Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201809409/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2017 heeft het college besloten tot aanwijzing van de locatie Staringweg te Almen als tijdelijke locatie voor bovengrondse voorzieningen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/918
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809409/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Almen, gemeente Lochem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2017 heeft het college besloten tot aanwijzing van de locatie Staringweg te Almen als tijdelijke locatie voor bovengrondse voorzieningen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft hierbij het besluit van 26 september 2017 (lees: 19 september 2017) herzien en de Staringweg in Almen aangewezen als tijdelijke locatie voor maximaal 6 bovengrondse inzamelvoorzieningen voor de inzameling van huishoudelijk afval tot uiterlijk 31 december 2019.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden naar de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Niessink, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In mei 2017 is een tijdelijke inzamelvoorziening voor afval geplaatst aan de Staringweg nabij de Torenstraat in Almen. Deze voorziening bevond zich daarvoor op een andere locatie in Almen. De tijdelijke inzamelvoorziening bestaat uit een aantal bovengrondse containers voor de inzameling van papier, glas, textiel en plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken. Op 19 september 2017 heeft het college deze locatie aangewezen als tijdelijk locatie voor de bovengrondse inzamelvoorziening voor huishoudelijk afval. Bij het besluit op bezwaar van 8 mei 2018 heeft het college aan de tijdelijke locatie een termijn verbonden tot 31 december 2019. Het is de bedoeling dat de inzamelvoorziening daarna naar een definitieve locatie wordt verplaatst.

    [appellant] woont in de nabijheid van de tijdelijke inzamelvoorziening en ervaart daarvan overlast. Hij kan zich daarom niet met deze locatie verenigen.

2.    [appellant] betoogt dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid, onvoldoende is gemotiveerd en blijk geeft van een onevenwichtige belangenafweging. [appellant] voert hiertoe aan dat het college in dit besluit niet heeft gemotiveerd waarom de locatie van de Staringweg geschikt is voor de plaatsing van afvalcontainers. De enkele stelling van het college dat is getoetst aan de Nadere regels locaties inzamelvoorzieningen huishoudelijke afvalstoffen gemeente Lochem (hierna: de nadere regels) en aan de daarin opgenomen criteria is voldaan, is daartoe onvoldoende, aldus [appellant]. Volgens [appellant] voldoet de locatie niet aan de nadere regels, omdat er parkeerplekken worden opgeofferd, de straat wordt geblokkeerd als het afval wordt ingezameld, de loopafstand niet wordt gehaald en er sprake is van overlast, waaronder rondslingerend afval, toenemende verkeersbewegingen en geluidsoverlast. Het college heeft daardoor onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 5 van de Afvalstoffenverordening gemeente Lochem 2018 luidt: "Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten."

    Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder e, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen 2018 gemeente Lochem luidt:

"De volgende inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen worden aangewezen: ondergrondse of bovengrondse containers voor huishoudelijk restafval, gft, textiel, glas, kunststofverpakkingen/blik/drankenkartons, oud papier en karton, luiers en incontinentiemateriaal."

    In de nadere regels staat het volgende:

"2. Criteria locaties

Bij het bepalen van de locaties worden deze getoetst aan de navolgende criteria:

- een doelmatige inrichting van de openbare buitenruimte waaronder het niet blokkeren van inritten; het zoveel mogelijk beperken van de overlast voor de omgeving;

- verkeersveiligheid;

- de aanwezigheid van groen en/of bomen;

- de aanwezigheid van kabels en leidingen;

- de aanwezigheid van parkeerplaatsen;

- financiële en inzamel logistieke aspecten;

- loopafstanden.

[…]

3. Loopafstanden inzamelvoorziening voor een groep van percelen

a. De loopafstand tussen het perceel en een inzamelvoorziening voor een groep percelen bedraagt in beginsel niet meer dan 75 meter.

b. Burgemeester en wethouders kunnen kiezen voor een loopafstand groter dan 75 meter van het perceel tot de inzamelvoorziening onder andere als:

- de toegankelijkheid van de straat voor het inzamelvoertuig een belemmering vormt;

- de verkeersveiligheid in het geding is;

- de aanwezigheid van kabels/leidingen en/of bomen een belemmering vormen;

- doelmatige inrichting en/of gebruik van de buitenruimte een belemmering vormen waaronder aanwezigheid van parkeerplaatsen;

- er sprake is van een niet-doelmatige wijze van inzamelen.

c. Indien een inzamellocatie verder dan 75 meter van de perceelgrens wordt aangewezen, dan zal de maximale afstand worden bepaald door de afweging van de hierboven genoemde aspecten en de belangen van de gebruikers van de locatie."

2.2.    Bij de keuze voor een locatie voor inzamelvoorzieningen komt het college beleidsruimte toe. Dat neemt niet weg dat het college inzichtelijk dient te maken waarom het een aangewezen locatie, mede gelet op de nadere regels, geschikt acht. In het besluit op bezwaar van 8 mei 2018 heeft het college enkel het volgende opgemerkt: "[…] wij [hebben] de locatie getoetst aan de Nadere regels inzamelvoorzieningen huishoudelijk afval gemeente Lochem welke door ons op 13 maart 2018 zijn vastgesteld en gepubliceerd op 11 april 2018. Deze beleidsregels hebben wij voor u ter informatie bij dit besluit gevoegd." Uit het besluit op bezwaar van 8 mei 2018 blijkt niet op welke wijze het college heeft getoetst aan de nadere regels en op welke gronden het de locatie aan de Staringweg geschikt acht. Het college is niet ingegaan op hetgeen [appellant] in zijn bezwaarschrift gemotiveerd heeft aangevoerd over aspecten als overlast, verkeersveiligheid en afstand. Ter zitting heeft het college toegelicht dat weliswaar niet aan alle criteria uit de nadere regels wordt voldaan, zo leiden de containers bijvoorbeeld tot tijdelijk verlies van parkeerplaatsen, maar dat het aan de hand van deze nadere regels een afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het besluit op bezwaar geen inzicht in de afweging van deze belangen, zodat moet worden geoordeeld dat dat besluit onvoldoende is gemotiveerd.

    Het betoog slaagt.

3.    [appellant] betoogt dat het college in het besluit op bezwaar weliswaar een termijn heeft opgenomen waarop de tijdelijke aanwijzing afloopt, maar dat dit een termijn betreft als gevolg waarvan in redelijkheid niet gesteld kan worden dat het een tijdelijke situatie betreft. De containers zijn immers al vanaf 2 mei 2017 ter plaatse aanwezig. Bovendien is onduidelijk op welke manier tot een definitieve aanwijzing zal worden gekomen, aldus [appellant].

3.1.    Bij het besluit op bezwaar van 8 mei 2018 is besloten de locatie tot 31 december 2019 aan te wijzen als tijdelijke locatie voor maximaal 6 bovengrondse inzamelvoorzieningen voor huishoudelijk afval. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze termijn zodanig lang is dat niet meer van een tijdelijke locatie kan worden gesproken.

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 mei 2018 dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Dit betekent dat het college opnieuw op de bezwaren van [appellant] zal moeten beslissen.

    Met de vernietiging van het besluit van 8 mei 2018 is ook de tijdelijkheid van de aanwijzing komen te vervallen. In het besluit van 19 september 2017 is immers geen termijn gegeven voor welke de locatie beëindigd moet zijn. Op de zitting is besproken welke termijn gemoeid is met het aanwijzen en in gebruik nemen van een permanente locatie. De Afdeling zal, in het licht daarvan en gelet op het belang dat bestaat bij het kunnen inzamelen van afval in Almen, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat de bovengrondse voorzieningen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen tot uiterlijk 31 december 2019 op de locatie Staringweg te Almen mogen blijven staan. 

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lochem van 8 mei 2018, kenmerk 2018-112598;

III.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de bovengrondse voorzieningen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen tot uiterlijk 31 december 2019 op de locatie Staringweg te Almen mogen blijven staan;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lochem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.062,19 (zegge: duizendtweeënzestig euro en negentien cent), waarvan € 1.012,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lochem aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

531-842.