Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
201802187/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2018:569, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/199 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802187/1/A2.

Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 februari 2018 in zaak nr. 17/2347 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 19 september 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.J. de Bruijn, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is op 30 juni 2016 aangehouden door de politie. [appellant] bleek een ademalcoholgehalte van 770 µg/l (dat is 1,771‰) te hebben. Het CBR heeft hierin aanleiding gezien [appellant] te laten onderzoeken op zijn rijgeschiktheid. Dit onderzoek is op 10 april 2017 verricht door psychiater M. van Loenen. Van Loenen heeft op 30 mei 2017 een rapport uitgebracht aan het CBR.

Besluitvorming

2.    Het CBR heeft het rapport van Van Loenen aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. In dit rapport komt Van Loenen tot de conclusie dat ten tijde van de aanhouding op 30 juni 2016 sprake was van alcoholafhankelijkheid volgens de DSM-IV-TR en dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld.

Beroep

3.    De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat de rapportage van Van Loenen naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig is of anderszins niet of onvoldoende concludent is. Van Loenen merkt op dat de laboratoriumuitslag normaal is en geen aanwijzingen voor overmatig alcoholgebruik geeft. Hij acht het aannemelijk dat [appellant] is gestopt met het alcoholmisbruik. Zijn slotconclusie luidt wel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er ten tijde van de aanhouding sprake was van afhankelijkheid volgens de DSM-IV-TR en dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. Daarbij wijst Van Loenen op de discrepantie tussen het gestelde normale drinkpatroon en het gestelde alcoholgebruik voor de aanhouding dat gelet op het promillage niet als sociaal alcoholgebruik kan worden bestempeld. Verder ziet Van Loenen een aanwijzing voor een verhoogde tolerantie en constateert hij dat [appellant] ondanks het feit dat hij zich ervan bewust was dat hij zijn rijbewijs hard nodig had voor zijn werk het risico heeft genomen om onder invloed te rijden. Ook in het gegeven dat [appellant] in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanhouding het alcoholgebruik heeft gecontinueerd in de wetenschap dat zijn alcoholgebruik in combinatie met zijn medicatie werd afgeraden en dat dit tot medische problemen - jicht - kon leiden, ziet Van Loenen als een aanwijzing voor persistentie en daarmee voor alcoholafhankelijkheid. Daarnaast ziet hij aanwijzingen voor onderrapportage van het normale alcoholgebruik en daarmee voor alcoholmisbruik, aldus de rechtbank.

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de gestelde discrepantie wel degelijk door Van Loenen is onderbouwd door aan te geven dat het aantal gedronken glazen op de dag van aanhouding sterk afwijkt van [appellant]s normale drinkgedrag. Ook wijst het CBR er terecht op dat het promillage hoger uitvalt dan bij het vermelde alcoholgebruik zou worden verwacht. Ook de stelling dat het [appellant]s eerste overtreding is, heeft de rechtbank niet tot het oordeel gebracht dat het CBR zich niet op de rapportage van Van Loenen heeft mogen baseren.

5.    Het CBR heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de rapportage van Van Loenen, op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat bij Van Loenen sprake was van alcoholmisbruik in ruime zin. Dit betekent dat het CBR het rijbewijs van [appellant] op goede gronden ongeldig heeft verklaard, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6.    In hoger beroep komt [appellant] op tegen dit oordeel. Volgens [appellant] moet de conclusie die Van Loenen trekt in twee onderdelen worden opgedeeld. Het eerste onderdeel gaat over alcoholafhankelijkheid. Volgens Van Loenen is [appellant] afhankelijk van alcohol, omdat sprake is van verhoogde tolerantie en persistentie en omdat [appellant] besloot onder invloed te gaan rijden, terwijl hij wist dat hij hierdoor zijn rijbewijs kwijt zou kunnen raken en dat diverse consequenties met zich zou brengen. Van Loenen leidt uit het antwoord van [appellant] dat hij zich goed in staat voelde te rijden af dat sprake is van verhoogde tolerantie. De vraag die Van Loenen stelde kan niet op een juiste manier worden beantwoord. Een bevestigend antwoord leidt tot de conclusie dat sprake is van tolerantie, een ontkennend antwoord leidt tot de conclusie dat de consequenties van overmatig alcoholgebruik voor lief worden genomen. Aangezien beide antwoorden gebruikt kunnen worden om het standpunt dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin te onderbouwen, zou het antwoord dat [appellant] heeft gegeven in het geheel niet meegenomen mogen worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De rechtbank heeft verder ten onrechte geen gewicht toegekend aan het feit dat [appellant] een first offender is en dat hij om die reden niet alle mogelijke consequenties van drinken onder invloed kon overzien. Omdat de deelconclusie dat sprake is van alcoholafhankelijkheid, nu de twee andere elementen niet gebruikt mogen worden, alleen nog is gebaseerd op het element persistentie, stelt [appellant] hier niet nog op in te hoeven gaan. Het tweede onderdeel van de conclusie van Van Loenen betreft alcoholmisbruik. Volgens Van Loenen is sprake van alcoholmisbruik omdat [appellant] een hoog promillage alcohol in zijn bloed bleek te hebben toen hij werd aangehouden, omdat er een groot verschil zit tussen het normale door [appellant] gerapporteerde alcoholgebruik en het alcoholgebruik op de dag van de aanhouding en omdat sprake is van onderrapportage. Dat [appellant] op het moment dat hij werd aangehouden een hoog alcoholpromillage had, is op zichzelf geen bewijs voor alcoholmisbruik. Het standpunt dat er een verschil bestaat tussen het normale drinkgedrag van [appellant] en het drinkgedrag op de dag van de aanhouding is niet onderbouwd. [appellant] heeft te kennen gegeven één of twee keer per week acht tot zestien glazen alcohol te drinken. Als ervan wordt uitgegaan dat [appellant] op de dag van zijn aanhouding zestien glazen alcohol heeft gedronken in vijf uur, past dit bij het door hem gerapporteerde normale drinkgedrag. Dat sprake is van onderrapportage kan om die reden evenmin staande worden gehouden. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

6.1.    [appellant] miskent met zijn betoog dat Van Loenen niet twee deelconclusies, maar één conclusie trekt in zijn rapport. Van Loenen heeft niet twee keer drie elementen opgevoerd in zijn rapport, maar zes elementen en die elementen dienen niet op zichzelf, maar in onderlinge samenhang te worden bezien. Deze elementen hebben Van Loenen tot de conclusie gebracht dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. [appellant] heeft ervoor gekozen zich te richten tegen een aantal door Van Loenen bij zijn beoordeling betrokken elementen. De Afdeling stelt vast dat [appellant] de observatie van Van Loenen dat sprake is van persistentie niet heeft bestreden.

6.2.    Met het CBR volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn standpunt dat er geen juist antwoord mogelijk is op de vraag of hij zich in staat voelde om te rijden. Dat de twee mogelijke antwoorden allebei gebruikt kunnen worden om tot het oordeel te komen dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin, zoals [appellant] stelt, betekent niet dat de vraag niet gesteld of het antwoord hierop niet gebruikt zou mogen worden. Het gaat bij een anamnese immers om het totaalbeeld dat naar voren komt. Het antwoord op de genoemde vraag is op zichzelf onvoldoende om te komen tot de conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. Datzelfde geldt voor het alcoholpromillage van [appellant] op het moment dat hij werd aangehouden en het gegeven dat [appellant] te kennen heeft gegeven zich in staat achtte te rijden - of hij nu een first offender was of niet.

6.3.    In het rapport van Van Loenen staat het volgende vermeld:

"Betrokkene vertelt dat er in het jaar voorafgaand aan de laatste aanhouding gemiddeld een tot twee dagen per week alcohol gedronken werd en schat het gemiddeld alcoholgebruik, in die periode, op 8 tot 16 consumpties per week."

[appellant] bepleit dat deze passage zo moet worden gelezen, dat het ook kan betekenen dat hij één keer per week zestien consumpties tot zich neemt. Deze lezing ligt naar het oordeel van de Afdeling niet voor de hand. De meest voor de hand liggende lezing is dat [appellant] één of twee keer acht consumpties per week tot zich neemt. Hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd kan hem dan ook niet baten.

6.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat Van Loenen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke elementen hem tot de conclusie hebben gebracht dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. De Afdeling volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat het CBR op basis van het rapport van Van Loenen het rijbewijs van [appellant] ongeldig mocht verklaren.

    Het betoog faalt.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Dijkshoorn

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

735.