaanduiding "kantoor" toegekend. Daarnaast bevat het plan een afwijkingsbevoegdheid op grond waarvan in de toekomst ter plaatse van deze functieaanduiding maximaal 3 extra wooneenheden kunnen worden gerealiseerd.

    Het plangebied grenst aan het perceel aan de [locatie], dat in eigendom is van [appellant] en anderen. Zij vrezen dat het plan zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat bij deze woning.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking

3.    [appellant] en anderen hebben ter zitting de beroepsgrond die ziet op de gestelde effecten van het plan op Natura 2000-gebieden ingetrokken.

Procedureel

4.    [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), nu het ontwerpbesluit hogere waarden niet tegelijkertijd met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

4.1.    Artikel 110c, eerste lid, van de Wgh luidt: "Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 110a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat indien burgemeester en wethouders bevoegd zijn de hogere waarde vast te stellen en het besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd."

4.2.    De Afdeling overweegt dat artikel 110c, eerste lid, van de Wgh een procedureel vereiste bevat dat betrekking heeft op de voorprocedure van de vaststelling van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting en niet op een bestemmingsplan, dat hier voorligt. Gelet hierop is artikel 110c, eerste lid, van de Wgh niet van toepassing en ziet de Afdeling reeds hierom geen aanleiding voor het oordeel dat het aangevoerde op dit punt kan leiden tot een vernietiging van het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.    [appellant] en anderen stellen dat de in het plan toegelaten ontwikkeling ten onrechte niet is getoetst aan de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij stellen dat geen behoefte bestaat aan de ontwikkeling waarin het plan voorziet. De raad volstaat ten onrechte met een verwijzing naar de gemaakte woningbouwafspraken. Niet duidelijk is in hoeverre het plan past binnen de woningbehoefte, zoals beschreven in deze afspraken, aldus [appellant] en anderen.

5.1.    Artikel 1.1.1, aanhef en onder i, van het Bro luidt: "stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

             Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

5.2.    De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of de voorgenomen ontwikkeling dient te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, moet bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Bij deze vergelijking dienen de onbenutte planologische mogelijkheden die in het voorgaande bestemmingsplan bij recht waren voorzien te worden betrokken. Dit betekent dat deze onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde eisen.

    In het onderhavige plan is aan het perceel Adelstraat 9 de bestemming "Wonen" toegekend, gedeeltelijk met de aanduiding "kantoor". Ter plaatse van genoemde aanduiding zijn de gronden op de begane grond tevens bestemd voor kantoor. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Kern Made" was aan het perceel de bestemming "Centrum" toegekend, welke bestemming naast een kantoorfunctie ook woningbouw op de eerste verdieping toestond.

Alhoewel tussen partijen discussie bestaat over de vraag of op grond van de maximale, deels onbenutte, mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan een extra verdieping mogelijk was onder een zogenoemd lessenaarsdak, staat vast dat zowel op grond van het voorheen geldende als het voorliggende bestemmingsplan een maximale bouwhoogte geldt van 11 meter. In het voorliggende plan is deze maximale bouwhoogte aan de zijde van de [locatie] beperkt tot 4 dan wel 8 meter. Voorts is de zogenoemde "footprint" van het gebouw in het onderhavige plan niet gewijzigd.

    Alhoewel de bouw- en gebruiksmogelijkheden in het onderhavige plan niet geheel overeenkomen met het voorheen geldende plan is de Afdeling van oordeel dat de nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden niet van dien aard zijn dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Gelet daarop heeft de raad geen toepassing hoeven geven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog faalt. 

5.3.    Dat de in het plan toegelaten ontwikkeling niet kan worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, neemt echter niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dient de behoefte aan de in het plan toegelaten ontwikkeling met het oog op de uitvoerbaarheid te worden onderbouwd.

5.4.    In paragraaf 2.4.2 van de plantoelichting is ingegaan op de behoefte aan de in het plan voorziene woningen en de betekenis van de gemaakte woonafspraken in dat verband. In de "Regionale Agenda Wonen" (hierna: woonagenda) van het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant van 8 december 2015 is de woningbehoefte voor de gemeenten binnen de regio West-Brabant voor een periode van tien jaar geprognosticeerd. Uit de woonagenda blijkt dat voor de periode van 2015 tot en met 2024 de groei van de woningbehoefte in de gemeente Drimmelen wordt geprognosticeerd op 875 woningen. Naar aanleiding van deze woonafspraken heeft de raad het "Woningbouwprogramma 2016-2024" (hierna: woningbouwprogramma) van mei 2016 vastgesteld, waarin plannen zijn opgenomen die passen binnen de afspraken die met de provincie zijn gemaakt. In het woningbouwprogramma is een reservering gemaakt voor de herbestemming, transformatie en herstructurering van leegstaande panden. Volgens de plantoelichting en zoals door de raad nader toegelicht ter zitting maakt de in het plan voorziene woningbouw deel uit van de 50 woningen die in het woningbouwprogramma en de woonvisie zijn gereserveerd voor transformatie. Daarmee voorziet het plan volgens de plantoelichting in een bestaande woningbehoefte. Nu geen sprake is van sloop van het bestaande gebouw heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling, anders dan door [appellant] en anderen is gesteld, terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van de transformatie van een leegstaand pand, zodat de raad zich kon beroepen op de daarvoor in het woningbouwprogramma opgenomen reservering. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een behoefte aan de in het plan voorziene woningen.

             Het betoog faalt.

Woonvisie

6.    [appellant] en anderen stellen dat het plan is vastgesteld in strijd met de woonvisie.

Daartoe voeren zij aan dat niet in het plan is geborgd dat alleen levensloopbestendige woningen mogen worden gerealiseerd. Evenmin is in het plan geborgd dat de woningen gasloos dienen te worden gebouwd.

6.1.     De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het de bedoeling is dat levensloopbestendige woningen zullen worden gerealiseerd. Volgens de raad hoefde dit echter niet in de planregels te worden geborgd, nu het levensloopbestendig bouwen geen ruimtelijk relevant aspect is. Voorts stelt de raad dat de woonvisie als uitgangspunt heeft dat bij nieuwbouw de voorkeur moet worden gegeven aan gasloos bouwen. Volgens de raad is geen sprake van nieuwbouw, maar van de transformatie van een leegstaand pand, zodat geen sprake is van strijd met de woonvisie.

6.2.    De Afdeling overweegt dat de woonvisie het geldende beleidskader bevat op basis waarvan de gemeente haar woningbouwbeleid voert. Hoewel in deze woonvisie staat dat ernaar wordt gestreefd om zoveel mogelijk levensloopbestendige woningen te realiseren, bevat de woonvisie - anders dan door [appellant] en anderen is aangevoerd - geen verplichting voor de raad om in de planregels te borgen dat uitsluitend levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd. Verder overweegt de Afdeling dat in de woonvisie staat dat nieuwbouwwoningen bij voorkeur zonder gasaansluiting dienen te worden gerealiseerd. Uit de woonvisie volgt niet dat dit eveneens geldt voor de herbestemming, transformatie en herstructurering van bestaande gebouwen, waarop het voorliggende plan ziet. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de woonvisie is vastgesteld.

Woon- en leefklimaat

7.    [appellant] en anderen stellen dat de in het plan toegelaten ontwikkeling zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat, in de vorm van vermindering van de zonlichttoetreding en de beperking van hun privacy en uitzicht. Zij stellen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen, aangezien de raad zich bij de belangenafweging die aan het plan ten grondslag ligt ten onrechte heeft beperkt tot een vergelijking met de planologische mogelijkheden die het vorige plan bood. In dat verband voeren zij aan dat de maximale bouwhoogte van 11 m hoger is dan op grond van het vorige plan was toegestaan. Ook wijzen zij erop dat voor zover het bouwvlak ter plaatse van de straatzijde grenst aan hun perceel een maximale bouwhoogte van 8 m is toegestaan, terwijl in de huidige situatie ter plaatse laagbouw aanwezig is. Verder wijzen zij erop dat in de huidige situatie op het perceel geen woningbouw aanwezig is en dat de voorziene woningen op zeer korte afstand van hun perceel zullen worden gerealiseerd.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan toegelaten ontwikkeling zal leiden tot een verbetering van de bezonnings-, privacy- en uitzichtsituatie ten opzichte van hetgeen onder het voorheen geldende bestemmingsplan was toegestaan. Volgens de raad was op grond van het vorige plan voor het hele bouwvlak een bouwhoogte van 11 m toegestaan. Het voorliggende plan voorziet voor een deel van het bouwvlak wederom in een maximale bouwhoogte van 11 m. Verder voorziet het plan voor gronden die grenzen aan het perceel van [appellant] en anderen in een beperking van de bouwmogelijkheden. Volgens de raad was onder het vorige plan reeds woningbouw mogelijk en voorzag dat plan in ruimere gebruiksmogelijkheden dan die op grond van het voorliggende plan zijn toegelaten. Nu de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan zijn beperkt, acht de raad het niet aannemelijk dat het plan zal leiden tot vermindering van de zonlichttoetreding en een aantasting van de privacy en het uitzicht ter plaatse van de woning van [appellant] en anderen.

7.2.    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt:

"Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. gestapelde woningen;

    b. aan huis verbonden beroepen;

    c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor', op de begane grond tevens voor kantoor;

    d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen."

    Artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels luidt als volgt:

"Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

    a. de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;

    b. er mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd; c. er mogen maximaal 16 woningen worden gebouwd;

    d. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;

    e. ter plaatse van de gevellijn dient de voorgevel van de hoofdgebouwen op de gevellijn te worden georiënteerd;

    f. de diepte van hoofdgebouwen, gemeten vanaf de voorgevellijn, mag niet meer bedragen dan 20 m;

    g. de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer dan 11 m bedragen, tenzij op de verbeelding door middel van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' een andere maatvoering is aangegeven;

    h. de maximale goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 4 m bedragen."

7.3.    Aan het perceel aan de Adelstraat 9 zijn de bestemming "Wonen" en een bouwvlak toegekend. Uit de verbeelding, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels, blijkt dat op het bouwvlak gestapelde woningen met een totale bouwhoogte van maximaal 11 m zijn toegestaan, tenzij op de verbeelding een andere maatvoering is aangegeven. Uit de verbeelding blijkt dat voor het grootste deel van het bouwvlak de maximale bouwhoogte van 11 m geldt en dat voor zover het bouwvlak grenst aan het perceel van [appellant] en anderen een maximale bouwhoogte van 8 m aan de straatzijde en 4 m aan de tuinzijde geldt. Onder het vorige bestemmingsplan waren aan het perceel aan de Adelstraat 9 de bestemming "Centrum" en een bouwvlak toegekend en gold een maximale bouwhoogte van 11 m en een maximale goothoogte van 7 m. In de feitelijke situatie zijn de maximale bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan niet volledig benut. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat de bouwmogelijkheden in het plan feitelijk zullen leiden tot enige vermindering van de zonlichttoetreding, een beperking van de privacy en aantasting van het uitzicht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een dusdanig onaanvaardbare situatie voor wat betreft de zonlichttoetreding, de privacy en het uitzicht dat hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de bestaande situatie een gebouw bestaande uit meerdere verdiepingen op het onderhavige perceel aanwezig is, waardoor de zonlichtinval, privacy en het uitzicht reeds worden beperkt. Nu in het plan de maximale bouwhoogte ten opzichte van het vorige bestemmingsplan gelijk blijft, dan wel gedeeltelijk wordt verlaagd voor de gronden grenzend aan het perceel van [appellant] en anderen, heeft de raad in dit geval een onderzoek naar de bezonningssituatie op het perceel van [appellant] en anderen niet noodzakelijk kunnen achten. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de woning van [appellant] en anderen ligt in een dorpskern, waar enig zicht vanuit de bestaande bebouwing in tuinen niet is uitgesloten, en dat de in het plan toegelaten maximale bouwhoogten niet ongebruikelijk zijn in een dergelijke omgeving. Overigens wijst de Afdeling er nog op dat er geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat.

    Het betoog faalt.

Verkeer

8.    [appellant] en anderen stellen dat de in het plan toegelaten ontwikkeling zal leiden tot een toename van de verkeersdruk in de omgeving van het plangebied. Ter zitting hebben zij er in dit verband ook op gewezen dat als gevolg van de toename van de verkeersdruk meer geluidoverlast zal optreden. De raad heeft hiernaar onvoldoende onderzoek verricht.

8.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan toegelaten ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige toename van de verkeersdruk en geluidoverlast in de omgeving van het plangebied.

8.2.    In paragraaf 5.4 van de plantoelichting wordt ingegaan op de verkeersgeneratie. Op basis van "Kencijfers Parkeren en Verkeersgeneratie publicatie 317" (hierna: CROW-publicatie) is een inschatting gemaakt van de toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de in het plan toegelaten ontwikkeling. In de plantoelichting staat dat de verkeersgeneratie ten gevolge van het plan ongeveer 171 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) of - in het geval dat de kantoorfunctie niet wordt gehandhaafd en drie extra woningen worden gerealiseerd - 136 mvt/etmaal zal bedragen. In de toelichting op het plan staat verder dat de verkeersgeneratie in de huidige situatie ongeveer 300 mvt/etmaal bedraagt en dat van een toename van de verkeersdruk dus geen sprake is. In hetgeen [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitkomsten van deze berekeningen onjuist zijn. Gelet op het voorgaande is evenmin aannemelijk geworden dat onaanvaardbare geluidoverlast als gevolg van een toename van de verkeersdruk zal optreden.

    Het betoog faalt.

Parkeren

9.    [appellant] en anderen stellen dat in het plan niet is geborgd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daartoe voeren zij aan dat de raad de parkeerbehoefte van de in het plan voorziene woningen onjuist heeft berekend. In dat verband wijzen zij erop dat uit het geldende beleid niet kan worden afgeleid dat de raad bij berekening van de parkeerbehoefte rekening mocht houden met dubbelgebruik. Daarnaast worden de benodigde parkeerplaatsen maar voor een klein deel op eigen terrein gerealiseerd, terwijl het geldende beleid juist als uitgangspunt heeft dat parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Ten slotte stellen [appellant] en anderen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet zal leiden tot relevante milieueffecten voor wat betreft parkeren en verkeer.

9.1.     De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan is verzekerd dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn ten behoeve van de in het plan toegelaten ontwikkeling. In de parkeerbalans is het aantal parkeerplaatsen berekend aan de hand van de parkeernormen uit de "Beleidsnota Parkeren" (hierna: parkeernota) van 28 januari 2010. Volgens de raad zijn in totaal 29 parkeerplaatsen benodigd, waarbij rekening is gehouden met de bezettingsgraad tijdens verschillende dagdelen. Volgens de raad voldoet het plan, dat voorziet in 31 parkeerplaatsen, dan ook aan de gemeentelijke parkeernota.

9.2.    Artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels luidt:

"Parkeerregeling

a. bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken dient tenminste voldaan te worden aan de gemeentelijke vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de aanvraag om een omgevingsvergunning;

b. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a. indien wordt voorzien in een parkeervoorziening, die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is als bedoeld in sub a., daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik;

c. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden."

9.3.    De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken moet worden voldaan aan de gemeentelijk vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2837, kan de juridische waarborg dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd met gebruikmaking van artikel 3.1.2, onder a, van het Bro, in het bestemmingsplan worden geregeld door in een planregel neer te leggen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, de regel geldt dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in een gemeentelijke parkeernota. Daarbij kan ook worden geregeld dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. Weliswaar heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij met de verwijzing in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels naar het geldende beleid heeft beoogd een dynamische verwijzing naar de parkeernota aan te brengen. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt echter onvoldoende uit de daartoe opgenomen planregel dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, de regel geldt dat dient te worden voldaan aan de normen uit de parkeernota, en dat indien deze normen gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening dient te worden gehouden met die wijziging.

    Verder ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of in het plan afdoende is verzekerd dat ten behoeve van de in het plan toegelaten ontwikkeling in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Vaststaat dat het plan bij recht voorziet in maximaal 16 woningen en een kantoorfunctie van maximaal 500 m² bruto vloeroppervlak. In paragraaf 4.3 van de toelichting op het plan staat vermeld dat berekend is welke parkeerbehoefte de in het plan toegelaten ontwikkeling met zich brengt. Bij berekening van de parkeerbehoefte is de raad uitgegaan van de parkeernota. De raad is bij de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen voor dure woningen en een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen voor middendure woningen inclusief bezoekers.

Verder heeft de raad de parkeerbehoefte voor de kantoorfunctie berekend, waarbij de raad is uitgegaan van een parkeernorm van 3,2 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak. Uitgaande van deze parkeernormen en rekening houdend met dubbelgebruik heeft de raad gemotiveerd dat 29 parkeerplaatsen benodigd zijn en dat er feitelijk 31 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling stelt ten eerste vast dat de raad bij berekening van de parkeerbehoefte voor de kantoorfunctie is uitgegaan van een bruto vloeroppervlak van 350 m², terwijl het plan voorziet in ongeveer 500 m² bruto vloeroppervlak, zodat het plan in zoverre in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Ten tweede heeft de raad bij berekening van de parkeerbehoefte rekening gehouden met dubbelgebruik, terwijl de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat deze handelswijze op grond van de parkeernota is toegestaan. Ten derde bevat de parkeernota het vereiste dat parkeren op eigen terrein dient te geschieden. In de parkeernota wordt dit uitgangspunt voor de functie wonen wel genuanceerd. Hierover staat in de parkeernota het volgende: "Deze eis geldt uitdrukkelijk niet voor de functie wonen; daarvoor geldt dat zo veel mogelijk aan deze eis moet worden voldaan, maar dat niet alle benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein hoeven te liggen." De raad heeft echter niet inzichtelijk gemaakt hoe het voornoemde uitgangspunt zich verhoudt tot het voorliggende plan, waarin op een totale parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen volgens de raad 9 parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd.

    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

    Gelet op het voorgaande behoeven de door [appellant] en anderen genoemde uitvoeringsaspecten met betrekking tot het bodemonderzoek en de omgevingsvergunning voor bouwen geen bespreking meer.

Conclusie en proceskosten

10.    Het beroep is gegrond.

11.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

12.    De raad dient ten aanzien van [appellant] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Drimmelen van 31 mei 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Adelstraat 9, Made";

III.    draagt de raad van de gemeente Drimmelen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Drimmelen tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Drimmelen aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Pans    w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

425-914.