Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:3185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
201808312/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:5216, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 1 maart 2018 heeft [appellante] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning om het aantal vaste standplaatsen te mogen uitbreiden naar in totaal vijf standplaatsen op het perceel Kalfhoekseweg 3 in Oostkapelle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808312/1/A1.

Datum uitspraak: 18 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Oostkapelle, gemeente Veere,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 september 2018 in zaak nr. 18/4194 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Op 1 maart 2018 heeft [appellante] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning om het aantal vaste standplaatsen te mogen uitbreiden naar in totaal vijf standplaatsen op het perceel Kalfhoekseweg 3 in Oostkapelle.

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het college de aanvraag van [appellante] buiten behandeling gesteld omdat deze onvolledig zou zijn.

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college het besluit van 22 mei 2018 ingetrokken.

Op 13 juni 2018 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een volgens haar van rechtswege gegeven omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 6 september 2018 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. Jansen-van der Hoek, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] exploiteert in 2018 op het perceel mini-camping "Kalfhoek" met 25 seizoenplaatsen. Op 1 maart 2018 heeft [appellante] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor in totaal vijf vaste standplaatsen. Vaststaat dat op het moment van de aanvraag het mogen plaatsen van vaste kampeermiddelen op vijf standplaatsen in strijd is met het ter plaatse geldende planologische regime, zoals laatstelijk vastgelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening".

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het college de aanvraag van [appellante] buiten behandeling gesteld omdat deze onvolledig zou zijn. Bij brief van 29 mei 2018 heeft [appellante] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig bekendmaken van een volgens haar van rechtswege gegeven omgevingsvergunning.

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college het besluit van 22 mei 2018 ingetrokken en [appellante] alsnog in de gelegenheid gesteld tot zes weken na verzending op 13 juni 2018 van het besluit de aanvraag aan te vullen. Op 13 juni 2018 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een volgens haar van rechtswege gegeven omgevingsvergunning.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellante] volgens haar geen procesbelang heeft, nu het college inmiddels naar aanleiding van een andere aanvraag omgevingsvergunning heeft verleend voor de gewenste uitbreiding tot in totaal vijf vaste standplaatsen op het perceel.

Procesbelang in beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke uitspraak op haar beroep. Volgens haar heeft zij daarbij wel belang, alleen al omdat dwangsommen zijn verbeurd, aangezien het college niet tijdig op de aanvraag van 1 maart 2018 heeft beslist en tevens niet tijdig de vergunning van rechtswege heeft bekendgemaakt.

2.1.    Reeds vanwege mogelijk om die reden verbeurde dwangsommen had [appellante] in beroep nog belang bij de vraag of van rechtswege vergunning is gegeven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

4.    [appellante] heeft in beroep betoogd dat het college ten onrechte niet tijdig heeft bekendgemaakt dat een vergunning is gegeven. Anders dan waarvan het college is uitgegaan, is de beslistermijn volgens [appellante] niet opgeschort, aangezien het besluit van 22 mei 2018 tot buiten behandeling laten van de aanvraag geen termijn bevat waarbinnen de aanvraag dient te worden aangevuld.

4.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergunning van rechtswege niet is gegeven, omdat de beslistermijn was opgeschort en de aanvraag niet tijdig is aangevuld.

Voor de toepassing van paragraaf 4.1.3.3 (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) is bepalend welke procedure van toepassing is op de door [appellante] op 1 maart 2018 gedane aanvraag. Gelet op artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd, de reguliere of de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. De Wabo bepaalt exclusief welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is.

Vast staat dat de uitbreiding van de mini-camping tot in totaal vijf vaste standplaatsen in strijd is met het ten tijde van de aanvraag en de aangevallen uitspraak geldende planologische regime, zoals dat laatstelijk is gewijzigd door het bestemmingsplan "Buitengebied 2e herziening". Dat betekent dat om medewerking te kunnen verlenen aan de aanvraag een omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Er kan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo omgevingsvergunning worden verleend, nu de geldende bestemmingsplannen daarvoor geen mogelijkheden bieden. Het gaat niet om een categorie van gevallen die is opgenomen in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zodat evenmin toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°. Er kan in dit geval dus alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, omgevingsvergunning worden verleend.

In artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat in dat geval afdeling 3.4 van de Awb, dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure betreft, van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag. In artikel 3:10, vierde lid, van de Awb is bepaald dat indien afdeling 3.4 van toepassing is paragraaf 4.1.3.3. niet van toepassing is.

Nu paragraaf 4.1.3.3 niet van toepassing is, kan wat betreft de aanvraag van 1 maart 2018 een omgevingsvergunning van rechtswege niet zijn gegeven.

Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van het college alsnog ongegrond verklaren.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 september 2018 in zaak nr. 18/4194;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veere aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Helder

lid van de enkelvoudige kamer   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2019

163-930.

 

Bijlage

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]."

Artikel 2.12, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°.    met toepassing van de in het bestemmingsplan of de     beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°.     in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°.    in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede     ruimtelijke onderbouwing bevat;

[...]."

Artikel 3.10, eerste lid, luidt:

"Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;

[…]."

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:10, vierde lid, luidt:

"Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. niet van toepassing."

Artikel 4:20b, eerste lid, luidt:

"Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven."